SAMEN ?!
1986-12-19
In Opbouw van 31-10 staat het laatste deel van een door Ds H. de Jong gehouden causerie over de identiteit van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Ter afsluiting worden enkele vragen en antwoorden overgenomen uit de discussie die op de lezing volgde. - Jaargang 30
- nummer 49
Eén van de daargestelde vragen, evenals een deel van de causerie zelf, betrof de samenwerking tussen CGK en NGK, een volgende vraag ging over die samenwerking maar dan zoals die in Nieuwegein plaats vindt. "U riet toch in Nieuwegein dat het kan?" luidde ongeveer de vraag. Het antwoord van Ds De Jong vloeide logisch voort uit zijn betoog, en ik zal het hieronder nog overnemen.
Maar echt gelukkig ben ik er niet mee, met dat antwoord.
Vandaar deze reactie, waarin ik graag een heel ander antwoord wil geven op diezelfde vraag: U ziet toch in Nieuwegein dat het kan, die samenwerking?
Afwachten!
Ik begin, wat ingekort, het antwoord van Ds De Jong over te nemen: "Afwachten! Dat is bijna cynisch, (... ). Maar het is toch ook gemakkelijker samen te sterven dan samen te leven ... ?
Ja, dat is serieus, dat is toch ook in het concentratiekamp zo geweest, dat je samen de dood onder ogen moest zien en dat toen wat verbond ook inderdaad verbond.
Maar daarna kwam het leven weer met zijn grote diversiteit van welk antwoord moet op dit probleem gegeven worden en welk antwoord op dat? En dan is het ergens reëel dat je dan weer minder één bent. (... ) Maar in grenssituaties van het ziekenhuis en concentratiekamp, grenssituaties van het leven, is het dan zo vreemd dat je daar tot meer eenheid komt dan in het open veld? Het pad is daar toch veel smaller, zodat je eerder naast elkaar loopt?"
Wanneer ik deze, jammer genoeg wat beladen, woorden in het licht zet van de 3 artikelen dan denk ik dat Dil De Jong wil zeggeil: De situatie zoals die is in Nieuwegein is niet normatief voor de samenwerking tussen CGK en NGK. In plaats van naar samenwerking te streven, wat maar weer tot nieuwe scheuring zou leiden, moet je met realiteitszin kijken en vaststellen dat kerken niet zomaar weer bij elkaar komen en dat we er voorlopig goed aan doen te streven naar goede verhoudingen, om zo als goede vrienden bij elkaar in de buurt te blijven. Maar in (bijvoorbeeld) Nieuwegein zijn er bijzondere omstandigheden waar- men extra op elkaar is aangewezen.
Daar lijkt het daarom te kunnen. Maar als straks alle diversiteit van het leven weer opkomt, de verschillen boven komen?
Afwachten!
Bij dit antwoord wil ik 4- kanttekeningen plaatsen die samen.
moeten duidelijk maken waarom ik niet gelukkig ben met wat Ds De Jong zegt en waarbij ik vooral naar de situatie in Nieuwegein blijf kijken.
A. Inderdaad, de situatie· in Nieuwegein is een bijzondere.
Om wat te noemen:
1. Voor een groot deel bestaat de gemeente uit jonge gezinnen met niet al te ver uiteenlopende ideeën ' over gewoonten en gebruiken (bijv. liturgie).
2. Er waren in Nieuwegein nog geen gevestigde CGK en NGK met al ingenomen posities.
3. De afstand tot Utrecht werd met het opgroeien van de kinderen meer gevoeld.
4. Getalsmatig waren zowel CGK als NGK te klein om in Nieuwegein zelfstandig te kunnen bestaan.
5. Beide kerken hadden nagenoeg evenveel leden in Nieuwegein.
En in zo'n situatie kunnen dingen ontstaan die in andere plaatsen veel moeilijker zouden zijn. Ds De Jong kijkt daarom naar Nieuwegein als uitzondering. Ik doe dat ook wel, maar wil toch vooral naar samenwerkingsgemeenten kijken als uitzonderlijk begin.
B. Ds De Jong bepleit een lakonieke houding tegenover samenwerking: Kerken komen niet zomaar weer bij elkaar.
Streef daarom liever naar vriendelijkheid en goede relaties met de CGK dan' aan te sturen op samenwerking met alle risico's van een nieuwe breuk.
Maar, zegt hij in antwoord op een vraag, ik gun u uw hoop.
Nu heb ik niets tegen 'gereformeerde nuchterheid', in tegendeel. Maar ik haak af wanneer die nuchterheid en realiteitszin lijken af te rekenen met de hoop op verdere kerkelijke eenheid en het proberen die te bereiken.
Juist in de gemeente moeten realisme en hoop hand in hand gaan. Als ik de gebrokenheid van de kerk zie, kan ik die accepteren als een gevolg van onze zonde en kan ik met realiteitszin vaststellen dat de weg naar eenheid niet eenvoudig en vol risico's is. Maar ik kan het toch niet accepteren als iets wat erbij hoort, waarin ik moet berusten?
Daarmee zeg ik eigenlijk meteen dat ik het zinvol vindt om als NGK na te denken over de eigen identiteit, maar dat ik daarin veel meer dan in de causerie gebeurt, in dat eigene op zoek zou gaan naar wat ons met anderen verbindt. Dat 'eigen-aardige' is, wanneer het gebruikt wordt als peiler onder. een brug naar anderen toe zoveel nuttiger als wanneer er als een schutting iets eigens mee wordt afgepaald.
C. In het antwoord en in de toelichting daarop klinkt dus iets negatiefs, 'bijna cynisch' noemt Ds De Jong dat zelf.
Iets van afstand en sombere verwachting: afwachten! In dat sceptische, afwachtende en onwennige tegenover een samenwerkingsgemeente als Nieuwegein,' staat Ds De Jong niet alleen. Van beide kanten proef ik die houding veel vaker, Je weet niet precies wat je eraan hebt, aan zo'n samenwerkingsgemeente. Waar staan ze nou precies en is er in het licht van de landelijk wat stagnerende toenadering wel toekomst voor zo'n gemeente?
Deze afstand die ik proef,ondanks overigens de steun die-we in de afgelopen maanden van C- en NGK-zijde mochten ontvangen in en voor ons beroepingswerk, waarvoor we bijzonder dankbaar zijn, dat wil ik graag met zeer veel nadruk zeggen -, deze afstand verwordt zo gemakkelijk tot een zekere isolering en ik zou het jammer vinden als dat zou gebeuren.
D. Tenslotte denk ik dat wordt onderschat wat het in de praktijk wil zeggen, wat er gebeurt, wanneer twee plaatselijke gemeenten zo helemaal samen op pad gaan als inNieuwegein gebeurt. Daarop vooral wil ik' ingaan in mijn antwoord op de vraag uit het begin.. "
Groei en vergroeiing
"Kan het, die samenwerking in Nieuwegein?" Als antwoord wil ik wijzen op drie aspekten van de samenwerking in Nieuwegein: de groei, de vergroeiïng en het naar buiten gekeerde.
1. Zonder de vele zwakten en " fouten te willen bagatelliseren, kan ik toch zeggen dat het goed gaat in Nieuwegein.
Er is sprake van groei in gemeente-zijn, waarin met alle , vallen en opstaan, blunders, gaven en eigenwijzigheden van een jonge gemeente, jeugdwerk wordt opgezet, bijbelkringen draaien; marktevangelisatie voor kinderen ~is gestart en allerlei andere gemeente-activiteiten op gang komen.
Er is ook groei in getal. Waar de afgelopen drie jaar de burgerlijke gemeente niet meer groeide, nam het aantal gemeenteleden toe van 170 (okt. 1983) tot .307 op dit moment (waaronder 150 kinderen).
Veel mensen zijn opnieuw aktief geworden in de gemeente, waar ze eerst wat aan de kant stonden.
Kortom: Er is groei. En hoeveel problemen er in de toekomst wellicht uit samenwerking voortkomen, en waarvoor je de ogen niet mag sluiten, voorlopig kijken we in dankbaarheid naar een gezegend samen op pad gaan.
2. In de praktijk van alle-dag is de gemeente één; Kerkgrenzen vallen weg en zijn voor velen nog maar, nauwelijks te achterhalen. Zo één' zijn, wil ook iets heel gewoons zeggen: er ontstaan allerlei vriendschappen, trissen ouders en zeker ook tussen kinderen (- u hoeft alleen maar de 'ruilbeurs' te zien die zondags na de dienst, ontstaat, waarna maar enkelen met (alleen) de eigen kinderen naar. huis gaan, om dat te beamen -), er ontstaan werkkontakten en ontmoetingen in de buurt. En voor je ' het weet ontstaat een hechtheid van banden en bandjes tussen mensen. En opeens zie je dat bij zaken waarover in de gemeente verschillend wordt gedacht de 'scheidslijn' niet (meer) samenvalt met de 'kerkelijke-afkomst'.
Dan blijkt ook in het beroepingswerk (hoe verdelend is dat vaak niet) de vraag CGK/ NGK? geen enkele rol te spelen: we zoeken een predikant, (C/NGK) die bij ons past. We zijn daarom als gemeente ook blij dat we deze week mochten horen dat Ds Moerdijk uit Roozenburg het beroep naar onze gemeente heeft aangenomen).
En dan zeg je: naar buiten toe gebruiken we het woord nog maar, maar eigenlijk is er· geen sprake meer van samenwerking:' er bestaat geen samenwerking tussen, één.
Van groei komt vergroeiïng.
Vergroeiïng en geen versmelting, want ieder heeft iets eigens ingebracht, waarmee we elkaar' verrijken. 'Die ruimte is er.
Mij troffen de woorden van Ds De Jong in zijn antwoord over de TSB en ik neem .ze graag v:oor Nieuwegein over: we hebben zo weinig status dat we onder alle radar doorvliegen en daardoor echt lekker werken. En" dan zie je eigenlijk geen verschil 'van die komt daar vandaag en die komt daarvandaan, we zijn met de zaak bezig.
3. Met de zaak bezig-zijn betekent werken, binnen de gemeente en naar buiten toe.
Dat laatste is in een slaapstad als Nieuwegein, met al de eenzaamheid, maatschappelijke ellende en geestelijke armoede, een duidelijke taak.
Je treed dan als C/NGK naar buiten, samen, een teken van .. eenheid in een stad waar velen de kerk zien als een repeterende breuk. Als je daarin in eenheid naar buiten treed schept dat ook verplichtingen, dat doe' je niet zomaar vrijblijvend. Niet alleen om de gemeente zelf, maar ook omdat je een Naam hebt hoog te houden. Je verplicht je voor zover het van jou afhangt die eenheid te bewaren voor het heil van de gemeente en om niet Gods Naam in de wereld te grabbel te gooien. Eenheid aangaan is ook ervoor willen knokken om die te behouden. En daarom ben ik voor de plaatselijke eenheid in' Nieuwegein niet benauwd.
Daarmee heb ik denk ik een ander antwoord gegeven op de vraag: Kan het?
Ja, plaatselijk kan het! Je moet ,in" alle nuchterheid onder ogen zien dat het niet altijd zo eenvoudig zal blijven als het lijkt wanneer het elan van een nieuwe start nog, volop aanwezig is.
Maar iedereen ziet dat het kan en het vechten waard is.
Het kan, misschien voorlopig alleen maar in die bijzondere situaties, waar samengaan zo, ver gaat .dat het wordt tot vergroeiing: samen zondags onder het Woord en aan het Avondmaal, samen werken binnen de gemeente en naar buiten toe.
In zo'n situatie wordt samenwerking in alle nuchterheid bekeken toch nog tot een teken van hoop, niet in de laatste plaats voor onszelf ,in Nieuwegein, in tijden waarin de toenadering landelijk soms lijkt te stagneren.
Laten we het daarom niet laten - bij 'afwachten', 'maar naar elkaar 'op zoek gaan', ook al kan dat noodgedwongen soms, en misschien gedurende langere tijd, niet verder gaan als in vriendschap -naast elkaar op lopen.
Met hier en daar het bewijs dat het kan, die samenwerking.