Het heil is uit de Joden (2)

1986-12-12
  • Jaargang 30
  • nummer 48
Toch levert onze Here met zijn woorden over de komende ure ook een forse kritiek op Jeruzalem. Want al was dan in de oude bedeling, de Godsverering vanwege de Here zelf aan die plaats gebonden geweest, Jeruzalem had wel kunnen zorgen voor meer geest en waarheid. Dan zou het voor Samaritanen en anderen minder moeilijk geweest zijn om naar Jeruzalem te komen. Daar waren ze toch van, ouds toe uitgenodigd (1 Kor. 8: 41-43, Jes. 56: 7). Jeruzalem was verworden tot een plaats van vlees en leugen, in plaats van geest en waarheid. Er heerste daar in de tempel een hooggevoelendheid, een trots, naar Samaritanen en anderen toe, die inderdaad vleselijkleugenachtig was en een karikatuur opriep van wat de Here God eigenlijk met de Godsverering bedoelde.

Dus in bepaald opzicht was voor de Here Jezus Jeruzalem waar de Joden aanbaden en de berg Gerizim waar de Samaritanen eredienst hielden, lood om oud ijzer.
Op beide plaatsen ging het er vleselijk en leugenachtig toe.
Vlees en leugen jn plaats van geest en waarheid, En de Here breekt dan ook de trots van Jeruzalem af als Hij zo gelijkschakelend zegt: "de ure, komt dat gij noch op deze berg noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden".
'Noch deze berg, noch Jeruzalem', dat is twee keer nee.
In dat opzicht scheert Jezus de twee plaatsen van Godsverering over één kam en wijst Hij ze gelijkelijk af.

Zoals wij ook 'moeten doen, als een buitenkerkelijke zoeker klaagt over de veelkerkigheid, en vraagt waar nu de ware kerk is.
Dan moeten wij ook zeggen: noch te Rome, noch te Genève, want het is in beide kampen niet pluis. Vleselijk en leugenachtig, in veel opzichten.
Wij zijn immers zo ver gekomen dat rooms en protestants nagenoeg lood om oud ijzer zijn en dat ook het protestantisme degeest en de waarheid heeft ingeruild voor het vlees-en de leugen. Pijnlijk genoeg.

-o-

Maar is' daarmee alles gezegd en, is hiermee aan het hele verleden, aan de achter ons liggende geschiedenis, werkelijk recht gedaan?
Jeruzalem, Samaria, Rome, Genève, - zijn nu alle katjes grauw?
Onze Here vindt dat dat ten aanzien van Israëls geschiedenis niet, het geval is.
Want deze geschiedenis is toch niet enkel door mensen geschreven.
Ja, die van Samaria en de berg Gerizim wel, maar die van Jeruzalem niet.
Want dwars door dat menselijke schrift van het ontaarde jodendom heen loopt een Goddelijke hand. En als je daarop let, dan, moet je kiezen, tussen Jeruzalem en Samaria.
Welnu, Jezus kiest.
"Gij (Samaritanen) aanbidt wat 'gij niet weet, wij (Joden) aanbidden wat wij weten, want het heil is uit de Joden". Dit is kiezen.

Merkt u dat de Here Jezus hier Zich met zijn volksgenoten tot één 'wij' maakt?
Dat is tegenover de Samaritanen.
Wanneer Hij - alleen met zijn volksgenoten is; dan breekt dat 'wij' stuk in een 'Ik' 'en 'gij' eh die twee staan dan gescheiden door een diepe kloof tegenover elkaar.
Dat is bijvoorbeeld het geval in Johannes 8, waar we dat andere woord van de Heiland tegen kwamen, dat Hij naar de Joden toe uitspreekt: "gij hebt de duivel tot vader ... " Hoort u: gij!
Geen sprake van dat Hij daar de 'wij'-vorm zou gebruiken. Hij staat. daar pal tegenover de Joden en zegt dan: Gij.

Maar hier in het gesprek met de Samaritaanse staat Hij tegenover een buitenkerkelijke (om zo te zeggen) en dan sluit Hij Zich met zijn volksgenoten samen: 'wij'.
"Wij aanbidden wat wij weten".
De Here kiest voor Jeruzalem.

-o-

De Here heeft het hier dan ook fover wat zijn volk van de Here God gekregen heeft.
Niet over wat het volk met dit gekregene gedaan heeft.
Hij eert hier het werk van God aan Jeruzalem en zegt net ais Paulus later: "Zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften" (Rom. 9: 4)..

Deze erkentenis ligt opgesloten in Jezus' woord: wij aanbidden wat wij weten.
Misschien verbeeld ik het mij, maar ik vind de zin "Wij aanbidden wat wij weten" eerbiediger dan: "Wij weten wat wij aanbidden", al ligt die laatste zin wel wat gemakkelijker in het gehoor.
'Wij aanbidden wat wij weten', daarin hoor ik meer erkentelijkheid naar Degene -toe die ons dóet weten, Die het ons geopenbaard heeft, de Heer van hierboven.

Ook trouwens de andere zin, naar de Samaritaanse toe, klinkt zoals zij hier staat: "Gij aanbidt wat gij niet weet", mij sympathieker in de oren dan wanneer er gezegd zou zijn: "Gij weet niet wat gij aanbidt". Dat laatste, daar kan je mijns inziens gemakkelijker iets verachtelijks in leggen; iets waardoor mensen zich beledigd kunnen voelen: jullie stommelingen, jullie weet niet eens wat je aanbidt,' terwijl de zin: jullie aanbidt wat je niet weet, een beetje verschonend klinkt. Jullie dwaalt te goeder trouw.
Maar, zoals gezegd, misschien is dat verbeelding van mij. Het is in ieder geval opvallend gezegd voor ons taal-gevoel, dat wel.

Hoe dat ook zij, Jezus kiest.
Dat oude konflikt tussen Joden en Samaritanen, waarvan wij in het Oude Testament lezen, daar lacht de Heiland niet om, daarvan zegt Hij niet: wat bespottelijk!
of; vroeger meende men zich de luxe te kunnen veroorloven om kerken te splitsen maar wij zijn gelukkig wijzer geworden.
Nee, Hij laat Ezra en Nehemia niet in de kou staan.
Hij zegt: zij streden voor een goede zaak en het was terecht dat zij jullie Samaritanen afwezen.
Het kon niet wat die wilden: samen met de Joden de tempel in Jeruzalem bouwen, - want ze waren te zeer besmet met de afgoderij.
Ja zeker, dat oude konflikt heeft in Jezus' ogen iets achterhaalds, want, niet waar: "de ure komt en is nu" ... maar daar kun je toch niet alles mee af doen. 'Er zit ook een zijde aan het vroegere konflikt, zegt Jezus, die niet achterhaald is.
Het was - onder de schaduwentoch een strijd om geest en waarheid, ook toen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief