De genade om te (ver)wachten (4)
1986-11-28
Fragmentarisch en moraliserend bijbelgebruik nodigt ertoe, de geschiedenis van Jozef en de vrouw van Potifar te lezen als het verhaal van de kuise vrijgezel die vlucht voor de flirt van de getrouwde vrouw. Genesis 39 is echter meer dan een mislukte pikanterie. Het is een verzoekingsgeschiedenis die de grenzen van de slaapkamer verre te buiten gaat. Niet het zevende gebod zozeer maar Gods leiding met Jozefs leven is in het geding. Het is de verzoeking van het vooruitgrijpen die op Jozef afkomt. Het is de verzoeking die straks in de woestijn afkomt op Jezus, van wie Jozef letterlijk voor-beeld, prototype is. - Jaargang 30
- nummer 46
Hij zond een man voor hen uit
Psalm 105 levert het samenvattende opschrift boven heel de Jozefsgeschiedenis: "Toen Hij hongersnood opriep over het land en alle staf des broods verbrak, zond Hij een 'man' voor hen uit; Jozef werd als slaaf verkocht ... ". Jozef is de kwartiermaker Gods, voorbestemd om zijn volk in het leven te behouden (Gen. 50: 20). Dwars door het gekonkel van de broers, de begeerte van Potifars vrouw en de vergeetachtigheid van de schenker heen is God met Jozef op weg naar de messiaanse positie van weldoener van vriend en vreemde. Jozef is "in" voor het koningschap. Het pronkgewaad van zijn vader Jakob - ornament van kroonprinsen - zet hem op een koninklijk voetstuk.
Zijn dromen over buigende schoven en neigende sterren spreken van Gods verkiezing. Ook al beroven zijn broers de koning-in-spé van ambtsgewaad en ideaal, ook al moet de toekomstige heerser in Egypte leren om dienaar te zijn, de HERE is met Jozef, zo staat er vier keer in het hoofdstuk.
In drie stappen (vs. 2, 3, 4) schuift Jozef op naar de top.
Farao's rechterhand is Potifar, overste van de lijfwacht, persoonlijk belast met de bewaking van Farao's veiligheid. Potifars rechterhand is Jozef "aan wie hij al het zijne overliet, en met hem naast zich bemoeide hij zich enkel met het brood dat hij at".
Farao - Potifar - Jozef: Jozef is bijna waar hij wezen moet. Uiterlijk is hij er al, schoon als hij is van gestalte en uiterlijk (vs. 6): hij draagt de trekken van de koning, als David met zijn mooie ogen, zijn schone voorkomen en gestalte; als Absalom aan wie van voetzool tot hoofdschedel geen gebrek is; als de koning van Ps. 45, schoner dan de mensenkinderen. Nog even ...
De kortste weg
... en dan verschijnt de verzoeker ten tonele, om te beproeven of deze het is die komen zal, of dat een ander verwacht moet worden. De verzoeking dient zich aan in het verleidelijke kleed van eros. Dag aan dag (geen incident!) wordt het Jozef opgedrongen de greep naar de macht te doen. Door te slapen met de vrouw van zijn meerdere en zo aanspraak te maken op de positie van de meerdere. Zoals Ruben gedaan had,' Jozefs eigen broer, die zijn vaders bed beklom niet uit hartstocht maar om zijn eerstgeboorterecht veilig te stellen, zijn recht dat hij door Jakobs voorliefde voor Jozef bedreigd zag. Zoals Absalom, die tot de bijvrouwen van zijn vader gaat "ten aanschouwen van geheel Israël", niet uit wellust maar om te zeggen: ziehier uw nieuwe koning. Zoals Adonia die aan Salomo laat vragen om Abisag, verzorgster van hun vader David - en nog dezelfde dag wordt deze rivaal terechtgesteld.
Dat is de verzoeking voor Jozef, en dat is de ernst ervan. Het wordt hem op een presenteerschaaltje aangeboden om door deze daad van paleisrevolutie in één stap te komen waar hij wezen moet: naast Farao. Vandaar dat hij, als hij opnieuw zijn kleed en zijn positie in vreemde hand achterlaat, terechtkomt niet in de cel van de zedenpolitie, maar in de gevangenis waar de gevangenen van de koning zitten (vs. 20), waar de schenker en de bakker belanden die "zondigden tegen hun heer, de koning" (40 : 1), in de staatsgevangenis, de plaats van de politieke misdadigers.
Daar zit Jozef, niet om zijn kuisheid, maar om zijn gehoorzaamheid jegens God (vs. 9), op wiens leiding hij liever wacht dan er een greep naar te doen.
Tegen de snelle oversteek van de revolutie kiest hij voor de lange en diepe weg van de gehoorzaamheid.
Juist daarin is Jozef, als hij voor het messiasschap verloren lijkt te gaan, voor-beeld van de Messias. En zijn gehoorzaamheid wordt gezegend. Straks krijgt hij zijn pronkgewaad, straks krijgt hij zijn vrouw, uit handen van Farao; straks zal deze zeggen: ik ben Farao, maar zonder u zal niemand in het gehele land Egypte zijn hand of zijn voet opheffen.
Spiegelschrift van het evangelie
Jozef staat model voor Jezus. Niemand is zo volledig silhouet van de Messias als Jozef in zijn vernedering en verhoging. In het neerdalen in de kuil, in het verloochend worden door de oudste, in het door Juda(s) verkocht zijn voor zilverlingen, het overgeleverd worden-in de handen van vreemden, het verblijf in het land van duisternis, in het verheven' worden, het zitten ter rechterhand, het eten met zijn broeders aan het feestmaal waaraan hij zich bekend maakt, in het zorgen voor vriend en vreemde. Jozefs geschiedenis is een en al spiegelschrift van het evangelie (Barnard). Ook in Genesis 39.
Heeft Jezus' zich aan zijn voorbeeld gesterkt toen Hij door dezelfde verzoeker verzocht werd vlak voor de aanvang van zijn messiaanse taak (Mt. 4)? Toen ook Hem op een presenteerschaaltje de kortste weg naar de troon werd aangeboden in de uitnodiging om het mannawonder te herhalen en zich op het tempeldak te laten zien (tekenen van de eindtijd) en de wereldheerschappij te aanvaarden buiten de zware weg van het kruis om? Het is dezelfde keus, dieper nog dan voor Jozef: tussen vooruitgrijpen of wachten, revolutie of geduld, vlees of geloof. Zo heeft ook Hij de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden en zo is Hij een oorzaak van ééuwig heil geworden.
Kunnen we nog wachten?
Dat is de vraag die ons deze maand bezighield. Revolutie lijkt zoet maar haar vrucht is bitter (vgl. Spr. 20 : 17). Wachten kan bitter zijn: voor Jozef betekende het slavernij en gevangenschap dertien jaren lang, maar de HERE was met hem en deed hem de gunst van mensen winnen. Hij bewaart niet voor, wel in de bitterheid en geeft genade om te (ver)wachten. De vrucht dáárvan zal tenslotte zoet zijn (vgl. Spr. 13 : 19). Van Genesis (3 : 15 vv.) tot Openbaring (6 : 10 v.) roepen de Schriften tot dit (ver)wachten op. Want: ,,goed is de HERE voor wie hem verwachten, voor de ziel die Hem zoekt: goed is het in stilheid te wachten op het heil des HEREN” (Klaagl. 3).