Een bundel verhalen van Hans Werkman
1985-04-05
Te midden van de stapel boekjes die ik kreeg om ze eventueel te recenseren, zat ook een bundel verhalen van Hans Werkman. Uiteraard was dat het eerste dat ik ging lezen. Het boekje heet: Meneer Suykerbuyken andere ziekenhuisverhalen. Wie door de titel, net als ik, even moest denken aan Herman Pieter de Boer met zijn Damesorkest en andere stadverhalen moet daar direct maar vanaf stappen: er is geen enkele overeenkomst russen de beide schrijvers.- Jaargang 29
- nummer 14
Een tweede opmerking die ik ook maar meteen wil maken, is het is niet bepaald een boekje om cadeau te geven aan iemand 'die pas in een ziekenhuis ligt. Het is misschien wel iets voor iemand die er net uit is, het is ook iets voor mensen die veel met ziekenhuizen, te maken hebben en die zelf niet in één van de bedden hoeven te liggen: ze zien de zaken dan ook eens van die kant. Er wordt ongetwijfeld veel over patiënten gepraat, er wordt ook wel tégen hen gepraat (wat nog iets anders is dan mét hen), maar in dit boekje komen de dingen nu eens naar voren zoals ze door de patiënten zelf beleefd worden. Er staan elf verhalen in deze bundel, twee daarvan spelen niet echt in een ziekenzaal maar in het verlengde daarvan: de boekhouder die in vrijwel alle verhalen als een soort waarnemer op de achtergrond aanwezig is, maakt de begrafenis mee van iemand met wie hij een tijdlang op een zaal heeft gelegen en hij brengt daarna een bezoek aan een andere ontslagen patiënt die ook een tijd later sterft. De vergankelijkheid van het leven en de dood zijn duidelijk als motieven in het boekje aanwezig. Terecht natuurlijk, want dat kun je verwachten bij verhalen vanuit een ziekenzaal. Dat begint al in het eerste verhaal: "Eén ding heb ik ontvangen". Ik citeer:
Lobach keek de lange Riphagen aan en ging rechtop zitten: "M'n jongen", zei hii zacht; "ik ben bang voor de dood." De zaal hield de adem in. Het taboewoord was uitgesproken.
De man vervolgt even later: "Ik geloof wel in God, dat weten jullie, daar hebben we 't over gehad. Ik geloof de Bijbel van begin tot end en dat is meer dan ze bij ons in de kerk tegenwoordig gewend zijn. Ik geloof ook wat ik niet snap. Maar die dood, nee, dat blijft een beroerd ding. Als we een redelijke dominee hebben hoor ik 's zondags van Gods' oneindige liefde voor zondaren. En zo is het.
Er is nou net een dominee bij ons weg,. die maakte d'r niks van. De helft van de dienst was versjes zingen uit dat nieuwe rooie liedboek. Lang voorspel en lang naspel op 't orgel en ook nog een kwartier preek,een kwartier geleuter. Maar de nieuwe is beter, je hebt hem' vorige week wel gezien, die las tenminste een stukje en hij deed een gebed met je. Die vorige was meer een sociaal werker. Maar nou die dood hè, die smerige dood. Kijk, als ik nou wist dat ik tachtig werd, dan, kon ik nog zo’n zeven en een half jaar onbezorgd leven en de zorgen stelde ik dan uit tot de laatste maanden. Maar ja, zo draait de wereld niet. 's Avonds kan ik niet slapen, want ik denk eraan en als ik 's morgens wakker word, heb je ‘t zelfde weer."
Dat vind ik nou knap van Werkman: zo'n uitlating op papier te kunnen zetten. Ik ben geneigd te zeggen: zoiets bedenk je niet, dat heb je eens echt gehoord. Maar tegelijk moet ik bekennen dat ik moeite heb met wat er daarna volgt:
De boekhouder deed nu zijn boek dicht en zei: "Denkend aan de dood kan ik niet slapen en niet slapend denk ik aan de dood.” Lobach keek hem verbaasd aan. "Jij ook al? Jij bent nog een iongkerel." "Bloem", zei de Boekhouder, "dat waren een paar regels uit een gedicht van ene heer Bloem: Die zat er ook altijd over in. Maar ik heb ook wel wat anders. Toen citeerde hij Gossaert:
"Eén ding heb ik begeerd, één ding hebik ontvangen:
Dat, zo de dood mijn leden zou omvaên,
Ik voor uw aangezicht, o Bron van mijn Verlangen
Niet ledig zoude staan."
Aan het eind van het verhaal schrijft de boekhouder dit nog eens voor Lobach op, "de vier onsterfelijke' regels van Gossaert", zoals in het verhaal wordt gezegd. Als lezer vraag ik me af volgens wie van de verhaalfiguren die regels, van Gossaert "onsterfelijk"
zijn. De boekhouder? Die laat verder helemaal niet merken dat hij werkelijk achter die woorden staat. Ik had trouwens ook wel graag eens willen weten hoe die regels nu echt waardevol kunnen zijn voor iemand die oog in oog met de dood staat. Vandaag heb ik nog eens het graf van mijn ouders bezocht. Op de steen van mijn moeder staat: "De Heer is mijn Herder". En op die van mijn vader: "Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden". Daar gaat iets van uit, maar ik kan, ondanks alle waardering voor Gossaert, met de hierboven geciteerde dichtregels weinig beginnen.
Destijds heb ik ook de begrafenis van Bloem in Paaslo meegemaakt. Ik zie nóg hoe moeilijk zijn vriend Roland Holst het had, ik hoor hem nóg in zijn korte toespraak diezelfde woorden citeren: "Denkend aan de dood kan ik niet slapen en niet slapend denk ik aan de dood." Ik herinner me ook hoe hij eindigde met een ander citaat;
Wat blijft ons over van dit lange derven
dat leven is?
Wat, dat ik nog begeer?
Voor hem en mij een herfst die niet
kan sterven:
zon, mist en stilte, en dan voor
immermeer.
Twee van de zeer groten in de Nederlandse literatuur die tenslotte niets te zeggen hadden! Maar wat begin ik met de "onsterfelijke” woorden van Gossaert? Wat houdt dat in, dat “niet ledig" voor Gods aangezicht ? Uiteraard kan ik zo niet al die verhalen van Werkman bespreken. Maar ze zijn wel de moeite van het lezen waard. Ze zijn soms ook heel scherp. Ik denk dan aan het derde verhaal: Blauw-blauw. Je kunt het je nauwelijks voorstellen dat een dominee zó zijn "plicht" doet en je knikt instemmend bij de woorden van de zuster, ja: "Er zijn herders en er zijn huurlingen".
Ik kan het boekje aanbevelen. De uitgever is Kok in Kampen, de prijs is f 14,90.