Mijn getuige-deskundige rapport in de zaak van de Goeree's (1)

1986-12-05
  • Jaargang 30
  • nummer 47
Wij leven snel. Wat lijkt het al weer een tijd geleden dat de kranten vol stonden over het geruchtmakende optreden van het evangelistenechtpaar Goeree-Manschot en de juridische stappen die daartegen van verschillende zijde zijn ondernomen. We weten dat het strafproces tegen hen ter zitting van 25 september j.l. in Zwolle op een veroordeling-zonder-straf is uitgelopen.

Het kan bekend zijn dat ik in dat proces op de achtergrond ook een rol gespeeld heb. Ik ben aangezocht geworden door de advocaat van genoemd echtpaar als getuige-deskundige. Nu het proces voorbij is en de rust weer wat terug, wil ik openbaar maken wat ik destijds in mijn rapport geschreven heb.
Het is een stuk van een bescheiden omvang en het steekt wat lengte betreft sterk af tegen de lijvige stencils van de andere getuigen-deskundige, de heren dr H. Jansen en rabbijn A. Soetendorp van wier rapporten ik kennis heb kunnen nemen. Deze heren hebben kennelijk gemeend door de veelheid van hun woorden te zullen worden verhoord en bij de aardse rechter is hun dat ook gelukt.
Omdat ik het een kleine zaak vond (aangenomen even dat ze überhaupt onder de wereldse rechter thuishoort) heb ik de rechtbank willen dienen met een hanteerbaar rapport van strikt theologisch-zakelijke informatie.
De rechtspraak heeft 't immers vandaag de dag druk genoeg.
Door de negatieve uitspraak echter is de zaak groter geworden dan ze verdient en zullen we er naar te vrezen valt in de toekomst nog veel mee te maken krijgen. Dat is de hoofdreden waarom ik mijn argumenten tegen deze veroordeling publiceer.
Hier volgt het rapport, verspreid over drie nummers van ons blad.

-o-

L.S.,
De advocaat van de heer en mevrouw Goeree-Manschot, de heer mr. L. van Heijningen te 's-Gravenhage, heeft mij de vraag voorgelegd wat mijn oordeel is over de artikelen 'Wat moet ik?' en 'Iedereen weet ervan', gepubliceerd in het blad Evan in de achtereenvolgende nummers 10 en 12 van de 3e jaargang (1985) daarvan. Nader toegespitst luidde de vraag of ik van mening ben dat in genoemde artikelen uitlatingen voorkomen die beledigend zijn voor de' joden wegens hun ras, godsdienst of levensovertuiging.
Deze vraag is mij gesteld in mijn hoedanigheid van predikant bij één van de reformatorische kerken in Nederland (in casu: de Nederlands Gereformeerde Kerken), die zelf (regelmatig) in het weekblad Opbouw geschreven heeft over de verhouding tussen jodendom en christendom aan het begin van onze jaartelling en in het jaar 1985 ook een boekje daarover heeft gepubliceerd, getiteld 'Handelingen zeven'.
Ik ben geboren in 1932 en heb in Kampen (doctoraal examen theologie, 1966) en in Leiden (kandidaats-examen Semitische letteren, 1957) gestudeerd en ben door mijn kerken aangewezen als studiebegeleider van de aanstaande predikanten in de Nederlands Gereformeerde Kerken.

Nadenkend over de mij gestelde vraag zie ik mij genoodzaakt die in tweeën te scheiden, en wel ten eerste: heeft het evangelistenechtpaar Goeree zich diskriminerend of beledigend uitgelaten over het joodse ras, en ten tweede: kunnen joden zich in hun al of niet godsdienstige levensovertuiging aangetast gevoelen vanwege uitlatingen, in het genoemde blad Evan gedaan?

