Pastorale Notities

1986-12-12
  • Jaargang 30
  • nummer 48
Roeping
Eén van de meest zinvolle motieven om te spreken over onze roeping tot het ambt ligt in ons falen. Stel, een dominee schiet een bok en maakt zichzelf uit voor ezel, rund, kalf, uilskuiken, eendvogel, of welke aanduiding maar duidelijk maakt dat wij Gods schepselen niet al te hoog hebben. Omdat hij toch verder moet bepaalt hij zich daarna bij zijn roeping: die gedenkwaardige zondag waarin hij bevestigd werd in zijn ambt.
En hij denkt: De Here wist wel dat ik zo'n uil was, toen Hij me koos. Dus op weg maar weer, in geloof, hoop en liefde. Behalve de zondag van de bevestiging heeft elke predikant nog zijn eigen verhaal. Ds J. H. Velema vertelde kortgeleden in Koers dat hij als kleine jongen al wist dat hij predikant wilde worden.
Een collega (het was in de jaren zestig) deelde mee, dat hij van kindsbeen af geroepen was. Zijn moeder had namelijk, als Hanna, gebeden om "een knechtje" om het de Here af te staan. Het is heerlijk als God al zo vroeg zoveel zekerheid geeft. Dat spaart heel wat zoeken en tasten.
Mijn verhaal is heel wat prozaïscher. Ik ben naar de kansel geleid door een gans. Dat gebeurde in de bloedhete zomer van het jaar 1947 toen ik staatsexamen gymnasium deed in Amersfoort. Mijn verloofde en ik hadden afgesproken dat, als ik het in 2 jaar haalde, het Kampen zou worden. Deed ik er 3 jaar over of langer dan zou ik blijven bij het onderwijs. Het werd een herexamen voor Latijn: Livius en Seneca. In het stuk van Livius kwam een woord voor dat ik niet kende en dus open liet. Het moest een dierennaam zijn. Ik wist dat sommige Nederlandse namen van het Latijn waren afgeleid. Dus even puzzelen: de laatste 2 letters er af en de letter g ervoor; dat leverde gans op. En dat paste uitstekend. Hoewel ik niet bijgelovig ben dacht ik er aan, dat we gedurende die dagen gelogeerd waren in de Gansstraat in Utrecht, bij de onvergetelijke familie Achterberg. Men noemde die buurt ook wel "het luie end", omdat daar het ziekenhuis was en de gevangenis en de begraafplaats.
waarvan de heer Achterberg directeur was. Goed, het werd dus gans. Daarmee bleek ik precies genoeg punten verzameld te hebben om te slagen. Zonder gans zou het een 7,5 geweest zijn. In dat geval had ik Seneca nog moeten doen.
Toen ik me daar een kwartier op voorbereid had wist ik zeker daarop te zakken. Maar dr Spoelder (de grote man van de Homerusuitgave) fluisterd me toe: U mag Seneca wel doen, maar het hoeft niet meer: U had een 8! Natuurlijk maakte ik toen als een haas dat ik in de Gansstraat kwam. Maar zo is het geschied: een gans heeft mijn weg naar het ambt bepaald.
Maakt de Here God dan ook gebruik van ganzen?
Ja ook van ganzen.
En ook van Ezels, runderen, kalveren, uilskuikens, eendvogels, enzovoort, enzovoort.
Hij zij geprezen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief