"Zij zijn aardsgezind." Filippenzen 3: 19 - 1)
1984-05-18
Maar hééft de gereformeerde synode in haar besluit de aarde en haar belangen wel buiten Christus om willen behartigen?- Jaargang 28
- nummer 20
Hij wordt toch genoemd, expliciet en impliciet? Wat het expliciete betreft valt te denken aan de uitspraak “Alle vertrouwen op en dreigen met wapens) die massale vernietiging van de bevolking bewerken (en de aarde verwoesten, mag je aanvullen, dJ.), is in strijd met een leven in de navolging van Christus, die niet tot het einde heeft vernietigd, maar tot het einde heeft liefgehad”. Wat het impliciete betreft kan genoemd worden de uitspraak van de Synode van 1978: “Massavernietigingswapens en -methoden zijn in strijd met Gods heil voor deze wereld en dus uit den boze", Christus en zijn heil worden genoemd, en wel naar hun diepste betekenis, getuige de verwijzing naar de liefde van Christus tot het einde, zoals daarover in de ouverture van de lijdensgeschiedenis gesproken wordt (zie Johannes 13 : 1e.v.).
En toch ben ik van mening dat dat niet op een bijbelse wijze gebeurt.
Hier wordt namelijk de nieuwe lap van het evangelie op het oude kleed van déze aarde gezet; hier wordt de jonge wijn van Christus' heilswerk in de oude zakken van déze wereld gedaan.
En Christus leert ons dat dan èn de wijn èn de zakken verloren gaan.
Wij kunnen namelijk het heil van Christus niet monteren op de wereld-zoals-die-is. Het Nieuwe Testament spreekt daarom herhaaldelijk van twee werelden: de tegenwoordige en de toekomende, de aardse wereld en de nieuwe schepping die Christus bij Zich heeft. En het Nieuwe Testament maakt de gelovigen los van de ene wereld als iets achterhaalde, als iets waar we nog wel 'in' zijn, maar waar we niet meer 'van' zijn. Paulus schrijft in Galaten 6: 14: "Maar ik moge ervoor bewaard blijven te roemen anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus, door Wie de wereld mij gekruisigd is en ik der wereld."
Het kruis van Christus is hier gezien als de uitgang uit deze wereld. Bij het kruis treden wij de oude wereld uit en de nieuwe wereld van Christus binnen.
Wanneer we ons in deze werkelijkheid verdiepen en het bijbelse spreken tot ons door laten dringen, kunnen we schrikken van de kloof tussen ons en de bijbel, onverschillig of we als christenen in de synodale synode vertegenwoordigd zijn of niet. Als we hier kritiek leveren, zullen we de 'zij'-toon moeten laten varen en is de 'wij' -toon vereist. Toch moeten we vaststellen dat de gereformeerde synode in haar reageren op de dreiging die boven onze wereld hangt, dit onderscheid tussen oude en nieuwe wereld, tussen deze eeuwen de toekomende eeuw niet kent. Het bewustzijn dat de tijd kort is en dat de wereld in zijn huidige vorm bezig is te verdwijnen, naar het woord van Paulus (I Korinthiërs 7: 29-31), ontbreekt.
Want wel wordt in het besluit gesproken van het 'genadige uitstel' dat God deze wereld nog schenkt en dat dit een motief is voor ernstige waarschuwing en vermaan aan overheid en volk, zodat ook hier het besef doorklinkt van 'de tijd is kort', maar hoe geheel anders! Het gaat Paulus om de geloofs-oriëntatie op de komende eeuw, terwijl de synode geheel vervuld is van de zorg voor deze wereld. Voor de apostel is het voorbijgaan van deze wereld een vaststaand feit en van daaruit vermaant hij de gemeente haar tentpinnen niet te vast in de grond te slaan.
De synode echter denkt en spreekt vanuit de overlevingsideologie, die ook aangehangen wordt door hen die 'geen deel dan in dit leven wachten' (Psalm 17: 7, oude berijming). Om deze redenen gaapt er een zeer diepe kloof tussen Paulus en de gereformeerde synode.
Maar zou van ons niet hetzelfde te zeggen zijn? Wij steigeren toch óók als we merken hoe los de apostel is van deze wereld? Hoe zitten ook wij niet aan de oude schepping vast!
Mijn vrouw vertelde me dat ze een poosje geleden in de kerk naast een oudere zuster gezeten had, toen als aanvangslied van de dienst werd opgegeven Psalm 46 : 1. De gemeente zong:
"God is een toevlucht t'allen tijde,
die ons uit nacht en dood bevrijdde.
AI zou de aarde ondergaan,
wij zien het zonder vrezen aan ... "
Toen het lied uit was, zei de mevrouw tegen mijn vrouw: "Hoe kunnen we dat eigenlijk zingen?" Een goede vraag, waaruit bleek dat ze had nagedacht over wat ze zong. Helaas is dat niet altijd het geval, zoals we allemaal van onszelf wel weten. Inderdaad, hoe kunnen we zoiets zingen?
Dat kunnen we, als we, mèt deze psalmist, ons geborgen hebben op de vluchtheuvel Sion, de Godsstad, waar vers 2 van de berijmde psalm van zingt. "God woont in haar, zij wankelt niet". En Sion is de vóórgestalte van de Christus. Vanuit Christus kunnen wij de ondergang van de oude wereld zonder vrezen aanzien.
Ik blijf nog even in deze psalm 46, omdat er ook woorden in staan, die steun lijken te bieden aan diegenen die vanuit ons geloof partij kiezen voor de vredesbeweging. Van de Here God wordt namelijk in vers 10 gezegd: " ... Die oorlogen doet ophouden tot het einde der aarde, de boog verbreekt, de lans stukslaat, de strijdwagens met vuur verbrandt". Is dit dan geen religieus pacifisme? Nee, want, denk erom, hieraan vooraf gaat vers 9: "Komt, aanschouwt de werken des HEREN, die verwoesting op aarde aanricht". Dat wil zeggen: onze God is hier zèlf op het oorlogspad en met zijn strijd doorkruist Hij de oerlogen die op de aarde tussen de volkeren gevoerd worden. De Here God is in gevecht met de satan en in dat geding beëindigt Hij de oude wereld met haar strijd om vanuit Sion, vanuit Christus, de nieuwe te voorschijn te brengen. We worden hier dan ook opgeroepen om vanuit hel uiteindelijke geding de wereldse oorlogen te relativeren. Niet dat we geheel onverschillig zijn voor de vraag wie hier op aarde wint en heerst, maar ook al kiezen we partij, we bewaren afstand. (Daarom ben ik ook geen lid van het ICTO, want al ben ik het met de politieke stellingname daar wel eens, ik geloof dat je, zeker als evangeliedienaar, in het politieke een zekere terughoudendheid moet betrachten. Ons eigenlijke ijzer ligt niet in dat vuur, - al is het natuurlijk niet verboden enig licht te ontsteken in de Egyptische duisternis die er tegenwoordig hangt rondom het heilzame en broodnodige onderscheid tussen kerk en staat, zoals ik dan ook verschillende malen geprobeerd heb.). Wij worden dus in psalm 46 niet aangespoord om de vrede tussen de volken te bevorderen (evenmin trouwens om het tegenovergestelde te doen), maar we worden wel zeer duidelijk door de kinderen van Korach opgeroepen om in het eigenlijke geding waar het in de wereldgeschiedenis om gaat niet aan de verkeerde kant te staan. Ook inzake oorlog en vrede zullen we eerst en vóór alles Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid hebben te zoeken, in het vertrouwen dat ons een betrekkelijke rust en welvaart, voor zover we die nodig hebben, in de schoot zal worden geworpen. Met het oog daarop bidden we ook voor onze overheden en voor alle vredesinspanningen die zij (behoren te) ondernemen.
De theologe Dorothée Sölle, wier gestalte ik zeer duidelijk zie oprijzen achter het 'anti-raketten-besluit van de gereformeerde synode, heeft eens een poging gedaan om een op moderne leest geschoeide herformulering te geven van de Geloofsbelijdenis van Nicea. Het laatste artikel daarvan, het geloof in het leven der toekomende eeuw, gaf zij als volgt weer: ..Ich glaube an die Zukunft dieser Welt Gottes". Inderdaad is hier uit het puin van de oorspronkelijke zin een nieuwe gemaakt. De woorden belijden echter tegelijk een nieuw geloof, dat niet langer bijbels te noemen is: ..Ik geloof aan de toekomst van deze wereld die van God is". De toevoeging 'die van God is' geeft hier een religieuze wijding aan wat overigens pure aardsgezindheid is. Het is waar, deze wereld is ook van God, maar dat is des te erger voor haar. Daar kan helaas sinds de zondeval geen heil uit afgeleid worden. Integendeel, God zal de wereld oordelen. In het kruis van Christus hééft God al een definitief vonnis over haar geveld, namelijk dat ze voorbij gaat en vervangen wordt door de toekomende.
Daarom maakt de Heilige Geest ons van haar los.
Maar wat had de synode dàn moeten zeggen? We kunnen toch als christenen, met zoveel dreiging boven ons hoofd, niet doen alsof onze neus bloedt? Wat een angst, wat een paniek is er wel niet onder de mensen!
Zeker pleit ik er niet voor dat de kerk, in deze tijd van sombere vooruitzichten voor de vrede op de aarde, zou moeten zwijgen. Ik zie drie dingen die gezegd moeten worden. In de eerste plaats moet de kerk op de angst onder de mensen ingaan. En wel door met alle kracht te zeggen dat niets ons scheiden zal van de liefde van Christus, noch dood noch leven ... noch atoom-geweld, ... noch enig ander schepsel (Romeinen 8: 33 e.v.). In de tweede plaats dat Gods heilsplan doorgaat en dat alle dingen, ook de dreiging van nu, moeten medewerken ten goede van hen die naar Gods voornemen geroepenen zijn (Romeinen 8 : 28). In de derde plaats moet een synode de kerken en de gelovigen opwekken om aanhoudend voor de overheden te bidden (I Timotheüs 2 : 1-5). Want in de vrede van Babel, de wereld waarin we wonen, zal ook voor ons (enige) vrede gelegen zijn, heeft de profeet Jeremia gezegd (Jeremia 29: 7). En dat niet alleen. Ook voor de evangelieprediking is het van groot belang dat er rust onder de volken heerst. God houdt deze wereld immers in stand totdat de laatste uitverkorene zal zijn toegebracht.
Niets meer? Valt er echt niets meer te zeggen? Let wel, we hebben het nu over het spreken der kérk. Christenen die in de wereld leven, zullen op de post waarop ze gesteld zijn, ook moeten spreken, deskundig en ter zake, en waar het pas geeft ook belijdend. Maar de kerk is de enige instantie in de wereld die de belangen van het toekomende leven behartigt.
Als ook zij daarover zwijgt, wie zal dan nog spreken? Als ze echter hierin gehoorzaam haar taak vervult, geloof ik dat ze tot een zegen gesteld zal worden. Dat ze dan op een geheimenisvolle wijze meer voor de vrede en de rust onder de volken zal betekenen, dan wanneer ze zich rechtstreeks met de politiek bemoeit. Ik denk hier vooral aan de vrees. Als wij met de evangelieprediking, zoals hierboven uiteengezet, iets kunnen doen aan de angst van de mensen, dan geschiedt er werkelijk heil. Want de vrees, de paniek, is het gevaarlijkste dat er vandaag bestaat.
1) Vervolg referaat Opbouw-vergadering.