Leven met de Heer, die komt
2006-01-06
‘Al lezend in 1 Tessalonicenzen moet ik aan ds J.H. Kamerbeek denken. Toen hij in Kampen stond, was hij de wijkpredikant van mijn ouders. Hij kon heel goed met mijn vader en moeder opschieten en dat was wederzijds. Mijn ouders zijn heel plotseling overleden en op hun beider begrafenissen las ds Kamerbeek uit 1 Tessalonicenzen 4:13-18. En iedere keer weer als ik dat gedeelte lees, moet ik daaraan denken. “Troost elkaar met deze woorden” staat er in vers 18 en dat ervaar ik steeds.’- Jaargang 50
- nummer 1
Zo schreef Jaap Kanis zijn mooie herinnering neer, die voorgoed verstrengeld is met deze woorden van Paulus.
De apostel reageert in dit gedeelte van zijn brief op vragen naar het ‘wanneer’ en ‘hoe’ van de komst van de Heer. Want de eerste gelovigen in Tessalonica waren inmiddels gestorven en dat maakte vragen los naar de komst van de Heer.
De komst
Het viel me op dat Paulus in zijn reactie dicht in de buurt blijft van wat Jezus zelf zei. Ten eerste is er over het ‘wanneer’ door ons mensen geen zinnig woord te zeggen (1 Tessalonicenzen 5:1,2; Marcus 13:32). Gaat het vervolgens over de vraag naar het ‘hoe’, dan verzekert Paulus dat gestorvenen niet zullen achterblijven bij de dan nog levenden (1 Thessalonicenzen 4:15; Lucas 20:38). En tenslotte lijkt ook Paulus met de mogelijkheid te rekenen dat de komst van de Heer wel eens langer op zich zou kunnen laten wachten (2 Tessalonicenzen 2; Matteüs 25:5,19), al zal de apostel niet met zoveel eeuwen gerekend hebben.
Brieven aan medewerkers
Dat is alvast iets uit de twee gemeentelijke brieven van die laatste zes van Paulus. Verder schreef hij er ook nog drie aan zijn vaste medewerkers Timoteüs en Titus en eentje aan Filemon, de heer van een weggelopen slaaf Onesimus.
Paulus kaart de zaak aan op de hem geheel eigen wijze (bijvoorbeeld een wending als vers 19). De brieven aan Timoteüs en Titus hebben ook eigen thematiek, zoals de aanwijzingen om oudsten en diakenen aan te stellen, waarschuwingen tegen allerlei spitsvondige discussies en de nadruk op het belang van de (gezonde) leer. Vooral het eerste en derde punt geven de brieven een wat andere sfeer dan de rest van de Paulinische bundel.
Valse tegenstellingen
Bob Wielenga ging in op dat punt van de leer. ‘Die begon zich dus al vroeg uit te kristalliseren’, zo schrijft hij. Van de wending ‘Niet de leer, maar de Heer’ moet Wielenga niet veel hebben ‘Wie de Heer wil kan niet zonder de leer’, zo schrijft hij. Het is niet de enige keer dat Bob Wielenga stuit op tegenstellingen, die hij als vals ervaart.
Zo ook rond Paulus en Jakobus. Met Luther was het al begonnen, want die vond dat Jakobus het teveel over de werken en te weinig over de genade had. ‘En tot op vandaag worden Jakobus en Paulus tegen elkaar uitgespeeld.
Ja als men een stok wil om de hond te slaan, vindt men er altijd wel een. Luther zat er naast, zoals wel vaker.’ Wielenga voegt er even verder aan toe: ‘Beroep op de Bijbel (Abraham) ondersteunt zowel de rechtvaardiging uit geloof als die uit de werken. Dat kan omdat ze geen tegenstelling vormen. Ze zijn niet hetzelfde; er is prioriteit van de genade boven de werken; maar net zo goed als het dubbelgebod van de liefde kunnen ze niet van elkaar worden losgemaakt.’
Uit één stuk
In de brieven aan Tessalonica ging het al even over de Heer, die komt. Dat die boodschap betekenis heeft voor de volle breedte van het christelijke leven merk je in Paulus’ aansporingen tot een zuiver, heilig leven, in geloof en liefde (vooral in 1 Tessalonicenzen 4 en 5). Ook Jakobus dringt aan tot een leven uit één stuk in het perspectief van de komende Heer. Neem het derde hoofdstuk over al onze woorden, die achteraf gezien beter niet gezegd hadden kunnen worden. Bob Wielenga betrekt deze passage van Jakobus zelfs op haastig verstuurde emails, die meer kwaad dan goed doen. Bij Jakobus merk je ook, dat leven in het licht van de komende Heer soms heel eigenaardige werken voortbrengt, zoals landverraad (Rachab, 2:25) en een kinderoffer (Abraham, 2:21). Daaraan zie je dat het echte gelóófswerken zijn. Zoals ook het standhouden in beproeving (1:2-4), waar Andries Mak op wees.
Offensief leven
Er was in de eerste gemeenten ook veel, wat haaks stond op deze nieuwe werkelijkheid. In de brief van Jakobus lees je dat de rijken werden voorgetrokken (2:1,6) en dat de gemeente verziekt werd door egoïsme en jaloezie (3:14; 4:1-3). In 1 Tessalonicenzen 4 heeft Paulus het over ontucht (3), hartstocht (5) en zedeloosheid (7). De aanwijzingen voor de oudsten en diakenen in zijn brieven aan Timoteüs en Titus liegen er ook niet om. Drift, geweld, drank- en geldzucht waren heuse problemen voor de eerste christenen, afkomstig uit een heidense cultuur (1 Timoteüs 3:3; Titus 1:7). Je merkt hoeveel strijd het kostte om los te komen van het oude leven. Maar daarin proef je tegelijk iets van het offensieve elan van een veroveringsoorlog in de kracht van de Heer. Bij ons lijkt dat anders, na eeuwen waarin het christelijke leven gelijk stond met fatsoenlijk en netjes. Waarbij het er maar al te vaak keurig uitzag aan de buitenkant, zonder dat het gloeide van binnenuit. Het zou me niet verbazen als een gemiddelde Nederlands Gereformeerde Kerk keurig afsteekt bij zo’n gemeente als die van Tessalonica, maar tegelijk minder bewust bezig is met de vraag hoe het evangelie hier en nu doorwerkt in de praktische keuzes van elke dag.
Meer dan
En dan de langste brief, zonder afzender en adres. De brief aan de Hebreeën is haast meer een preek dan een brief, met veel tekstuitleg van het Oude Testament. Tineke Plooij was niet de enige, die zich verwonderde over de omgang met het Oude Testamentbijvoorbeeld bij de psalmcitaten uit hoofdstuk 1, met een hoofdstuk verder psalm 8, die geciteerd wordt uit de Griekse vertaling van het Oude Testament. En ook hoofdstuk 7 over Melchizedek is een gedeelte met ongewoon Schriftgebruik. Maar toch...
inhoudelijk brengt het je keer op keer bij de grote wissel, die in Jezus omging (van tijdelijk naar eeuwig, van onvolmaakt naar volmaakt, van Levi naar Juda, van dieren- naar mensenoffer, en ga zo maar door).
Karakteristiek in de brief is het ‘meer’, dat in Jezus gekomen is: het ‘meer’ van het nieuwe verbond, de grote hogepriester en het hemels heiligdom. Dat geeft een ongelofelijke dieptewerking. Zoals in het tiende hoofdstuk, waar psalm 40 wordt aangehaald. Bij eerste lezing van de psalm tref je iemand in de sfeer van het oude verbond, die zich - tegen de achtergrond van de offerdienst - van harte aangesproken weet door Gods wet, om die te doen (10:7, vergelijk Marcus 12:32,33). Hoeveel moois je daar ook over zeggen kunt, de stap die Jezus zet is van een andere orde.
Hij vernieuwt de offerdienst van binnenuit - eens voor altijd - door zichzelf als offer te geven en dat maakt zijn ‘hier ben ik, ik ben gekomen om uw wil te doen’ zo totaal anders.
Meevoelen
Jezus is dan ook de grote hogepriester, die - hoe wonderlijk - tegelijk het bestaan van mensen van vlees en bloed deelde. Bij hem sluiten hoog en nabij elkaar in. ‘De hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen’, zo lees je (4:15, 2:18). Het nieuwe verbond brengt dus een intense nabijheid van God (4:16) en een diepe reiniging. Want niet alleen wordt met de zonde eens en voorgoed afgerekend, ook het slechte geweten wordt door deze hogepriester gezuiverd (10:22) en angst voor de dood te niet gedaan (2:15). Deze goddelijke nabijheid proef je ook in Hebreeën 11. Ergens met terugwerkende kracht, als je ziet hoe de geloofsgetuigen uit het eerste verbond wandelen in het licht van dat wat komen zou (11:10,16,26).
NBV
En wat de vertaling betreft. Over de brief aan de Hebreeën kreeg ik positieve reacties (het geheel, maar ook 1:1-3 en 11:1). Met de vertaling van 1 Timoteüs was Kees Bos weinig gelukkig (1:5,9-11,16,19). Het had wat hem betreft wel doorzichtiger gemogen.
Rooster:
1 Johannes - Openbaring (kopijdatum 6-1-2003)
e-mail: f.gerkema@solcon.nl