Kerklied en gemeente (2)
1984-03-02
Uit de voorgaande periode weten we dat de dichters ook de melodieën van de kerkliederen rechtstreeks voor de eredienst verzorgden. Na 1600 maken de dichters alleen de tekst, die dan bedoeld is voor de persoonlijke vroomheid en de verheffing en overweging van het eigen geloof. De liederen werden gemaakt voor huiselijk gebruik en gepubliceerd in bundeltjes naast de officiële kerkboeken. Na kortere of langere tijd vonden ze wel hun weg naar de gezangboeken.- Jaargang 28
- nummer 9
Piëtisme
Het Piëtisme kondigt zich aan, waarin de individu losgemaakt wordt uit de gemeenschap. Deze cultuur-beweging beslaat een gebied van twee eeuwen.
Een groot kerklieddichter uit de 17e eeuw is Paul Gerhardt (1607-1676) en uit de 18e eeuw Gerhard Tersteegen (1697 -1769). Bij beiden ligt de nadruk op het persoonlijk geloofsleven.
Toch hebben ze goede kerkliederen gedicht, omdat ze naast de mens en zijn geloof God en Zijn werk in Jezus Christus niet vergaten.
Voorbeelden van Gerhardt-liederen in het Liedboek zijn o.a.
Gez. 117 "Hoe zal ik u ontvangen"
141 "Ik kniel aan uwe kribbe neer"
182 "Jezus leven van ons leven"
20 "Laat ons nu vrolijk zingen"
214 ,,0 morgen van verblijden"
427 "Beveel gerust uw wegen".
Voorbeeden van Tersteegen-liederen zijn: Gez. 323 "God is tegenwoordig", een lied dat is bedoeld om bij het begin van de dienst te zingen.
389 "Nu is de dag ten einde"
441 "Komt, kinderen, niet dralen".
Naast het bovenbeschreven Piëtisme wordt de 18e eeuw bepaald door de Verlichting (Aufklärung). De menselijke rede wordt ten troon gevoerd.
Woorden als "nut", "deugd", "onsterfelijkheid"
en "Opperwezen" (denk aap- de psalmberijming van 1773) spelen een rol. De Verlichting is voor de ontwikkeling van het kerklied van weinig betekenis.
De melodieën uit de 17e eeuw zijn scheppingen van bekende componisten en worden uitggeven in vierstemmige zettingen met de melodie in de bovenstem. Het akkoord gaat de gang van de melodie steeds meer beïnvloeden.
Belangrijke componisten zijn Johann Crüger (1598-1662) die met de dichter Gerhardt samenwerkte en Johann Schop (1595-1667).
Enkele voorbeelden van Crüger-liederen zijn: Gez. 44 "Dankt, dankt nu allen God"
181 "Herliebster Jesu, was hast du verbrochen"
214 ,,0 morgen van verblijden"
355 "Ziel, mijn ziel, aanvaard uw luister"
428 "Jezus, mijn verblijden".
Schop-liederen zijn de volgende: Gez. 317 "Halleluja, 't loflied rijze"
451 "Alle roem is uitgesloten"
481 ,,0 grote God die liefde zijt" .
Melodie
Ten opzichte van de tekst treedt de melodie steeds zelfstandiger naar voren.
Er is vaak niet meer verband dan een overeenkomst in stemming of algemene strekking. De melodie wil gevoelens wekken en effekt bereiken.
Men zingt vooral een mooie melodie bij zulke liederen b.v.
Gez. 264 "Jeruzalem, o stad zo hoog gebouwd"
297 "Toch overwint eens de genade"
391 "De maan is opgekomen"
434 "Lof zij de Heer"
423 "Ach, blijf met uw genade"
429 "Wie maar de goede God laat zorgen".
Sinds ongeveer 1620 komt de orgelbegeleiding in gebruik in de eredienst.
Na 1650 treedt een verlangzaming van het tempo op. Men ging de tonen langzamerhand even lang aanhouden, wat een iso ritmische manier van zingen inhoudt.
In de gezangboeken bleef de juiste notatie vaak nog wel gehandhaafd.
Niet alleen het tempo, maar ook de ritmische figuren werden aangepast aan de smaak van die tijd.
Vergelijkt u maar eens de notatie van "Alle roem is uitgesloten" (gez. 451) met gez. 25 uit de 29 gezangen.
Het Liedboek geeft de juiste weergave van ritme en melodie.
Engeland
Sprak ik vooral over het kerklied in Duitsland, ook in Engeland is daaromtrent een eigen geschiedenis te vermelden.
Het geestelijk leven werd er in de 18e eeuw vooral beheerst door het zgn. Methodisme. John Wesley was de centrale figuur. Deze stroming wilde een geestelijke opleving. Maar het is tot een zelfstandige kerk geworden.
De nadruk valt op de bekering van de mens en welke weg hij in zijn geloofsleven te gaan heeft. Charles Wesley, de broer van John, maakt de.
liederen, die bij deze beweging hoorden.
De psalmen zong men in Engeland reeds volgens de berijming van Genève, maar de melodieën waren anders.
Gezangen kwamen ook al wel voor, zie gez. 424 "Looft overal looft al wat adem heeft", van de dichter George Herbert (1593-1633).
Gez. 378 "Het licht dat weer opnieuw begon" en gez. 387 ,,0 Heer mijn God ook deze nacht", allebei gedicht door Thomas Ken (1637-1711). De namen die verbonden zijn aan de Engelse hymnen en tijdgenoten waren van Wesley, zijn b.v. Isaäc Watts, de dichter van het bekende lied ,,0 God die droeg ons voorgeslacht" (gez. 397), van gez. 192 ,,0 kostbaar kruis, 0 wonder Gods", van gez. 281 "Jezus zal heersen", en van gez. 290 "Er is een land van louter licht". Ook de naam van William Cowper is verbonden aan twee mooie liederen, nl. gez. 447 "God gaat zijn ongekende gang" en gez. 448 "Soms groeit een licht van vreugde".
Als laatste tijdgenoot van Westey kan genoemd worden John Newton. Gez. 446 ,,0 Jezus, hoe vertrouwd en goed klinkt mij uw naam in 't oor", is het enige lied dat van hem in het Liedboek is opgenomen.
Nederland
We keren wat de achttiende eeuw betreft terug naar ons eigen land.
Sinds 1566, het jaar waarin de psalmberijming van Datheen verscheen, hadden in de daaropvolgende eeuw nog heel wat Nederlandse psalmberijmingen het licht doen zien.
Enkele belangrijke dichters, die psalmbundels verzorgden, zijn o.a. Jacobus Revius, volgeling van Calvijn en medewerker aan de Statenvertaling; Joost v. d. Vondel, die gebruik maakte van de Vulgaat en de Roomse Psalmverklaring; Jodocus van Lodenstein, wiens psalmbewerkingen "uitbreidingen" van bepaalde psalmen zijn; Hendrik Ghijsen, die van bestaande berijmingen de beste verzen uitkoos. 10 van zijn psalmen zijn in de Staatsberijming van 1773 opgenomen.
Het dichtgenootschap “Laus Deo, salus populo" gaf een berijming uit om Datheen's psalmen te vervangen.
Het waren een aantal Amsterdamse dichters uit doopsgezinde en remonstrantse kringen. De Staatscommissie van 1773 nam 58 psalmen met de Lofzang van Zacharias en Simeon van dit genootschap op.
De rest van de 150 psalmen bevatte een keus uit het werk van Joh. Eusebius Voet, nl. 82 psalmen en enkele gezangen zoals de tien geboden, Lofzang van Maria, het Gebed des Heren en de 2e berijming van het geloof.
De Psalmberijming uit 1773 geeft verdienstelijk werk te zien. Er spreekt poëtisch vermogen uit, wat vooral in enkele bekende strofen uitkomt, b.v. ps. 42: 1, 119: 3, 25: 7, 124: 1, 68 : 10, 27 : 7, 56 : 1.
Toch zijn er ook vele bezwaren tegen deze berijming in te brengen. Er zijn wonderlijke samentrekkingen gemaakt: paan, woen, goon, tegenheen, gloende, ai, samenrotten, prangen, wrevelmoedig. Oneerbiedige woorden voor God komen er in voor: Opperwezen, Oppervoogd, Alvermogen.
Er is sprake van het pad der deugd, in psalm 1 : 4.
1800-1850
De eerste helft van de 1ge eeuw betekent een dieptepunt voor de kerkzang. Ik wees al op de ontwikkeling in de 18e eeuw, waar het misverstand alom verbreid raakte dat langzaam plechtig is.
De neerslag hiervan vinden we in de Evangelische Gezangen van 1806.
Vanaf 1796 en daarna was reeds de behoefte uitgesproken om tot uitbreiding van de kerkliederen te komen.
In 1803 was door een commissie met het werk begonnen. Van hoger hand werden de Evangelische Gezangen ingevoerd.
Hier en daar rees er verzet, evenals tegen de psalmberijming van 1773.
De Synode sprak daarom uit dat er elke zondag tenminste één gezang gezongen moest worden! De overheid zou er op toe zien dat dit voorschrift gehandhaafd diende te worden.
Bij overtreding kon zware straf volgen!
Naar de geest van de tijd draagt deze bundel een rationalistisch karakter en een slap piëtisme. Volgens de voorrede zou het gezangboek gegrond zijn op het belijden der kerk, maar er klinkt weinig vreugde in door over Gods werk in Jezus Christus.
De meeste liederen blijven hangen in het menselijke vlak.
Er zijn gunstige uitzonderingen, zoals b.v. "Wij knielen voor uw zetel neer" nr. 44, "God is mijn lied" nr. 16 van de dichter ds Ahasverus van den Berg, "Leer ons, Vader, U verbeiden" nr. 27, van de dichter Hieronymus van Alphen.
Enkele bekende en zingbare liederen, die tevens in de bundel 29 gezangen zijn opgenomen, zijn: "God enkel licht", nr. 83 (in het Liedboek is dit gezang wat de tekst betreft herzien) "Alle roem is uitgesloten" nr. 38 (in het Liedboek is de melodie herzien) "Wij loven U, 0 God! wij prijzen uwen naam", nr. 3. De melodieën van de psalmen die in deze bundel gebruikt worden, staan in isoritmische notatie (niet-ritmisch) geschreven, evenals de vele geleende Duitse melodieën.
De Evangelische Gezangen bevatten 192 liederen. In 1847 begon men al een vervolgbundel samen te stellen, die in 1866 op last van de Synode werd uitgegeven. Deze bundel bevatte 82 liederen. In de voorrede lezen we dat men bij voorkeur liederen heeft willen opnemen die een bewerking zijn van bijbelgedeelten. Gelukkig is het gehalte van deze Vervolgbundel veel beter dan die van 1806.
Er is en goede piëtistische toon aan te wijzen en de rationalistische geest van de Evangelische Gezangen is verdwenen.
Het lied uit vroeger tijden komt echter nog te weinig aan bod.
De notatie van de melodieën is wel beter, maar wordt hier en saar nog wel "aangepast" om de mensen zo gemakkelijk mogelijk te laten zingen.
Er staan verschillende nieuwe melodieën in van Johannes Gijsbertus Bastiaans (1812-1875). Hij genoot zijn opleiding o.a. bij de beroemde Mendelsohn en was organist van de St. Bavo te Haarlem. Hij ijverde voor hel herstel van de psalmmelodie in oorspronkelijk ritme en notatie. Zijn eigen melodieën getuigen van inzicht in het echte kerklied en stijlgevoel, maar vervallen nogal eens in herhalingen.
Een bekend gezang van bovengenoemde componist uit de Vervolgbundel is "Daar is uit 's werelds duist're wolken". Een minder bekend, maar mooi lied met de tekst van de dichtr Nicolaas Beets is "Wie heeft op aard' de prediking gehoord" (zie gezang 179 Liedboek). Een zeer geliefd gezang is wel "Ontwaak, gij die slaapt."
In een Aanhangsel van de Vervolgbundel vinden we 11 liederen die "classiek" genoemd worden.
Voorbeelden: Veni creator spiritus, Een vaste burg is onze God; enkele liederen van eerdergenoemde Duitse dichters Gerhardt en Tersteegen.
Dit aanhangsel is nog weer beter dan de Vervolgbundel zelf. Er is dus een duidelijke stijgende lijn waar te nemen.
(wordt vervolgd)