Van de P.C. Hooftprijs naar de ethiek

1985-03-08
  • Jaargang 29
  • nummer 10
Daar sta ik straks mooi voor aap. Op school zullen ze me wel vragen: "Wat vindt u nou van die Brandt Corstius?" En ik kan me absoluut niet herinneren wat ik ooit van die man gelezen heb. De naam kwam me niet helemaal onbekend voor, ik wist dat er een zekere Brandt Corstius was die onder allerlei schuilnamen schreef, ik wist ook dat het meestal om korte stukjes ging die gewoonlijk nogal venijnig uitvielen, maar dat is dan ook alles. Wat moet ik nou? Ik kan natuurlijk naar de Openbare Bibliotheek hollen en proberen nog gauw wat te lezen, maar ja, ik moet ook nog andere dingendoen, Ik moet nog opstellen nakijken, ik moet nog wat voor Opbouw schrijven en overmorgen is er de Elfstedentocht. Nee, ik rijd die niet mee, maar ik wil er wel naar kijken. Dus zal Brandt Corstius nog even moeten wachten. Wat zeg ik, misschien lees ik wel helemaal niets van hem; na wat ik over hem gehoord heb, hoeft dat niet Zo nodig meer. Een leraar Nederlands is trouwens niet voor één gat te vangen, hij heeft xo zijn "bronnen". En wat zie ik dan? Pas in de laatste druk van Lodewicks literatuurgeschiedenis wordt een beetje aandacht aan Brandt Oorstins geschonken. Bij mijn krantenknipsels vind ik ook niets. En wat staat er in. Lodewick? Dat is gewoon overgenomen uit het Kritisch Literatuur Lexicon en zó kan de leraar het ook, Dus ik citeer maar even: "Naast min of meer als zodanig herkenbare kritieken, essays en verhalen omvat het werk ondermeer smaadschriften, pogingen tot opruiing, oplichtingsprojecten, satires, science fiction verhalen, sprookjes, reisverslagen, wereldvredeontwerpen. raadsels, berekeningen, spelbeschrijvingen, lijstjes en verzamelingen". Voor mezelf constateer ik: daar is geen beginnen meer aan, en zeker nu niet, misschien -in de zomervakantie eens. Wat een ratjetoe!

Waarom ik dan tóch daarover begin? Omdat ik er een aanleiding in zie eens iets te gaan schrijven over wat me al heel lang bezig houdt, namelijk de vraag naar. n6rmen voor kunst en dan speciaal voor literatuur. De jury voor de P.C. Hooftprijs hanteert kennelijk heel andere normen dan minister Brinkman en professor Diepenhorst benadert de zaak volstrekt anders dan Cees Nooteboom. Het zal misschien het beste zijn dat de staatsprijzen. voor Ietterkunde maar afgeschaft worden, alleen al 'Omdat daarbij de kwestie van de normen die men stelt, tot grote meningsverschillen kan leiden, Bovendien is het voor mij de vraag 'Ofhet de vaak van de overheid is waardering uit te spreken voor bepaalde kunstuitingen en daarvoor beloningen toe te kennen. En dan heb ik het nog niet eens over de problemen die ontstaan als we willen vaststellen wat nu eigenlijk kunst is en welke maatstaven we daarbij hanteren. Om maar eens wat te noemen: Als we nu eens een bloemlezing uit het werk van de heer Milo samenstelden (het zou een heel interessant boek kunnen worden!) zou die dan ook in aanmerking kunnen komen voor een literaire prijs? Waarom Milo niet en Brandt Corstius wel?


Het ethische is een artistiek aspect op zichzelf
Dezelfde kwesties komen altijd terug: wat is kunst, wie maakt dat uit en welke eisen worden daarbij gesteld? Daar ga ik nu niet op in. Iedereen weet dat een literair werk kwaliteit moet hebben. Er zijn allerlei structuurelementen die van belang zijn: woordkeus, zinsbouw, beschrijvingen, spanning, maar een lezer gaat het allereerst om het "verhaal". Wat gebeurt er en hoe loopt het af?
De humanist Dirk Coster was van mening dat het ethische in een werk van even groot belang is voor de artistieke waarde als bijv. de manier waarop de taal wordt gehanteerd. Ik ben dat met hem eens: als een boek ethisch, moreel, op een hoog peil staat, stijgt het daarmee ook in kunstzinnig opzicht. Met een gerust hart zeg ik dan ook dat scholieren best “Turks Fruit”van Jan Wolkers kunnen laten liggen: het mag knap geschreven zijn, maar door de wijze waarop in dat boek de verdierlijking van de mens wordt beschreven, door de slechte moraal, is het een slécht boek geworden, niet alleen in moreel opzicht, ook artistiek gezien. En de zeventiende eeuwse reisbeschrijving van schipper Bontekoe is best interessant, maar je ergert je toch wel als je leest hoe hij vroomheid en koopmanschap combineert en hoe hij zijn gekleurde medemensen behandelt. Het doet me denken aan wat ik las in een krant uit een Canadees delversplaatsje: er was een ernstig ongeluk gebeurd, maar er waren gelukkig geen slachtoffers gevallen uitgezonderd een paar Chinezen. Bontekoe dankt de Here omdat hij een aantal gevangenen gemaakt heeft die als slaag een goede prijs kunnen opbrengen! Om de zaak nog wat duidelijker te maken neem ik een gedicht over uit een bloemlezing van nationaalsocialistische schrijvers, “Keurjaarboek 1932-1942”. Ik doe dat wel met een zekere aarzeling want eigenlijk is het papier van Opbouw te goed voor zoiets, maar voor deze keer moet het dan maar.
De Führer en zijn herdershond
Een jonge hond rent langs de stammen
van 't stille bos. Het voorjaar geeft
zijn licht, hier sprankelend in duizend vlammen
en ginds weer rustig, als het langs de paden zweeft.
En in dit bos, waar lentewinden waaien,
't luidruchtige rumoeren van een jonge hond.
Nu wacht hij even oi.ziin baas hem nog zal aaien,
dan rent hij blaffend weer en overmoedig rond.
Hij stoort de stilte niet. De Führer richt zijn schreden
naar 't midden dezer vreemde, korte eenzaamheid.
Hij staat en lacht, Hier is het vrede,
heel even vrede tussen zó veel werk en strijd.
Héél éven is hij niet de veldheer van'legioenen
voor wie elk trouw soldatenhart met vreugd te sterven weet,
een kort moment niet Führer van geestdriftige miljoenen
die met zijn woord èn daad een ijzeren toekomst smeedt.
Stli gaat hij dooi' dit bos, waar vliegjes zweven
in 't zonlicht dat schuin door de blaren speelt:
op al de dingen van dit klein en rustig leven
en op een hand die, even, zachtjes streelt.

Laten we daar nu iets anders tegenover zetten, iets uit het Geuzenliedboek 1940-1945:

Jodenkind
Dit mooie kind,
dit kleine jodenkind,
ik moet het brengen naar
het tramstation;
vandaar
gaat het weer verder.
Waarheen het gaat?
ik zou 't niet kunnen zeggen,
en waar vandaan?
ik weet het niet,
en wie het verder brengt?
het is mij onbekend...
Dit kleine kind,
waarheen, vanwaar?
ik weet het niet,
maar, O, ik houd van haar!

Ze is zo lief
ontroerend mooi en teer;
haar huid is glanzend
en volkomen gaaf,
de ogen donker en diep,
de wimpers lang, gebogen
en glinst'rend zwart.

Ik neem haar koude hand
die koud is en heel zacht;
ze kijkt me aan en lacht -
er beeft iets in mijn hart -
Ach, waar is mijn verstand,
m'n koel verstand gebleven?
ik vecht en slik iets weg
en voel dan hete tranen
in bei' m'n ogen beven.


Wat de "technische" kwaliteiten betreft, ontlopen beide gedichten elkaar niet zo veel, maar de inhoud geeft de doorslag, de ethiek achter het eerste gedicht deugt niet. Ik hoop dat niemand van mijn lezers hetzelfde zal zeggen als een collega van mij eens meende te moeten opmerken: "Van de kant van de Duitsers gezien, hadden zij gelijk." Daarover heb ik mij toen erg boos gemaakt: "Je kunt wel op het standpunt van de duivel gaan staan en dan heeft die ook gelijk. Maar het standpunt deugt niet!" .

Een volgende keer verder.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief