Boekbespreking

1984-05-04
  • Jaargang 28
  • nummer 18
L. van Klinken, Wij rentmeesters
Buijten en Schipperheijn
Amsterdam 1983.

In dit boek gaat de schrijver in op de vraag welke taak de overheid naar reformatorische opvattingen heeft ten aanzien van het economische leven. Na een inleidend hoofdstuk geeft hij een weergave en beoordeling van opvattingen, die gangbaar zijn in humanistische en christen-democratische kring.
Hij behandelt eerst de opvattingen van de hervormde ethicus Roscam Abbing, die zichzelf in het door de schrijver besproken boek een humanist noemt. Daarna gaat hij in op enkele publikaties van de socialisten Tinbergen en Van der Zwan en van de liberalen Kraal, Friedman en Hayek, waarin het vraagstuk van de economische orde en de taak van de overheid ten aanzien van het economische leven aan de orde wordt gesteld; voor wat de eerste vier schrijvers betreft met name onder het aspect van een rechtvaardige inkomensverdeling.
De schrijver geeft een heldere en bondige bespreking van een beperkt aantal goed gekozen geschriften. Daarbij bestrijdt hij zowel het humanistische gelijkheidsideaal bij de eerste drie, als het humanistische vrijheidsideaal van de overige schrijvers. Van beide distantieert hij zich overeenkomstig de tekst die hij zijn boek heeft meegegeven: Galaten 5 : 13-15.
Na op duidelijke wijze de lezer een indruk te hebben gegeven van in de huidige discussie belangrijke gedachtengoed in liberale en socialistische kling en zijn positie ten aanzien daarvan te hebben bepaald, gaat de schrijver uitvoerig in op de opvattingen in het CDA-rapport Gespreide verantwoordelijkheid.
Dit hoofdstuk wordt gevolgd door een bespreking van de opvattingen van Goudzwaard, die de gedachtenvorming in het CDA belangrijk heeft beïnvloed, met name totdat hij deze partij verliet.
De heldere uiteenzetting van het CDA-rapport wordt gevolgd door een kritiek die zich concentreert rond de inhoud en het gebruik van begrippen als rentmeesterschap en/of cultuuropdracht en solidariteit. De schrijver betoogt dat de cultuuropdracht en/of rentmeesterschap uitgegaan is tot de mens(en) en niet tot de overheid.
Dit verklaart de titel van het boek.
Dit is ook het geval met het gebod God lief te hebben boven alles en het gebod van de naastenliefde (dat in het CDA-rapport in verband wordt gebracht met de misleidende en nietbijbelse term solidariteit).
De overheid behoort naar de opvatting van de schrijver door het bestellen van de publieke rechtsbedeling de voorwaarden te scheppen en in stand te houden, die het de burgers mogelijk maken ook op economisch gebied naar Gods geboden te leven.
Dit standpunt is geheel in de lijn van de Heilige Schrift en de belijdenis van de Reformatie omtrent de overheid.
De overheid is er om der zonde wil en om de kwaden te straffen. De overheid draagt het zwaard niet tevergeefs (Rom. 13; art. 36 NGB). De overheid is er in den beginne niet geweest. Genesis 2: 15 spreekt de mens aan in zijn cultuuropdracht en rentmeesterschap en niet de overheid. Het leggen van een rechtstreeks verband tussen deze tekst en de overheidstaak op economisch gebied is ongegrond en houdt het gevaar in van ontsporing als het gaat over de taak van de overheid ten aanzien van het economische leven, zoals in de kring van het CDA - althans in het besproken rapport en bij Goudzwaard - het geval is.
Soms komt men de opvatting tegen dat Gen. 2 : 15 wel voor de overheid geldt, omdat de Here Jezus ons telkens weer terugwijst naar "den beginne".
Er is evenwel geen tekst in de Bijbel te vinden, die dit standpunt rechtvaardigt.
Het standpunt dat de overheid er is "om der zonde wil" is volop reformatorisch en in overeenstemming met de Heilige Schrift en de belijdenisgeschriften van de Reformatie. Het standpunt dat Gen. 2 : 15 tegen het door Van Klinken ingenomen standpunt kan worden ingebracht is zoals boven betoogd ongegrond. Maar zelfs als Gen. 2 : 15 iets zou zeggen over de overheidstaak, dan nog kan dit spreken niet in strijd zijn met de duidelijke uitspraken elders in de Heilige Schrift (o.a. Rom. 13) en de daarop gegronde belijdenisgeschriften, die Gods Woord naspreken.
Ook in de bestrijding van de opvattingen van Goudzwaard beweegt de schrijver zich op een hoog principieel peil.
Met betrekking tot de begrenzing van de overheidstaak op economisch gebied komt de schrijver tot afwijzing van de centraal geleide economie en de door belangengroepen beheerste overlegeconomie en kiest voor ordening van het economisch leven door het ruilverkeer via de markt. Dit standpunt wordt op verschillende plaatsen onderbouwd, zij het niet steeds op een wijze die misverstanden uitsluit. Helaas laat de beschikbare ruimte voor deze recensie en het karakter van dit blad niet toe uitvoerige kritische opmerkingen te maken en die te onderbouwen.
Hij geeft blijk bepaald niet gevangen te zitten in een liberale ideologie of ideologie van de markteconomie. Hij heeft veel kritiek op de wijze waarop het ruilverkeer (en de markteconomie) werken vanuit het oogpunt van publieke gerechtigheid. Hij ziet dan ook voor de overheid een belangrijke taak weggelegd, o.a. op het gebied van de werkgelegenheidspolitiek.
Het boek is een Telosboek. Onder de naam Telos brengt een groep christelijke uitgevers boeken op de markt, die "doelgericht" en Bijbels georiënteerd zijn. Dit boek heeft in die reeks terecht een plaats gekregen. Het is door de uitgever keurig uitgegeven en is een waardevolle bijdrage aan de discussie over het behandelde onderwerp.

Bussem, januari 1984
Drs G. Meijer, Wetenschappelijk hoofdmedewerker bij het Economisch Seminarie FSW Universiteit van Amsterdam

-0-

Bevrijd om met God te leven

Op de seideravond wordt de uittocht van de joden uit Egypte herdacht. Dat is de gebeurtenis, die aan het begin staat van de joodse geschiedenis. Alleen als deze iets voor je betekent, kan die avond boeiend zijn. ( ... ) Het gezicht van mijn moeder straalde als ze daarover vertelde.
Dat schreef een joodse grootvader (A!bel J. Herzberg) in "Brieven aan mijn kleinzoon". Terugziend in dankbaarheid.
Verbonden met het verleden.
Over de God van de bevrijding, de HERE, die IK BEN en Zijn grote werken verder in de gesohiedenis echter geen woord. Was dat voor die kleinzoon niet van betekenis?
In schetsenbundel 13, uitgegeven door het G.L.J.C., september 1983, staat dat juist centraal. Ds W. Smouter (Dalfsen) behandelt daarin de hoofdstukken 1-3, 16 en 25-27 van het boek Exodus. Hij laat zien hoe héél de Schrift getuigt van de verlossing, die de eeuwen doorgaat en hoe wij er zèlf bij betrokken zijn (pag. 16). Ook óns gezicht kan stralen als we daarover in een vergadering van de jeugdvereniging met elkaar spreken (of wel in een bijbelstudiekring, of in een preek daarover horen). Hoe de Almachtige God Zèlf mensen komt opzoeken, die tegen Hem gezondigd hebben. En niet andersom, dat mensen God zouden zijn gaan zoeken (pag. 20).
Ik laat het bij deze korte notitie. Ze wil enkel aangeven hoe goed werk het G.L.J.C. (Gereformeerd Landelijk [eugdcomité) doet met zulk soort schetsenbundels. De betekenis ervan rijkt veel verder dan de jeugdvereniging.
Goede boekjes voor ouders, om aan de hand ervan met hun kinderen te praten over Gods grote werken.
Voor ouderlingen om zich voor te bereiden op huisbezoeken, om over dominees die catechisatie moeten geven en preken maken maar te zwijgen.
Boekjes om erg blij mee te zijn.
Dit nummer kost f 6,90. Na overschrijving van dit bedrag op postrekening 3910300 t.n.v. G.L.J.C. te Zaandam ontvangt U het franco thuis.
M. de Jonge, Voorburg


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief