Het heil is uit de Joden (1)
1986-12-05
Het lijkt me goed eens een keer opzettelijk stil te staan bij een woord.- Jaargang 30
- nummer 47
van de Here Jezus, dat vandaag de dag nogal eens naar voren wordt gehaald.
Het is het woord dat Hij zei tot de Samaritaanse vrouw: "het heil is uit de Joden".
Er is in onze tijd een hernieuwde belangstelling voor de verhouding tussen het christendom en het jodendom en in dat verband zijn er christenen die hun mede-christenen aan dit woord van de Zaligmaker sterk herinneren en zeggen: denk erom, Christus Zelf heeft gezegd dat het heil uit de joden is.
Laten we beginnen met op te merken dat deze herinnering ons welkom is.
Dat dit inderdaad een opmerkelijk woord is van de Here Jezus, dat. we ter harte moeten nemen, juist als we na hernieuwde kennismaking weer schrikken van de kloof.
De Here Jezus. die Zelf zozeer in konflikt gekomen is met het jodendom van destijds, - dat nu juist Hij dit zegt!
Opmerkelijk is dan voorts dat het de vierde evangelist is die dit woord van Jezus een plaatsje in zijn evangelie gegeven heeft, Johannes. En die heeft van alle vier de evangelisten de scherpste dingen· over de Joden geschreven.
Hij is het die in het boek van deOpenbaring de joden-kerk de synagoge des satans noemt (Openbaring 2: 9) en uit zijn evangelie kennen we de uitspraak van Jezus in zijn twistgesprek met de Joden: "gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerte uws vaders doen" (Joh. 8: 44).
Het verrast dat juist deze Johannes het woord van Jezus tot de Samaritaanse heeft opgenomen: het heil is uit de Joden.
Je zou, als je die twee uitspraken: 'jullie Joden hebt de duivel tot vader' en 'het heil is uit de Joden' met elkaar vergelijkt, haast vragen of het heil misschien een kleinkind van de duivel is. Er zijn dan ook bijbelverklaarders die zeggen: beide uitspraken kunnen nooit uit die ede pen van de vierde evangelist gevloeid zijn. En op grond van die overweging schrappen ze een' van beide woorden en wel dat uit Johannes 4.
Maar dat is natuurlijk' geen Schriftverklaring meer. Dat is geen dienst aan het Woord, maar dat is een heersen over het Woord.
Bijeen echt geduldig luisteren sluiten die twee uitspraken elkaar namelijk helemaal niet uit, zoals we zullen zien. Ze zijn veel..
meer elkaars keerzijden.
-o-
Zeker, je kunt met de uitspraak dat het heil uit de Joden is, een kant opgaan dat je jezelf als lezer van de hele Schrift in onoplosbare problemen brengt.
Als je namelijk dit zeggen van Jezus zo verstaat dat volgens Hem het heil, ons heil, uit de hoge hoed van de Joden komt.
Dat wij het dus aan de Joden te danken hebben dat er heil is.
Dan is niet langer de Here Jezus onze Heiland, maar dan zijn de Joden dat geworden.
Dan zou de Here Jezus, Zelf de Heiland der wereld (zoals Hij juist in dat hoofdstuk 4 van het Johannes-evangelie genoemd wordt) bedoeld hebben te zeggen: voor heil moet je niet bij Mij, maar bij de Joden zijn.
Nu, dan zijn we al midden in de onoplosbare problemen. Dan kun je inderdaad daarna niet meer zeggen, zoals Jezus toch deed: jullie hebben de duivel tot vader.
Toch lijkt het soms wel alsof de Israël-fans onder de tegenwoordige christenen zoiets bedoelen als ze met dat woord van Jezus aankomen. Het heil is uit de Joden, dat wil zeggen: de bron van het heil ligt bij de Joden.
Dat kan zover gaan dat ze het hele konflikt tussen kerk en synagoge voor een christelijke vergissing houden. Die kloof van het begin af had er nooit mogen en ook nooit behoeven te zijn, zeggen ze, als wij christenen maar op tijd hadden beseft dat dit konflikt met de Joden ons afsnijdt van de heilsbron.
Het lijkt erop dat de beweringen in deze zin met de dag bouder worden.
-o-
Maar wat heeft de Here Jezus dan wèl bedoeld met dat aandachttrekkende woord over het heil dat uit de Joden is? Hoe kan dat van Hem een begrijpelijk woord zijn als Hij later zegt dat de Joden de duivel tot Vader hebben?
Ik denk dat- het nodig is ons de verschillende gespreks-situaties waarin deze beide woorden gesproken zijn, goed voor ogen te stellen.
Jezus zegt het ene woord in zijn gesprek met de Samaritaanse en het andere in zijn twistgesprek met de Joden in Jeruzalem.
Laten we op het gesprek met de Samaritaanse nu eerst ingaan Dat geweldige gesprek, waarin de Here Jezus Zich stapsgewijs aan deze vrouw openbaart als de Heiland der wereld.
Op een gegeven ogenblik, als de vrouw merkt dat Jezus een profeet is, stelt ze een vraag: "Here, ik zie dat Gij een profeet zijt. "Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt dat te Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden." (Johannes 4 : 19,20).
Deze vrouw heeft dus ook al, als beginnend gelovige, van buitenaf komende, moeite gehad met de gedeeldheid van de kerk.
Waar moet ik nu zijn? De een zegt: hier, en de ander: nee hier.
Dit is volstrekt herkenbaar. Wat antwoordt Jezus nu?
Hij zegt dat alles anders gaat worden. "Geloof Mij, vrouw"
(dat is hetzelfde als: 'voorwaar, voorwaar, Ik zeg u ... '), "de ure komt dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden ... De ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en die Hem aanbidden moeten aanbidden in geest en waarheid" (vss 21, 23, 24).
De Here Jezus doelt hiermee op het nieuwe van het Nieuwe Testament.
Te weten: dat wat met Hemzelf is aangebroken en straks nog meer zal aanbreken: de aanbidding in geest en waarheid, zonder binding aan een bepaalde aardse lokatie.
Alles wordt anders, is eigenlijk al anders geworden, met de komst van de Here Jezus. Er is een nieuwe bedeling op handen en reeds in werking.