De gastvrijheid van het christelijk onderwijs

1984-05-04
  • Jaargang 28
  • nummer 18
In de diverse bladen rond het christelijk onderwijs wordt regelmatig aandacht geschonken aan de problematiek van moslimkinderen op de christelijke scholen.
In het algemeen is de teneur van de artikelen: dat wij als christenen verdraagzaam dienen te zijn en de moslimkinderen moeten helpen om als moslim op te groeien. Nietwaar? zo wordt geredeneerd - God heeft ons verdraagzaamheid geboden en tevens bevolen de vreemdelingen lief te hebben.
De neiging om te reageren heb ik lange tijd weerstaan; ik meen echter niet meer te mogen zwijgen.

Kern van de zaak
De geleverde visies zijn namelijk eenzijdig en doen geen recht aan de kern van de zaak: de verhouding der religies.
- Overigens is het begrip religie en religieus langzamerhand verwaterd tot een begrip dat weinig meer met het verlossingswerk van de Here Jezus te maken heeft, maar veel meer met een subjectieve beleving van wat ik waarheden vind.
Zo bijv. Inkom, nr. 84/1, blz. 8: "De school moet haar leerlingen in staat stellen aan het geloof, aan de waarden en normen die hun milieu hun aanreikt een persoonlijke, eigentijdse gestalte te geven." 1) Men zal wel oppassen ditzelfde te zeggen van het gegeven dat 2 + 2 = 4, hoewel dat niet bewezen is - het 'werkt' alleen. Doch de door God zèlf geopenbaarde waarheid schijnt naar tijd, plaats, milieu en persoon multi-interpretabel te zijn.

Wanneer de in Inkom aangehaalde Martin Palmer stelt dat christenen moslimse leerlingen in hun eigen moslim-zijn moeten bevestigen, zegt hij in wezen dat Christendom en Mohammedanisme slechts nuances zijn naar tijd, plaats, milieu en persoon.
En promoveert hij het sociale aspect V8n de werkelijkheid tot richtinggevend over het religieuze.

Doopbelofte
Echter - waar gaat het om? _ Waarom is het christelijk onderwijs tot stand gekomen - en wat is haar nut heden ten dage?
Wellicht herinnert u zich hoe u bij het doopvont beloofde uw kind(eren) te onderwijzen en te doen onderwijzen "in de christelijke leer".
Was dat een poging van de kerk om voor de toekomst haar ledental veilig te stellen of zat daar meer achter?
Het laatste is uiteraard het geval: God laat ons in de bijbel weten dat Hij werkt 'in de geslachten', d.w.z. God vergadert zich een volk op deze aarde in de voortgaande lijn van ouders- kinderen -kleinkinderen etc.
Dat bepaalt de verhouding kindouder: het samen staan onder de koepel van het Verbond met Abraham èn zijn nageslacht. Kinderen zijn dan ook 'geheiligd in hun ouders', reden waarom zij reeds vóór de jaren des onderscheids gedoopt mogen worden: God verbindt zijn Naam op basis van het geloof van de óuders aan de kinderen.
Dat legt een grote verantwoordelijkheid op de ouders: zij zijn het primaire menselijke middel dat God wil gebruiken om zich aan de nieuwe generatie te openbaren.
Ouders die de ontzaglijke rijkdom van hun boodschap zich bewust zijn zuilen dan ook niet nalaten hun kinderen te vertellen van hun geloof.
Stopt het daarmee? Nee!
Onze voorgaande generaties hebben heel goed begrepen dat de verlossing door de Here Jezus ons hele leven raakt: de manier waarop wij de schepping zien en met haar omgaan, ook onze omgang met elkaar.
Er is immers geen terrein van het leven waarvan God niet zegt: 'het is Mijn', geen terrein dat niet onder de vloek van de zonde ligt - maar ook geen terrein dat niet onder het verzoeningswerk van Jezus Christus valt!.

Dialoog?
Onderwijs is meer dan kennisoverdracht.
Het is: voortbouwen op de levensbeginselen die de kinderen thuis ontvingen en ontvangen. Ouders die hun eigen christelijke opvoeding op waarde schatten zullen dun ook hun kinderen christelijk onderwijs willen geven.
De 'toegevoegde waarde' van het christelijke, in het christelijk onderwijs, is dat de centrale plaats die het geloof in de Here Jezus Christus als Zaligmaker in ons leven inneemt openlijk wordt doorgetrokken in het onderwijs.

Onderwijsgevenden, kinderen en ouders weten zich één in het geloof dat de Here Jezus hun leven volkomen verlost heeft van de ondergang en dat zij als nieuwe mensen mogen leven met het oog gericht op zijn terugkomst, als Hij deze wereld zal herstellen in zijn oude glorie.
Als dit afstraalt op ons doen en laten, onze visie op deze wereld en het wereldgebeuren, onze onderlinge relaties, zijn we daarmee nog geen 'geestelijken' of 'evangelisten' geworden.
Veeleer is het zo dat verwacht mag worden dat ons geloof herkenbaar is aan ons en dat we ons erover verbazen moeten als dit niet het geval zou zijn. Dat is iets anders dan de hele dag 'preken'. Een getrouwd man praat in het algemeen niet de hele dag over zijn echtgenote, terwijl hij toch in zijn leven herkenbaar is als echtgenoot.
Het is dan ook slechts van academisch belang om te stellen dat christelijke scholen geen evangelisatie-instituten zijn (zoals wel gesteld wordt).
Dit soort stellingen leidt de aandacht af van het centrale gegeven, dat ons onderwijs de naam christelijk draagt en als zodanig herkenbaar dient te zijn.
Geloof is slechts een realiteit als het levend is. Christus schrijft in Openb.3 aan Laodicéa dat Hij zelfs liever geen geloof dan een lauw geloof ziet - en dat terwijl Hij kwam om allen zalig te maken! Geloof kan ook geen onderwerp van discussie zijn. Immers: je gelooft 'het' of je gelooft 'het' niet. Geloof je in Christus als je Verlosser dan heb je in Hem alles wat daarvoor nodig is.
De oude Heidelberger Catechismus zegt daarover dat het van tweeën een is (geen tussenweg dus): of Christus is geen volkomen Zaligmaker óf zij die Hem in geloof aannemen hebben in Hem alles wat voor hun zaligheid nodig is (antw. 30).
Hier zit de crux m.i. bij de verschillende artikelschrijvers. In hun ijver om voor vreemdelingen iets te doen (overigens op sociaal nivo alleszins lofwaardig) zijn ze zelfs bereid hun 'algemeen ongetwijfeld christelijk geloof' ter discussie te stellen; 'dialoog' heet dat dan. Weet u wat zo'n dialoog in feite is? Het is het ter discussie stellen - kwantitatief en kwalitatief van Gods eigen openbaring in zijn Woord. Want we gaan dan 'andersreligieuzen' vragen wat zij daaraan toe te voegen of af te dingen hebben.
Hebt u zich wel eens gerealiseerd dat wij op die manier wijzer willen zijn dan God (zoals Adam en Eva, toen ze de dialoog met de slang aangingen)!

Oordelen of aanvaarden?
Ik heb dan ook ernstig bezwaar tegen het ter discussie stellen van wat niet discutabel is: de waarheden van Gods eigen openbaring in zijn Woord zijn niet aan ons ter beóordeling, doch slechts ter aanneming. Je kunt ze aanvaarden of niet. En daarmee Gods liefde aanvaarden of afwijzen.
Paulus zegt dat het evangelie de Grieken een ergernis is en de Joden een dwaasheid. Maar ook dat het dwaze Gods sterker is dan de mensen.
Het evangelie is waar in zichzelf en niet omdat wij het als waar aanvaarden of de waarheid ervan vastgesteld hebben.
Christelijk onderwijs gaat uit van dat evangelie. Dat is haar identiteit.
Deze identiteit staat een crisis in haarzelf niet toe. Het is immers ja of neen tegen Gods liefde-openbaring.
Een crisis in deze identiteit betekent wezenlijk dat we onze maatschappelijke claim op dit onderwijs moeten
laten vallen. Ons onderwijs is immers dan reeds van karakter veranderd!

Gastvrijheid
Er is evenwel nóg een aspect aan het christelijk onderwijs: het culturele (en sociale).
Immers, zo kan men vragen, moeten wij dan niet gastvrij zijn voor vreemdelingen?
En dan maar geen moslimkinderen opnemen op onze scholen tenzij ze zich bekeren of zo?
Ik noemde zojuist de eigen identiteit van het christelijk onderwijs. Deze moet duidelijk zijn, anders kan je zelfs beter geen identiteit hebben.
Ouders die kun kinderen naar een christelijke school sturen moeten dan ook weten wat zij doen. Wat hun kinderen te wachten staat: nl. christelijk onderwijs.
Maar wie daarvoor kiest, of tenminste toestaat is toch zeker van harte welkom! Christelijk onderwijs is als zodanig zeer gastvrij als het goed is.
Kinderen moeten graag op onze scholen komen (goede sfeer enz.) en ouders moeten hun kinderen graag sturen (ook vanwege het goede onderwijs).
De vraag is echter of de christelijke scholen niet soms/vaak kinderen vanuit een andere religie hebben gekregen omdat hun identiteit niet duidelijk was of niet duidelijk is overgebracht.
De problemen die daaruit voortvloeien acht ik volstrekt niet ter zake dienende. Zij hadden voorkomen moeten worden (hoe moeilijk soms de communicatie met etnische minderheden ook kan zijn). Het is niet de taak van het christelijk onderwijs om mos
Iimklnderen als moslims op te voeden (religieus). En wie bekend is met de nauwe samenhang tussen cultuur en religie bij moslims (veel sterker dan bij ons) weet hoe voorzichtig hij moet zijn met het invoeren van moslimcultuuronderwijs op zijn christelijke school. Daarbij dienen wezenlijke grenzen in acht genomen te worden. 2) Het christelijk onderwijs zal zijn gastvrijheid dan ook niet betonen aan vreemdelingen in het discutabel, variabel of vrijblijvend stellen van haar religieuze basis - alsof gastvrijheid kan worden vertaald in onduidelijkheid van de gastheer! Haar gastvrijheid blijkt in het openstellen van haar scholen voor kinderen die christelijk onderwijs willen of mogen ontvangen (keuze ouders) en in het waar mogelijk extra hulp bieden aan kinderen uit andere cultuurkringen zodat de voor het onderwijs dan wel voor de sociale omgang nadelige achterstanden (taal, sociale waarden en omgangsvormen, e.d.) zo snel en goed mogelijk worden ingehaald.
Deze hulp geldt dan overigens niet alleen voor de Moslimkinderen (de Mediterranen), doch evenzeer voor kinderen uit verpauperde streken of stadswijken of uit andere groepen met een (te) laag ontwikkelingsnivo.
Gastvrijheid is: de ander gunnen wat jezelf gekregen hebt: je geloof, je ontwikkeling, je rijkdom!
Dat ons christelijk onderwijs aan déze gastvrijheid te herkennen zal zijn!

1) Blijkens de context slaat "gestalte" niet slechts op de vorm maar tevens op de inhoud van i.c. het geloof.
2) Over het wezen van het Mohammedanisme is het boek van Marius Baar aanbevelenswaardig, getiteld: Het Westen voor de keuze. Uitg. Novapres.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief