Simson, verlosser bij de gratie Gods

1984-03-10
  • Jaargang 28
  • nummer 10
Het tweede hoofdstuk over de richter Simson lijkt een afknapper te gaan worden na het eerste hoofdstuk. Richteren 13 leek zo'n veelbelovend begin. God gaat aan het werk, en als God aan het werk gaat, dan mag je iets geweldigs verwachten.
Dan gebeuren er grote dingen. Dan zijn de wonderen niet van de lucht. Zo hebben we dat altijd geleerd en gezien. Richteren 14 lijkt echter helemaal niet aan te sluiten bij onze hoog gespannen verwachtingen, want de verlosser van Godswege slaat er maar op een onbesneden wijze op los. Zijn huwelijkspartner kan nauwelijks genade vinden in onze ogen en de wijze waarop hij korte metten maakt met z'n filistijnse tegenstanders liegt er ook niet om.

Ik denk dat we er voor op moeten passen om deze verhalen uit het Richterenboek al te moralistische te lezen.
We moeten niet te gauw het vermanende vingertje omhoog heffen. Hoe onbesneden Simson ook te werk gaat, hij is en blijft de richter van Godswege.
Niet voor niets wordt ook zijn naam gememoreerd in de lange lijst van geloofsgetuigen in Hebreeën 11.
Dat verheft hem niet boven alle kritiek, maar het maakt ons spreken over hem wel veel genuanceerder en meer ingehouden. Want door hem krijgen we te horen hoe God verlossend ingrijpt in de geschiedenis van Zijn volk. En dan past ons eigenlijk alleen maar bescheidenheid.

Simson is nou niet bepaald het voorbeeld van een richter die met grote geestkracht te werk gaat. Een richter, zo in de stijl van Samuël. Helemaal niet. Bij Simson komt het vlees wel heel nadrukkelijk om de hoek kijken.
Prof. Holwerda. zegt het erg kras: "Maar ofschoon nazireeër, verstaat deze man niets van zijn roeping om het volk der Heren te verlossen. Hij gaat zijn eigen wegen en treedt niet op als richter. Hij kan de filistijnen niet uitstaan en maakt er een gewoon ruzietje van met mensen, die hij niet kan zetten. Hij probeert een incident te scheppen, waardoor hij er op los kan timmeren." (Seminarie-dictaat Jozua en Richteren).
Inderdaad, Simson gaat in dit verhaal op een wel heel onbesneden wijze te werk. Hij huwt een filistijns meisje en haalt daarmee het onbesneden heidendom in huis. Hij demonstreert z'n kracht op een leeuwen dood in grote woede dertig filistijnse mannen in Askelon, die met de hele affaire in Timna niets van doen hebben.
Al lezende vraag je je af, wat heeft dit alles nu nog te maken met het verlossend werk van de Here.
Had de Here zo'n richter maar niet buiten de deur kunnen houden?

Ik zou hier een parallel willen maken met onze eigen vaderlandse geschiedenis.
De periode van de Tachtigjarige oorlog. Een politieke losmaking uit het roomse rijk van Philips de Tweede, die zijn oorsprong had in een religieuze beweging, de Reformatie van Luther en Calvijn. De Reformatie was niet alleen een kerkelijke beweging, maar liet ook zo'n sporen na in het politieke leven.
Voor deze reformatie van de kerk en het volksleven gebruikt de Here God niet alleen fijnbesnaarde en vrome mensen als Luther en Calvijn, en in onze landen Guido de Brês, die een geestelijk fundament hebben mogen leggen, maar ook rabauwen als admiraal Lumey en z'n watergeuzen.
In zekere zin mag je daarbij ook noemen onze Vader des Vaderlands, Willem van Oranje, wiens leven ook het stempel droeg van de verloedering van zijn tijd. Op onbarmhartige wijze heeft de t.v.-serie "Willem van Oranje" (AVRO en Veronica - de smaakmakers van onze kultuur) daarop ingespeeld. Maar in die serie kom je woorden als bekering en vernieuwing van het leven dan ook niet tegen.
De reformatie in Israël heeft z'n Guido de Brès gehad èn z'n Lumey. De richter Samuël, die profetie liefhad èn de richter Simson, die het meer van uiterlijk vertoon moest hebben.
Maar beiden heeft de Here God willen gebruiken om z'n volk te bevrijden van dat onbesneden filistijnendom.

Wat ons in dit hoofdstuk vooral moet prikkelen is die opmerking in vs. 4: "Zijn vader en moeder wisten echter niet, dat dit zo door de Here beschikt was, dat hij een voorwendsel tegen de filistijnen zocht."
Er valt over te twisten of met die hij de Here bedoeld wordt of Simson.
Ik denk eerder aan de Here dan aan Simson. De Here zoekt een voorwendsel om de filistijnen te treffen en daarvoor gebruikt Hij deze toenadering van zijn richter tot dat filistijnse meisje.
Ook dat doden van de leeuwen het doden van de filistijnen in Askelon kun je niet puur en alleen op rekening van Simson schrijven. Heel typerend worden deze krachtexplosies ingeleid door de woorden: "De Geest des Heren greep hem aan ... ".
Hoe vleselijk en onbesneden Simson ook te werk is gegaan, je mag zijn persoon en werk niet los zien van Gods handelen in dezen. Wie dat wèl doet minimaliseert de bijbelse verkondiging.
Wel waar is, dat de gemeente niet kan leven van verlossers als Simson alleen.
Daarvoor is Simson te weinig een geestelijk figuur, dan heb je ook mannen als Samuël nodig, die profetisch kunnen spreken.
Messiaanse gestalten kom je ook in de Bijbel in gradaties tegen. Het doet ons met des te meer verlangen uit zien naar de komst van de Messias zelve. Dat moet na lezing van dit hoofdstuk wel duidelijk zijn geworden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief