Van Pascha tot Paasfeest

1985-04-05
  • Jaargang 29
  • nummer 14
“Páásfeest" vieren wij nog steeds. Naar pascha, de Aramese benaming voor Israëls Pesach. Vreemd die verwijzing naar een nacht van dood en verderf, bloed en tranen? Maar zonder dien geen vrijheid, geen bevrijding, geen leven. En niet voor niets heette Goede Vrijdag vroeger Kruispasen. Geen triomf zonder ondergang, geen leven dan door de dood.

Gezang 219 is onder meer ontleend aan Psalm 81. In die psalm wordt' meer bezongen dan het oude "Opent uwe mond" doet vermoeden. De thematiek van de uittocht - pascha - is er regelrecht aan de orde. Zingt ten hemel toe, juicht en jubelt Gode - wie zou niet zingen? De vrijheid is een lofzang waard. Maar ook deze vrijheid is duur gekocht. Zij kwam niet tot stand dan na een nacht van dood en verderf, bloed en tranen. Jezus bekocht het met zijn leven: Christus onze Heer / is voor ons gestorven / en Hij daalde neer /in het doodsgebied ... De gedachtenis blijft tot in het hemelse lofIied: de oude slang, overwonnen door het bloed van het Lam (Op. 12 : 11). En de zangers in hun witte gewaden, het onafzienbare koor, zij hebben hun gewaden gewassen en wit gemaakt in het bloed des Lams. Een vlekkeloos koor voor de troon en voor het Lam - en opnieuw met palmtakken (Op. 7 : 9, 14).

Pascha – voorbijgaan. Passeren. Een gepasseerd worden. Doorgaans een reden tot ergernis. Hier een reden tot lofzang. Zingt ten hemel toe: de doodsengel gaat de deur voorbij. Waar de deurposten aangekruist zijn door het bloed van het Lam, daar zingt men binnen, in witte gewaden, het lied van de vrijheid. En daar wordt gehoopt, gebeden en geloofd: God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Daarmee wordt dat verleden uitgewist – het is verleden tijd, passé defini: wie zou niet zingen?

Van paschapsalm tot paaslied. In een oude liturgie van het kerkelijk jaar wordt op zekere Zondag naast Paulus' paas bericht (1 Cor. 15) het evangelie van "Effatha" gelegd (Mc. 7 :31-37). Lees er het Compendium bij het Liedboek maar op na. Effatha: word geopend! En u weet: dat is Jezus' wóórd tot de doofstomme, na een diepe zucht. Zou Jezus niet zuchten bij het zien van het leed dat hef kwaad had aangericht?
Moest Hij niet huilen soms - zoals bij het graf van zijn vriend Lazarus? Als iemand wist hoe zwaar het lijden van de tegenwoordige tijd weegt, dan toch zeker Hij. Mede lijden - dat was Ietterlijk zijn leven. Maar Hij kwam om te bevrijden en de uittocht uit het doodsgebied op gang te brengen. Hij voorop deed de dood te niet / in de nieuwe morgen.

Men strelend taaleigen penseelt dominee-dichter Willem Barnard het tafereel van Paasfeest. Zonder “effatha” te vergeten. Hoor: Pasen is de dag/ dat de dove lippen / van het stomme graf / Hem, het woord van God, / uit de zwarte dood / in het leven riepen.
Doof en stom – de doofstomme: u herkent, u accepteert het beeld? Maar even later zegt u: lippen zijn toch niet dóóf? Zo argeloos voert de dichter ons mee – tot we bedenken dat doof en doof twee is. Want er zijn ook dove kolen. En dove vingers: vingers die gevoelloos zijn.

Opeens worden de dove lippen welsprekend: wat is gevoellozer dan het kille graf gesloten door een koude steen? En ook: het stomme graf: daar valt niets meer te zeggen, en het zegt zelf ook niets meer. O nee? Maar daar, zelfs daar, juist daar glorieert de majesteit van de levende God. Glorieert daarin; dat de dove lippen van het stomme graf Hem, het woord van God, uit de zwarte dood in het leven riepen. Veelzeggend wordt nu het lege graf: het Woord van God komt weer spreken tot wie gebukt. gaan onder de last. De last van het lijden. Lijden - niet het minst door wat Toch heet de zwarte dood.

Wie zou niet zingen bij de terugblik op en het vooruitzien .naar een leeg graf? Het graf van de zwarte dood is en wordt leeg, achterhaald. achtergelaten. De uittocht uit het doodsgebied is begonnen: "Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die. ontslapen zijn... allen in Christus levend gemaakt. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst (1 Cor. 15 : 20-23).

Wie zou niét zingen? De woorden van de paschapsalm, Psalm 81, en de feestelijke melodie noden er toe. Er valt nu zelfs zoveel' meer te bejubelen: Hij is onze Heiland / wordt zijn lof niet moe! / God' is opgestaan / om de hand te slaan / aan de oude vijand. Van Pascha tot voluit Paasfeest: féést zal het zijn als ook de doden tot het leven zijn geroepen - daartoe zijn we door het Woord geroepen - om de vrucht van de wijnstok nieuw te drinken in het Koninkrijk des Vaders!

1. Zingt ten hemel toe,
juicht en jubelt Gode,
want Hij wordt niet moe
voor ons uit te gaan
als een vuur vooraan
levenden en doden!

2. Christus onze Heer
is voor ons gestorven
en Hij daalde neer
in het doodsgebied,
deed de dood te niet
in de nieuwe morgen.

3.Als een ster zal Hij
boven ons hoofd stralen,
ja, Hij maakt ons vrij
uit het doodsgeding,
uit de wisseling
van de lotgevallen.

4. Maatslag der natuur,
hingloop der getijden,
luistert naar het uur
dat zijn liefde staat,
Hij kwam ons te baat,
Hij zal ons bevrijden!

5. Pasen is de dag,
dat de dove lippen
van het stomme graf
Hem, het woord van God,
uit de zwarte dood
in het leven riepen.

6. Daarom, zingt Hem toe!
Hij is onze Heiland.
Wordt zijn lof niet moe!
God
is opgestaan
om de hand te slaan
aan de oude vijand.


W. Barnard, geb. 1920.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief