En dan zwijg je verder .....
1984-05-18
Welke rol speelt de levensbeschouwing binnen het gespecialiseerd maatschappelijk werk rond geestelijk gehandicapten?- Jaargang 28
- nummer 20
Welke waarde hechten ouders aan begeleiding door een maatschappelijk werker die hun levensovertuiging deelt? En: hoe kijken maatschappelijk werkers tegen de behoeften van de ouders op dit gebied aan; worden deze wensen herkend?
In het verlengde van de beide vraagstellingen: is het terecht dat de 'deconfessionalisering' van deze hulpverlening (de instellingen zijn niet meer gebonden aan een geloofsovertuiging) min of meer vanzelfsprekend lijkt te zijn? Vragen die aan bod komen in de doktoraal-skriptie van drs M. J. A. Egberts, die in 1983 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam afstudeerde als ortho-pedagoog.
Voor de levensbeschouwing geen plaats meer?
De eerste twee hoofdstukken van het onderzoek zijn zeer zeker ook van belang voor mensen die zelden met verstandelijk gehandikapten te maken hebben. Een parallel valt te trekken naar allerlei andere levensterreinen waar de 'ontzuiling' onderwerp van diskussie is.
Het is Egberts opgevallen dat er jarenlang nauwelijks over de relatie tussen maatschappelijk werk en levensbeschouwing werd geschreven.
Betekent dit dat het geloof buiten iedere diskussie stond? Ja, maar niet op een positieve wijze: uit dit vacuüm is een situatie voortgekomen waarin het vanzelfsprekend lijkt dat de levensovertuiging geen rol meer speelt binnen het maatschappelijk werk. Na een jarenlange stilte schrijft Behrend in 1972: "Vechten voor het behoud van de eigen identiteit is voor werkers niet meer van belang; voor sommige bestuurderen is het nog een aardig tijdverdrijf". Het rapport ,.Maatschappelijke Dienstverlening Levensbeschouwing" (1978) konstateert dat de maatschappelijk werkers het losmakingsproces (in dit geval uit de R.K.-Kerk) als een bevrijding uit kerkelijke bevoogding, uit de Ievensbeschouwelijke hegemonie, beschouwen. Het rapport vat de situatie als volgt samen: "In de praktijk blijkt dat de levensbeschouwing bij maatschappelijk werkenden zelf als restprobleem verdwijnt naar de sfeer van de strikte privé-overtuigingen.
Zij spreken er elkaar dan ook niet op aan, men zwijgt er eerder over".
Egberts konstateert de laatste jaren wèl een opleving in voornoemde diskussie, en daar zijn de oprichting van drie nieuwe Sociale Akademies (Ede, Zwolle en Kampen) en van de Evangelische Hogeschool (Amersfoort) mede debet aan. Mét Egberts ben ik evenwel van mening dat voornoemde diskussie bij een groot aantal maatschappelijk werkenden lijkt te hebben afgedaan. Zo wordt b.v. een fusie niet in de eerste plaats op grond van het levensbeschouwelijke aspekt afgewezen, of op grond van wensen van de ouders, maar omdat men "vaktechnisch" niet bij elkaar past ...
Ontkerkelijking
Het kan niet ontkend worden: met name sinds het begin van de zestiger jaren kunnen we spreken van een sterke mate van ontkerkelijking in Nederland. In 1961 gaf 18% van de bevolking aan niet bij een kerk te horen, en in 1971: 41%. Volgens de verwachtingen zal deze tendens zich de komende jaren voortzetten (zie o.a. het onlangs verschenen rapport "Maar men moet toch iets wezen" door P. van Doom en Y. Bommeljé; een onderzoek dat is gedaan door Interview B.V. // h.a.). Als we spreken over "achterban" staan christelijke organisaties (in kwantitatief opzicht: wat de aantallen betreft) dus op de tocht.
Egberts beperkt zich echter niet tot de ontkerkelijking wat betreft het aantal Nederlanders dat zich nog lid acht van een kerk. Hij konstateert dat de reikwijdte van de godsdienst ook minder wordt: deze speelt op allerlei levensterreinen geen dominerende rol meer. Tenslotte noemt hij de 'innerlijke secularisatie': ook mensen die zich kerkelijk blijven noemen zijn vaak veranderd in hun geloof. Daarmee is een verschuiving gepaard gegaan naar het praktisch handelen.
Echter, "alvorens na deze sombere gegevens, 'de genadeklap uit te delen' aan de laatste levensbeschouwelijk georganiseerde instellingen, lijkt enige bezinning - zowel op de waarde van deze instellingen als op het alternatief van de interlevensbeschouwelijke instelling - geen overbodige luxe".
Met die bezinning is Egberts in zijn onderzoek aan de slag gegaan.
Een gehandikapt kind
Een geestelijk gehandikapt kind roept, zo stelt Egberts, bij ouders (of ze nu godsdienstig zijn of niet) vragen op als: 'wat is de betekenis van dit leven?' en: 'waarom overkomt JUist óns dit?' De afgelopen Jaren zijn er heel wat onderzoeken gepubliceerd die deze krisis onderstrepen.
Stubblefield schrijft: "Voor de meest godsdienstige ouders veroorzaakt de geboorte van een geestelijk gehandikapt kind een 'theological crisis', Het beeld van de liefdevolle Vader die zijn kinderen het beste geeft, wordt met zo'n gebeurtenis wreed verstoord". Bogers schrijft: "Ouders van geestelijk gehandikapte kinderen hebben in zekere zin het voorrecht dat ze de levensvragen niet uit de weg kunnen gaan, maar er in alle hevigheid mee gekonfronteerd worden. Ze 'moeten' wel een weg proberen te vinden, terwijl anderen levensbeschouwelijke vragen een tijd lang uit de weg kunnen gaan".
Gezien in het licht van het voorafgaande kunnen we stellen dat er wel degelijk een verband bestaat tussen hulpverlening op het gebied van de gehandikaptenzorg en geloof. De huidige tendens om één komponent van de hulpverlening te beschouwen als het eigen vakgebied kan leiden tot een versnippering van de hulpverlening (waarin zelfs de hulpverleners nauwelijks meer de weg weten te vinden ... ). Weliswaar zijn er voor sociale, medische, pastorale en psychische hulpverlening afzonderlijke hulpverleners, maar bestaat er ook niet een taak die iedere werker heeft ten aanzien van de levensvragen van de hulpvrager?
Het zondermeer afdoen met: "voor die problemen is de dominee" doet mij denken aan een ooit door mijn grootvader (dr H. Algra) gebezigde parallel: "eten met daarna een hapje zout". Maar vragen ouders ook daadwerkelijk meer van de hulpverlener?
Het woord is weer aan drs. Egberts.
Een duidelijk verschil van mening
In de meest gesekulariseerde provincie van Nederland, Noord-Holland, ging Egberts op onderzoek uit. Hij deed een enquête uitgaan naar maatschappelijk werkenden en ouders die betrokken zijn bij twee Sociaal Pedagogische Diensten (deze diensten begeleiden ouders van geestelijk gehandikapten o.a. bij plaatsing op dagverblijven, gezinsvervangende tehuizen en in inriohtingen). Eén dienst is "federatief" (een samenwerkingsverband tussen de 'zuilen'), één dienst is protestants-christelijk. De meeste maatschappelijk werkenden die de enquête hebben ingevuld stellen dat de ouders weinig of geen behoefte hebben om te spreken over godsdienstige overtuiging in relatie tot de problematiek van hun kind.
Deze zaak komt dan ook zeer zelden aan de orde. Echter: twee maatschappelijk werkers bij de federatieve dienst die zelf kerkelijk meelevend zijn zeggen dat het geloof vaak wèl 'n rol meespeelt in gesprekken met kerkelijke ouders. Zij zeggen ook in de praktijk het geloofsaspekt aan de orde te (kunnen) stellen, op grond van datgene wat de ouders aanreiken. Een
konklusie die hier dan ook kan worden getrokken is dat een hulpverlener een antenne nodig heeft om te weten wat de ouders beweegt ("je hebt dan vaak maar een half woord nodig", aldus één van de ouders).
Met name binnen de Protestants Christelijke Dienst vormt het geloof voor de ouders een belangrijk referentiekader: het bepaalt hun denken schoolkeuze, kerkbezoek, kiezen van een tehuis met een bepaalde signatuur).
Veel ouders kiezen deze dienst uit vanwege de overeenkomstige geloofsovertuiging.
Ze zullen dus ook meer van begeleiding in dit opzicht verwachten dan de ouders die betrokken zijn bij de federatieve dienst, Ouders die lid zijn van de R.K.-Kerk blijken overigens veel minder hoge verwachtingen te hebben op dit gebied.
Naar aanleiding van de enquête-uitkomsten komt Egberts tot de konklusie dat de behoefte aan het invulling geven aan het geloofsaspekt bij de ouders veel groter is dan de maatschappelijk werkenden denken (getalsmatig gezien, al valt dit gegeven moeilijk in getallen weer te geven: 3 maal zo groot). In zijn onderzoek komt Egberts tot meer opvallend cijfermateriaal.
Zo denken de maatschappelijk werkenden dat bij ongeveer 20% van de ouders de geloofsovertuiging ter sprake is gekomen, terwijl ongeveer de helft van de ouders zegt dat ze op de één of andere manier duidelijk hebben gemaakt dat het geloof veel voor hen betekent.
Opnieuw: de antenne ...
Wat is er aan de hand?
Misschien kunnen we hier spreken van een "self-fulfilling prophecy".
Maatschappelijk werkers verwachten niet dat ouders hun geloofsovertuiging in het kontakt met hen willen betrekken, en ze spreken er dus niet over. Daardoor voelen veel ouders zich niet zo vrij om het geloof ter sprake te brengen. Ze hebben de indruk dat dit voor hun maatschappelijk werker niet aan de orde is. En daarmee is dan de cirkel gesloten: de voorspelling bewijst zichzelf!
Kunnen ouders dan niet een aktievere rol spelen?
Egberts schrijft dat dat voor lang niet alle ouders gemakkelijk is. Daar liggen de vragen vaak te diep voor en zijn ze soms moeilijk onder woorden te brengen. Daarnaast zegt hij, dat het in een gesekulariseerde samenleving heel wat moed vereist om ook buiten de kerkmuren te laten blijken dat het geloof ook in het leven van alledag een belangrijke rol speelt.
Beide faktoren maken dat enerzijds de maatschappelijk werker .een antenne moet bezitten om de signalen op te vangen en anderzijds dat ouders zich ook 'veilig' moeten voelen. Ik voeg hier nog een aspekt aan toe: heel wat ouders voelen zich m.i. ten opzichte van de "professionele zorg" (mensen die in de zwakzinnigenzorg werken) in een te afhankelijke positie.
Die positie maakt dan dat je je eisen lager stelt. De maatschappelijk werker pakt niet op wat je zegt over het geloof, dus dat zal wel niet van belang zijn. En dan zwijg je verder.
Want hij moet ervoor zorgen dat jouw kind in een goede voorziening terecht komt. En hij zal het wel het beste weten ... (dit beeld lijkt op papier overtrokken, ik denk toch dat in de praktijk dergelijke processen meespelen).
Een federatie: de neutrale algemeenheid
Mede als gevolg van bezuinigingen door de overheid speelt (o.a.) in Noord-Holland weer de vraag of de verschillende diensten een federatie of fusie aan moeten gaan (de zgn.”gevulde algemeenheid'). Egberts heeft zijn twijfels bij de hooggestemde idealen bij de start van een dergelijke samenwerking, de ouders blijken zelfs tegenstander van een federatie te zijn. Nu de federatieve dienst 5 jaar werkzaam is kiest méér dan de helft van de aangesloten ouders nog altijd voor de traditionele Sociaal Pedagogische Diensten. Slechts 28 % van de ouders geeft aan de interlevensbeschouwelijke samenwerkingsvorm de eerste voorkeur. De ouders die te maken hebben met de Protestants Christelijke Dienst zijn ook gekant tegen een eventuele federatie; de helft wil de huidige situatie handhaven, een aantal ouders is voor oecumenische samenwerking, Kortom: de 'gevulde algemeenheid' lijkt vanuit 'de basis' een weinig geaksepteerd alternatief.
Egberts konstateert dat een federatie in de praktijk moeilijk te verwezenlijken valt: signalen van levensbeschouwelijke aard worden slecht opgevangen.
Overigens biedt ook de PCdienst hiertoe geen garanties, wèl zullen de ouders zich hier waarschijnlijk gemakkelijker op dit punt uiten (zie eerder in dit artikel). In feite zal, in een sekulariserende wereld, binnen de zgn. 'gevulde algemeenheid' de Ievensbeschouwelijke dimensie een minimum aan aandacht krijgen, aldus Egberts. Hij spreekt dan ook van een 'neutrale algemeenheid'.
Aanbevelingen
Egberts sluit zijn onderzoek af met een aantal aanbevelingen. Hij stelt o.a. dat ouders direkt aan de kwaliteitsverhoging van de hulpverlening bijdragen, wanneer zij duidelijker kenbaar zouden maken wat hun behoeften zijn ten aanzien van de levensbeschouwelijke dimensie. Bij de start van de relatie moet er duidelijkheid zijn: ouders kunnen stellen dat het geloof veel voor hen betekent, maar ook de maatschappelijk werker mag gevraagd worden naar zijn visitekaartje.
Geloof hoeft geen taboe te zijn. Het gaat in de hulpverlening om héél de mens. Dit meer aan elkaar duidelijk maken is broodnodig om de kortsluitingen tussen maatschappelijk werk en ouders, zoals genoemd in de skriptie van Egberts, minder vaak te doen voor komen.
Grotere mondigheid van de ouders op dit punt kan een instrument zijn om ongefundeerde ontzuiling tegen te gaan. Immers, als hulpverleners het idee hebben dat geloof niet zozeer een rol speelt dan zullen zij op die gronden ook geen bezwaren aantekenen tegen het opheffen van hulpverleningsorganisaties die werken op basis van een christelijke levensovertuiging.
Als ouders dit belang duidelijk naar voren brengen wordt het moeilijker om het belang van het geloofsaspekt te ontkennen. Egberts raadt in dit verband ook aan om b.v. ouderverenigingen in te schakelen, thema-avonden te beleggen enz.
Naar de hulpverleningsinstanties toe is het van groot belang dat ook zij zich bezinnen op de vraag wat het geloof betekent in de hulpverlening.
Egberts noemt deze vraag belangrijk, zeker voor de Protestants-Christelijke instellingen (77 % van die ouders vindt het belangrijk dat de maatschappelijk werker hun geloofsovertuiging deelt). Bovendien kan opgemerkt worden dat een grotere mate van overeenstemming tussen ouder en maatschappelijk werker tevens leidt tot een grotere tevredenheid over de wijze waarop aan de Ievensovertuiging een plaats wordt gegeven in de hulpverlening.
Konklusie
Uit het onderzoek van Egberts blijkt duidelijk dat het beeld dat veel hulpverleners hebben als zou het geloof geen rol spelen binnen het maatschappelijk werk rond geestelijk gehandikapten niet wordt gedeeld door de 'konsumentenorganisatie', d.w.z.: de ouders. Wèl dient hierbij te worden vermeld dat bij het onderzoek van Egberts vooral oudere ouders waren betrokken; het zou kunnen zijn dat dit beeld er over een aantal jaren (bij een volgende generatie) heel anders uit ziet. Gezien de leeftijd van veel maatschappelijk werkenden zou men wellicht zelfs van een generatiekloof kunnen spreken. Overigens wreekt zich hier waarschijnlijk ook het feit dat men jarenlang heeft gedacht dat geloof geen rol dient te spelen binnen het maatschappelijk werk, Veel opleidingen schijnen dit als een taboe aan hun studenten te hebben verkondigd, omdat dit ten koste zou gaan van het vaktechnische aspekt van de hulpverlening, de 'antenne' werd dan ook niet ontwikkeld, eerder afgebroken.
Vooralsnog lijkt echter een verdergaande ontzuiling van instanties voor maatschappelijke dienstverlening aan verstandelijk gehandikapten niet overeenkomstig de wensen van de ouders te zijn, en ook niet ten dienste te staan aan een goede kwaliteit van hulpverlening.
Met het feit dat de heer Egberts dit op papier heeft weten te zetten heeft hij veel ouders van geestelijk gehandikapten een belangrijke steun in de rug gegeven. De gegevens die hij in zijn onderzoek aandraagt zijn echter niet alleen voor deze beperkte groep mensen van belang: het raakt een veel bredere groep van organisaties op het gebied van hulpverlening en onderwijs.
Met name de hoofdstukken over de relatie tussen geloof en maatschappelijk werk en over psychotherapie bevatten veel literatuurgegevens die tot nadenken stemmen. Wie de ruim 200 bladzijden nog eens helemaal wil nalezen kan de skriptie bij de schrijver bestellen.
"En dan zwijg je verder ... "
door: M. J. A. Egberts.
Wie dit werk zelf in zijn bezit wil hebben moet f 21,75 overmaken op postgiro 3378648 t.n.v. M. J. Egberts te Amsterdam.