De naaste

1984-05-04
  • Jaargang 28
  • nummer 18
Een ons allen wel bekende spreuk is: ieder is zichzelf het naast. En: het hemd is nader dan de rok. Die gezegden hebben wel een greintje waarheid maar het is niet best als ze dienen om zich de naaste van het lijf te houden. En onze menselijke natuur is wel geneigd om dat te doen. Onder het O.T. was de naaste de volksgenoot. In de tweede plaats de vreemde die in het midden van het oude volk leefde. Daartoe beperkte zich het woord. De Farizeeën gaven er een nog nauwere betekenis aan. Alleen de leden van hun club waren hun naasten. Ze noemden zich kameraden. Maar van de schare-die-de-wet-niet-kende behoorde er niemand toe. Zeker geen tollenaar of Samaritaan. Dat is ook nu nog geen ongewoon verschijnsel.
Of iemand de naaste is hangt in veel gevallen af van de vraag of hij (zij) wel tot onze kerk of club of partij behoort. 'k Ben dat in m'n leven nogal eens tegen gekomen. Laten we nu eens nagaan wat de betekenis van naaste in het N.T. is. Vooral duidelijk blijkt dat uit de bekende gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. (Lukas 10).

Een wetgeleerde kwam bij de Here Jezus, als medeleraar, met de vraag wat hij moest doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven. We hoeven daar m.i. geen kwade bedoeling achter te zoeken. De Heiland stelt een weervraag: wat staat er in de wet?
Wat leest u daar?
Dát blijkt de vrager heel goed te weten: Dat stond immers reeds in het O.T. Het ons allen zeer goed bekende: God liefhebben met al wat in ons is en de naaste als onszelf.
Het antwoord van de Heiland is: Zo is het. Doe het maar en ge zult leven.
Jezus zegt dus eigenlijk: U vraagt naar de bekende weg. Dat staat er toch klaar genoeg? Dat kan de wetgeleerde vanzelf niet ontkennen.
Maar hij wil zich zelf rechtvaardigen, d.w.z. aantonen, dat z'n vraag toch niet is zonder reden. Voor hem is het nog een kwestie, wie dan wel de naaste is. Naar veler mening alleen de clubgenoot. Is de nieuwe rabbi het daarmee eens?
En dan volgt de boven genoemde gelijkenis.
Een verhaal uit het gewone, dagelijkse leven gegrepen. Waarvan het doel is duidelijk te maken hoe 't toegaat of moet toegaan in het Koninkrijk der hemelen. Zó duidelijk, dat niemand die leest wat er staat, onzeker hoeft te zijn wie onze naaste is. Voor de wetgeleerde stond het in theorie wel vast wat hij moest doen. Hij kende het gebod. Maar praktisch onttrok hij zich aan de klem daarvan.
Eerst moest hem maar duidelijk gemaakt worden, wie z'n naaste was. Of liever nog: van wie hij de naaste was. Aan wie hij z'n liefde moest bewijzen.

Het verhaal hoeft weinig toelichting.
De weg van Jeruzalem was eenzaam en berucht om de gevaren van rovers. Die zich gemakkelijk konden verschuilen tussen de heuvels van de woestenij. Dat ondervond een eenzame reiziger die werd beroofd, half dood geslagen en zo achtergelaten op de weg. Maar er scheen spoedig hulp te komen, want een priester ging dezelfde weg naar Jericho. Waar veel priesters en levieten woonden. Maar mis, toen hij de man zag liggen, ging hij er met een boogje omheen. Maar de leviet dan, die volgde? Van hetzelfde laken een pak.
Men zou van hen anders verwachten. Zij kwamen toch van het heiligdom? Zij kenden de aanwijzing van de Schrift toch? Het stond toch al geschreven: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf? (Lev. 19 : 18). Als zij, die priester of leviet daar nu eens zo hadden gelegen, wat zouden zij dan gewild hebben, dat een voorbijganger deed? Dat schijnt bij deze tempeldienaars niet opgekomen te zijn.

Maar gelukkig passeert er nog een reiziger. Helaas, het is een Samaritaan. Geen vriend van de Joden. En omgekeerd. Van zo'n halve heiden is toch geen liefdedaad te verwachten? Maar wat niemand zou verwachten gebeurt soms: Toen hij de man zag liggen ging het hem aan z'n hart. En hij deed wat hij kon. Trad op hem toe en allereerst zuiverde hij diens wonden. Olie was een pijnstillend middel en wijn ontsmettend. Iemand die veel reisde had ze bij zich. Vervolgens zette hij het slachtoffer op z'n rijdier en vervoerde hem naar een herberg en bleef hem die dag verzorgen. De volgende dag betaalde hij de herbergier twee geldstukken. Genoeg voor enige dagen verzorging, En strekte z'n zorg nog verder uitl Mocht het verblijf van de gewonde nog wat langer duren, dan hoefde de herbergier zich geen zorgen maken over de kosten. De Samaritaan zou die betalen als hij weer langs kwam.
Jezus eindigt met de woorden: Wie van deze drie: priester, leviet en Samaritaan, heeft zich de naaste getoond van de man, die in rovershanden viel? Let er wel op, dat de Heiland niet zegt: Wie van de drie heeft de gewonde man als zijn naaste behandeld, maar: Wie van de drie heeft zich als de naaste betoond van het slachtoffer.

Het antwoord van de wetgeleerde kon wel niet anders luiden dan: Dat was hij, die zich het lot van de beroofde aantrok. Dus niet de priester, noch de leviet, van wie men een liefdedaad zou verwachten; maar de Samaritaan van wie geen Israëliet het zou verwachten. Een verklaarder van deze gelijkenis schreef eens de wat geheimzinnige woorden: "Die het zijn, die zijn het niet, maar die het niet zijn, die zijn het." Soms (of vaak?) is dat zo.
Het afscheidswoord van de Heiland tot de schriftgeleerde luidt, kort maar krachtig: Ga heen en doe als de Samaritaan!
Het is te hopen, dat de vrager z'n lesje heeft geleerd. Niet theoretiseren, wie de naaste is; maar praktisch zich de naaste betonen van ieder, die ons tegenkomt op onze levensweg en die onze hulp behoeft. Die hulpbehoevend is, in welke vorm ook.

Hebben wij, die de naam van christenen dragen, ook ons lesje geleerd?
Het komt nog wel voor, dat we dat woord "naaste" beperken, zoals de Farizeeën en Schriftgeleerden dat deden. Dat ondervond ik wel in de hongerwinter van 1944/45. Voormannen van de een of andere kerk sloten beurs en huis en voorraadkast voor ellendigen, die wat brood en onderdak zochten op hun hongertochten. Terwijl "Samaritanen" met hen begaan waren en handelden naar het gebod van Jezus. Zeker was dat geen regel. Wonderen van barmhartigheid kwamen ook en veel voor bij christenen. Gelukkig. Maar het andere wat ik noemde gebeurde helaas ook.
Deze gelijkenis is zo klaar, dat een kind-in-het-verstand het kan verstaan.Doen zoals de Samaritaan deed. Geen mooie theorie opzetten, maar christenen van de daad zijn. Niet maar zeggen: "Here, Here" en ondertussen werker van ongerechtigheid zijn. Maar de wil van Jezus en de hemelse Vader doen. Onmogelijk?
Als we onze oude, zondige natuur volgen, stellig. Maar door Gods genade zeker niet. Eigenlijk eenvoudig genoeg. Als we doen wat de Here Jezus zei (Matth. 7 : 10): "Alles nu, wat gij wilt dat u de mensen doen, doel gij hen ook zo. Want dat is de wet en de profeten."
Draai de rollen maar even om: Ais ik in die omstandigheden van hem of haar was, wat zou ik dan willen wat men voor mij deed. Dat moet ik dus voor hen doen. Hebben gij of ik zo nooit gedaan? Begin er dan vandaag mee. Nooit te oud of te jong om te leren. En al doende leert men ook dit.

Indertijd sprak en schreef men van "algemene mensenmin" . Alle mensen zijn me even na. Een mooie theorie, geschikt om de werkelijke naaste voorbij te gaan. Natuurlijk moeten we voor de derde wereld, ver van ons bed, doen wat we kunnen.
Sommigen worden geroepen om naar een volk te gaan om daar in een of andere functie mee te werken aan de ontwikkeling van dat arme land. Maar de meesten van ons kunnen niet meer doen dan een giro-cheque invullen. Maar laten we vooral niet na om hulpbehoevenden in eigen omgeving bij te staan. Naar de gaven, die we van God ontvingen. Ieder kan iets. 'k Heb het wel beleefd, dat in een bepaald geval van nood, christenen overwogen wat er gedaan kon en moest worden. Terwijl een buurvrouw die "nergens aan deed" al daadwerkelijke hulp bood. Zij handelde als de Samaritaan.
Onze naaste is niet alleen het kerklid of de partijlid, maar ieder mens kan het zijn of worden. God heeft de mensenwereld liefgehad en Gods genade is verschenen, heilbrengend voor álle mensen. En Jezus Christus heeft niet gevraagd of een hulpbehoevende een tollenaar was of hoer of wat dan ook. Maar Hij hielp. We mogen en kunnen door Zijn genade navolgers van Hem zijn. Tenzij we dat niet willen. Aan Zijn genade zal het niet liggen.

Tenslotte nog een waarschuwing: Laat u niet verleiden door diepzinnige verklaringen om aan de klem van deze gelijkenis te ontkomen. Zoals in de loop der eeuwen gebeurd is en nog gebeurt. Kerkvaders als Augustinus en Ambrosius zijn er in voorgegaan.
De Barmhartige Samaritaan was Christus! Dat is vanzelf waar, maar hier is de Samaritaan een Samaritaan.
De herbergier was volgens hen de Kerk. Of Paulus. De halfdode man was een beeld van de mens, die niet helemaal dood was (hij kon nog wel wat goeds doen). De rovers waren duivels. Ik zal u niet vermoeien met verdere diepzinnigheden.
Als iemand denkt, dat zoiets in onze tijd niet meer voorkomt dan hebt u het mis. De diepzinnige Karl Barth heeft iets dergelijks gedaan. Laat ze praten, die hoogvliegers of diepgravers.
Lees maar wat er staat en doe wat Christus beveelt. Vraag niet wat anderen doen. Maar doe wat ge in de dag der dagen voor God en Christus kunt verantwoorden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief