Antwoord aan dr. D. Holwerda (2)
1984-04-13
De vorige maal hadden we het over de vertaling van het griekse woordje 'hoetoos'. Of je dat in Romeinen 11 : 26 moest weergeven met 'aldus' of 'alsdan'; of je dus moet lezen: “….en aldus zal gans Israël behouden worden", dan wel: “….en alsdán zal gans Israël behouden worden".- Jaargang 28
- nummer 15
Voor de laatste vertaling kiest dr Holwerda. Voor hem is de behoudenis van gans Israël een gebeurtenis die zal plaats vinden nadat de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan. Tot aan dar tijdstip duurt de gedeeltelijke verharding van Israël voort. Volgens dr H. is er dus in het tijdsverloop tussen Christus' hemelvaart en wederkomst een duidelijk keerpunt aanwijsbaar voor Israël waarop de gedeeltelijke verharding van dit volk ten einde loopt en het als geheel nog een keer voor het heil in aanmerking komt. In zijn opvatting is de ongevoeligheid van het grootste gedeelte van het oude verbondsvolk voor het evangelie aan een termijn gebonden en zijn verwijt aan mij is dat ik door een bepaalde, in zijn ogen onmogelijke vertaling die termijn welke Paulus krachtens Gods openbaring aan Israëls verharding stelt, wegwerk. Laten wij deze kritiek eens nader bekijken.
Taalkundig of theologisch verschil?
Her gaat over het laatste deel van Romeinen 11: 25 en wel over die woorden daarin die ik voor alle duidelijkheid schuin Iaat drukken: " ... een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan". Ik had dat in het slot-artikel van mijn reeks 'GEHEEL ISRAËL ZALIG' als volgt weergegeven: " ... totdat (of: voor zolang als) de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan (of: binnengaat)".
Het is nu over deze weergave dat dr H. valt. Hij acht de vertaling 'voor zolang als de volheid der heidenen binnengaat' grammatisch onmogelijk.
Hij wijst erop dat de in het grieks gebruikte konstruktie het toekomstige tijdstip vastlegt waarop een handeling za! zijn voltrokken, en niet de huidige periode gedurende welke een handeling verloopt. Het verschil is voor dr H. zonneklaar: in zijn weergave ("totdat ... ") verkrijgt hij een duidelijk punt in de tijd waarop iets dat aan de gang is afloopt en iets nieuws kan beginnen, terwijl in mijn (foutieve) vertaling ("voor zolang als ... ") er twee dingen tegelijk aan de gang zijn waarvan de afloop geen keerpunt hoeft te zijn naar iets nieuws. Aan deze kritiek voegt dr H. een menigte schriftplaatsen toe die zijn gelijk op dit punt moet bewijzen. Ik denk dar vele lezers die dr H.'s betoog gevolgd hebben, hem hierin zullen zijn bijgevallen.
Toch, hoe eigenwijs het ook moge schijnen - ik ben niet overtuigd. Om te beginnen, als ik vertaal: " ... een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen voor zolang als de volheid der heidenen binnengaat", - is het dan wel waar te maken dat ik de termijn van die verharding wegwerk? Ook in mijn visie is het toch zo dat Israëls gedeeltelijke verharding niet tot in het oneindige doorduurt? Ja, zal dr H. zeggen, maar bij jou valt dat einde van Israëls gedeeltelijke verharding samen met het einde der dagen, en dat betekent dat jij dat poot des tijds, dat keerpunt-onderweg voor Israël, kwijt bent. Goed. Maar dan vraag ik: ligt dat aan mijn vertaling, of komt dat vanwege een verschil van opvatting over het binnengaan van de volheid der heidenen: is dat aan een termijn gebonden of duurt dat proces de gehele geschiedenis door? M.i. het laatste. En wel volgens het bekende visioen van Jesaja 2: "En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan 'Zal de berg van het huis des HEREN vast staan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volken zullen derwaarts heenstromen en vele natiën zullen optrekken en zeggen: komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen". Immers, zal er, aan dit geweldige gebeuren, aan deze climax die geschiedenis voorbij, een nóg latere dag of een nóg nieuwere bedeling zijn? Als toch immers de zin van heel Israëls roeping en verkiezing hierin zijn vervulling vindt dat het aan het einde der dagen samen met de andere volken de berg des HEREN mag bestijgen (zie Genesis 12 : 1-3)? Het wil er bij mij niet in. Het zit dan ook tussen dr H. en mij ten diepste niet vast op een taalkundig, maar op een theologisch verschil: hoe leggen we het binnengaan der heidenen uit? Als een gebeuren dat binnen de geschiedenis een afloop kent of als een proces dat het geheel van 'het laatste der dagen'-
zijnde de geschiedenis van hemelvaart tot wederkomst - vult? De lezer zal begrepen hebben dat ik de laatste opvatting ben toegedaan. Gedurende héél de nieuwe bedeling gaat het evangelie wervend door de héle wereld, "en dan zal het einde zijn" (Mattheüs 24 : 14).
Het grammatikale argument
Maar waarom overwoog ik nu de vertaling: 'voor zolang als ...'? Omdat in mijn ogen Paulus hier bedoelt twee naast elkaar lopende processen te schetsen: enerzijds dat slechts een klein deel van Israël zijn bijdrage tot de gemeente levert en anderzijds dat de volheid der heidenen binnengaat.
Dit precies is het geheimenis dat hij ons hier plechtig meedeelt: " ... een verharding-ten-dele is het voor Israël geworden, terwijl intussen de volheid der heidenen binnengaat." En zo, op die manier, op deze samengestelde wijze, zal geheel Israël behouden worden.
Het gaat mij erom de blijvende gelijktijdigheid van het één zowel als van het ander te laten uitkomen, Dat immers is hier het nieuwe dat de apostel in het voorgaande gedeelte (Romeinen 11: 11-24) zorgvuldig heeft voorbereid.
Maar nog eens, kàn dat wel? De grammatika dan en de vele voorbeelden die dr H. heeft genoemd? Opnieuw trotseer ik de schijn van koppige eigenwijsheid met te zeggen dat ik niet overtuigd ben. De grammatikale regel die dr H. noemt kende ik ten naasten bij, maar het was me al eens eerder tot een vraag geworden of hij wel zo strikt opgaat. Moot je behalve op de grammatikale konstruktie daarnaast ook niet letten op de soort van (werk)woorden die gebruikt worden? Zijn dat (werk)woorden die punktueel of duratief zijn, dat wil zeggen: tijdstippelijk of tijdperkelijk?
In het eerste geval (en ook als een zin met ontkenning of verwachting voorafgaat) is men in de vertaling gebonden aan 'totdat', in het laatste geval is men vrijer. Laat ik eens aan een paar voorbeelden duidelijk maken wat ik met het laatste bedoel. In Mattheüs 5: 18 zegt onze Here: "Want voorwaar, Ik zeg u: totdat de hemel en de aarde voorbij gegaan zullen zijn, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, totdat alles zal zijn geschied", We hebben hier een konstruktie vóór ons die nagenoeg gelijk is aan die van Romeinen 11 : 25. Maar omdat 'voorbijgaan' een werkwoord is dat een zekere duur in beslag neemt (net als trouwens 'binnengaan' in Romeinen 11: 25), ben je m.i. niet sterk gebonden aan de vertaling "totdat ... " . Ik tenminste zou de Groot Nieuws Bijbel niet willen blameren die hier als volgt weergeeft: "Neem van mij aan: zolang hemel en aarde bestaan, zal niet één lettertje of streepje uit de wet geschrapt worden totdat alles voorbij is". Het is wel vrij vertaald, maar naar de zin niet onjuist.
Een ander voorbeeld, uit het gelijkenisje van de heer en zijn bediende, Lukas 17: 8: "Zal hij niet veeleer tol hem zeggen: Maak mijn maaltijd gereed, schort uw kleren op en bedien mij tot ik klaar ben met eten en drinken, en daarna kunt gij eten en drinken". Er staat letterlijk.: ,,totdat ik gegeten en gedronken zal hebben ... " Nu zijn 'eten' en 'drinken' handelingen die een zekere duur in beslag nemen. De bij ons gebruikelijke vertaling van het NBC voert het werkwoord 'klaar zijn' in, wat aan een tijdstip gebonden is. Daarom móet deze vertaling het woordje 'totdat' (of: 'tot') gebruiken. Het is hier echter opnieuw de Groot Nieuws Bijbel die tamelijk vrij en toch niet foutief overzet: "Je zegt tegen hem: Maak mijn eten klaar en doe je schort voor om mij tijdens de maaltijd te bedienen; daarna kun je ook gaan eten".
Deze vertaling is dus blijkbaar onder de indruk van de tijd die eten en drinken in beslag nemen en deze tijd verloopt tegelijk met die van het bedienen.
Het zijn twee naast elkaar lopenden processen.
Een derde voorbeeld is genomen uit het lijdensverhaal van onze Here, Mattheüs 26 : 36: " ... en Hij zegt tot zijn jongeren: zet u hier neder, totdat Ik daarheen gegaan zijnde zal hebben gebeden". Ook 'bidden' is een handeling die enige tijd in beslag neemt.
Daarop lettend zou je ook wel mogen vertalen: " ... gaat hier zitten, dan ga ik intussen daar bidden". Het 'zitten' en 'bidden' vinden in ieder geval gelijktijdig plaats. Het mag zijn dat de gebruikte konstruktie in het grieks "het toekomstige tijdstip vastlegt waarop een handeling zal zijn voltrokken, en niet de huidige periode gedurende welke een handeling verloopt" - zoals dr H. strak formuleert maar ik vermag het verschil niet zo duidelijk te zien.
Dat is ook het geval bij een voorbeeld dat enige malen in het Nieuwe Testament voorkomt, namelijk Matth. 22 : 44 (zie ook Markus 12: 36, Lukas 20: 43, Handelingen 2: 35,1 Korintiërs 15 : 25 en Hebreeën 1 : 13): "De HERE heeft gezegd tot mijn Here: zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gesteld heb tot een voetbank voor uw voeten". Het voorbeeld lijkt op het vorige en ook hier maakt het weer geen verschil of we vertalen: " ... zet u aan mijn reohterhand, dan zal Ik intussen uw vijanden stellen tot een voetbank voor uw voeten". Maar, eigenaardig, in Hebreeën 10: 13 hebben we geen keus: "Voorts afwachtende totdat zijn vijanden gesteld zijn tot een voetbank voor zijn voeten". En dat komt vanwege het werkwoord 'afwachten' waarbij duidelijk naar een punt des tijds wordt uitgezien. Dat maakt het gebruik van het woordje 'totdat' noodzakelijk.
De bijbeltaal beschikt trouwens over nog een leuk foefje (zal ik maar zeggen) om wanneer zij de aandacht vestigt op het toekomstige tijdstip, dit ondubbelzinnig tot uitdrukking te brengen. Zij last dan het woord 'dag' in. zoals we in Lukas 1 : 20 kunnen zien: "En zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot de dag toe, dat deze dingen geschieden", (in plaats van het niet helemaal eenduidige "totdat deze dingen geschied zuilen zijn").
Een dag is immers meer een tijdstip dan een tijdperk.
Interessant is het ook om te zien dat soms een werkwoord tweezinnig wordt aangevoeld: de ene keer als een handeling die tijd vergt, de andere maal als één die op een tijdstip plaats vindt. Het werkwoord 'komen' is daarvan een voorbeeld. Dat zou de reden kunnen zijn dat het zinnetje "totdat ik kom" (of: "totdat hij komt") in het grieks van het Nieuwe Testament wel op vier manieren wordt gekonstrueerd: "terwijl ik kom" (Lukas 19: 13), "tot Hij gekomen zal zijn" (1 Korintiërs 11 : 26), "zolang als ik komende ben" (1 Timotheüs 4 : 13) en "totdat Hij gekomen zal zijn" (Openbaring 2: 25). In het nederlands kunnen we echter in alle vier gevallen, zonder dat dit voor de betekenis verschil maakt, vertalen: "totdat ik (hij) kom(t)". De fijnheden van het grieks op dit punt ontgaan ons, is mijn indruk.
Om dezelfde reden zou ik geen verschil in vertaling tot uitdrukking willen brengen bij Mattheus 14: 22 en Markus 6 : 45. Dr H. die zoals bijna alle aangevoerde voorbeelden ook deze twee teksten noemt, kiest bij Markus voor de weergave: "in de tijd die Jezus nodig heeft om de schare kwijt te worden", terwijl Mattheüs volgens hem de aandacht rioht op het moment waarop Jezus de schare zal zijn kwijtgeraakt. Maar ik kan me goed vinden in de Groot Nieuws Bijbel die in beide gevallen heeft: "Intussen zou Hij de mensen naar huis sturen" .
Samenvatting
Kort samengevat: ik kan niet inzien dat ik taalkundig blunderde toen ik de passage in Romeinen 11 : 25 weergaf als: " ... totdat (of: voor zolang als) de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan (of: binnengaat). En nog eens: het belangrijkste verschil tussen dr H. en mij op dit punt is niet van taalkundige, maar van theologische aard.