1.1 Wat de eerste vraag betreft, die is gemakkelijk en duidelijk te beantwoorden. Van anti-semitisme en racisme is geen sprake. Het beste bewijs daarvoor is dat de joodse afkomst van de Zaligmaker voor en na niet respekt genoemd wordt. In het artikel 'Iedereen weet ervan' zeggen de Goeree's, over het kerstgebeuren schrijvend: "Er is geen publiciteit. Slechts een enkeling is op de hoogte van de geboorte van dit joodse jongetje".
Zonder dat dit voor het verstaan van het verhaal nodig is wordt hier over het Jood-zijn van Jezus gesproken. Ik bedoel: het wordt niet node toegegeven omdat men onder dit feit niet uitkan, nee, zonder noodzaak van buiten wordt het Jood-zijn van Jezus vermeld.
Dit lijkt vanzelfsprekend, maar het is dit in het licht van de kerkgeschiedenis toch niet. In de kerkgeschiedenis valt er namelijk een tendens 'op te merken de afkomst van Jezus te verzwijgen.
Men deed dit onder een dogmatisch voorwendsel. Jezus Christus werd beleden Gods Zoon te zijn en deze belijdenis leverde bij veel christenen een verlegenheid op t.a.v. Jezus' waarachtig mens-zijn.
En als Jezus geen echt mens was, dan zeker geen echte joodse mens .: Men misbruikte dus wel eens de belijdenis van het God-zijn van Christus om zich van het lastig gevonden gegeven te ontdoen dat Jezus van joods en bloede was.
Maarten Luther schreef dáártegen zijn boek 'Dasz Jesus Christus ein geborener Jude ist'. Voor Maarten Luther was het niet: Jezus is Of God of mens, maar' hij stond in het klassieke belijden van de kerk dat Jezus Christus waarachtig God èn waarachtig mens is. Luther was dan ook in staat het mens-zijn van Jezus volstrekt serieus te nemen en zijn mede-christenen eraan te herinneren dat Jezus een joodse afkomst had. Dat was een zeer nodige herinnering omdat veel christenen dit feit bijna vergeten waren of het opzettelijk verdonkeremaanden.
Het echtpaar Goeree toont duidelijk deze korrektie van Luther ter harte te hebben genomen en spreekt van de geliefde Zaligmaker als van een joods jongetje en noemt Hem een en andermaal de Koning der Joden.

1.2 Zeker is het waar dat deze joodse Jezus in de gewraakte artikelen joodse tegenstanders blijkt te hebben, over wie door de Goeree's zeer kritisch geschreven wordt. Maar op geen enkele wijze wordt het Jood-zijn van die tegenstanders als verklarende oorzaak van hun vijandschap ten tonele gevoerd. Haast integendeel worden deze tegenstanders van hun Jood-zijn ontdaan en in christelijke windselen aan ons voorgesteld. Ten bewijze daarvan opnieuw een aanhaling uit de navertelling van de geboorte-geschiedenis van Jezus Christus in het artikel 'Iedereen weet ervan'. De bijbeltekst Mattheüs 2: 4: "En hij (Herodes) liet al de overpriesters en schriftgeleerden van het volk vergaderen ... " wordt als volgt weergegeven: "Koning Herodes roept alle theologen en dominees van Israël pijeen". Zowel de aanduiding 'theologen' als die van 'dominees' komt uit de christelijke wereld. Dat de Goeree's deze benamingen hier gebruiken is omdat zij in die joodse overpriesters en schriftgeleerden van wie de evangelist spreekt latere christelijke leiders herkennen ,die eenzelfde afwijzende houding tegenover Jezus Christus hebben aangenomen als eertijds hun joodse kollega's. Hetgeen bewijst dat de Goeree's voor de vijandschap die Jezus in zijn volk ontmoette niet een racistische maar een andere, een geestelijke verklaring hebben. Het joodse verzet tegen het evangelie van Jezus Christus is derhalve volgens de Goeree's niet typisch joods, maar veeleer algemeenmenselijk en wordt 't duidelijkst doorlicht met behulp van dit woord van de apostel Paulus: "de natuurlijke mens, begrijpt· niet de dingen die des Geestes ' Gods zijn" (1 Korinthiërs 2: 14).
'De natuurlijke mens', dat is de mens sui generis, onverschillig van welke afstamming hij is.

1.3 Hiermee hangt zeer nauw een ander punt samen. Het gehele spreken van de Goeree's over de Joden: hun ongeloof in Jezus en de straf die daaruit voortgevloeid is (huns inziens), heeft het karakter van een gelijkenis: zij willen er de westerse wereld van het christendom mee waarschuwen dat haar dezelfde straf om hetzelfde vergrijp boven het hoofd hangt. Zeer duidelijk blijkt dat in het dik gedrukte slot van het artikel 'Wat moet ik?': "Jezus roept u: kom tot Mij! En doet u niet als Jeruzalem, doet u niet als de Joden, dat u niet opmerkt de tijd dat God naar u omziet. Verwerp Hem die u roept niet. Kies voor Jezus Christus! Kies voor het leven!"
Het is duidelijk dat als de evangelisten Goeree een racistische verklaring zouden geven voor de joodse afwijzing van Jezus Christus, de Joden nooit die voorbeeld-
funktie voor de christenen zouden kunnen vervullen.
Zoals 'het trouwens evenzeer duidelijk is dat de Goeree's voor deze benadering van het joodse ongeloof in Jezus Christus het Nieuwe Testament op hun hand hebben. Ten bewijze daarvan twee plaatsen. Romeinen 11 :21: "Want indien God de natuurlijke takken (van de olijfboom Israël) niet gespaard heeft, zal Hij ook u (de niet-joden die later ingeënt zijn in die boom) niet sparen".
En Hebreeën 12: 25: "Want als genen niet ontkomen zijn toen zij Hem afwezen, die zijn godspraak op aarde (de wet van Mozes) deed horen, hoeveel teminder wij als wij ons afwenden van Hem die uit de hemelen spreekt (door het evangelie)".

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief