"Zij zijn aardsgezind." Filippenzen 3: 19 - 1)
1984-05-25
Aardsgezindheid. Er is sinds de tweede wereldoorlog, en wat ons betreft sinds de vrijmaking, een geweldige aandacht gekomen voor het Oude Testament. Een nieuw Schrift-lezen, wars van alle scholastieke dorheid, leidde daartoe. Ook het verschrikkelijke dat Israël was overkomen stimuleerde in die richting. En laat ik voorop stellen dat we daar veel geloofsverrijking aan te danken hebben.- Jaargang 28
- nummer 21
Het is mooi en adembenemend om het heil stapsgewijs te zien binnenkomen in onze werkelijkheid, dwars tegen alle menselijk verzet en ongeloof in. Het is ook mooi te zien hoe God met zijn heil tot het zijne komt. En dat is waar het Oude Testament zo vol van is: de wereld is van Hèm.
Als in het Hooglied het feest van de lichamelijkheid gevierd wordt, dan is Hij daarbij en 'Jezus is ook genodigd' (Johannes 2 : 2). Zo lijkt in het Oude Testament het heil op de aarde aan te sluiten. We kunnen om zo te zeggen recht doorlopen. Aardsgezindheid en heilsgezindheid lijken in elkaars verlengde te liggen.
Hoe konkreet is wat de Here God voor ons maakt en doet! Ieder onder wijnstok en vijgeboom, zoals de profeet zegt (Zacharia 3 : 10).
Ben ik dan nu niet bezig om met mijn verhaal deze winst weer te verspelen? Deze 'winst van de dertiger jaren'? Dat is niet het geval. Maar wij moeten mijns inziens het beeld wel bijstellen.
Want je kunt vandaag omkijkend ook spreken van een geruisloze verjoodsing van ons geloof.
In deze zin dat de beweging van de Geest die het alles samentrekt naar Christus toe niet wordt gezien. En toch blijkt reeds in het Oude Testament dat in het licht daarvan de aarde een onhoudbare zaak en een onhaalbare kaart is. Ik heb dat aan het begin met de Schriftlezing tot uitdrukking willen brengen. Een Schriftlezing uit het Oude Testament, Jes. 24, volgens de 'Groot-Nieuws '-vertaling. Nergens in de bijbel wordt over de aarde zo hartverscheurend gejammerd als daar. En denk erom, met deernis! "Maar ik roep: Wat moet ik beginnen? Het is met mij gedaan, het is met mij gedaan!", vers 16. Deze vertwijfelde woorden zijn van de profeet als hij zich de kritieke toestand van de aarde realiseert.
Geen sprake van enig leedvermaak!
Natuurlijk niet! De bijbel heeft ons niet voor niets de smaak van de aarde in de mond gegeven. Dat was ook geen vergissing van de Schepper. Wij moeten door alles heen die oorspronkelijke smaak zuinig bewaren.
De prediking van de Schrift is dus zeker niet aarde-vijandig.
Maar dat neemt niet weg dat het bederf van de schepping zonder verschoning aan het licht wordt gebracht: "De mensen hebben de aarde verziekt ... ", vers 5, en dat voor haar geen toekomst voorzien wordt: "De sluizen van de hemel gaan open, de aarde wankelt op haar fundamenten.
Zij schudt en schokt, kraakt in haar voegen, waggelt als een dronken man, is wrak als een schuilhok in het veld. Ze gaat gebukt onder haar zonde. Ze komt ten val en kan zich niet meer oprichten", de verzen 18-20. De zich openende sluizen van de hemel duiden aan dat er zich een soort herhaling van het zondvloed-oordeel aan de wereld voltrekt, zij het ook zonder water.
Ook hier is het weer zo dat, evenals in psalm 46, Sion het vaste punt is dat niet in deze turbulentie wordt betrokken.
"Want de almachtige Heer is koning, koning in Jeruzalem op de berg Sion, vandaaruit ontplooit Hij zijn macht voor de ogen van de leiders van het volk; vers 23.
In de volgende hoofdstukken van Jesaja wordt dan ook vanuit dat Sion naar de vernieuwde schepping, die zich aan de overzijde van de dood baanbreekt (25 : 8; 26: 19) toegezongen.
Van Sion breidt zich het land naar alle kanten uit (26: 15).
Zulke beelden mogen we niet vergeten als we het Oude Testament lezen. Het 'blijft de aarde trouw', dat ons zo oudtestamentisch in de oren klinkt. krijgt hier toch wel een zeer eigen invulling.
En het geloof in 'God, de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde' heeft om staande te blijven zeer nadrukkelijk het vervolg van het Credo nodig: ' ... èn in Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon. .. ten derden dage wederom opgestaan van de doden ... '.
Paulus zegt in de buurt van het woord over de 'aardsgezindheid', (waarmee ook hij waarschuwt tegen de verjudaïsering of verjoodsing van ons geloof): "Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit we ook de Here Jezus als verlosser verwachten", Philippenzen 3: 20.
Letterlijk staat er: 'ons burgerschap is in de hemelen'. 'Ons burgerschap' - het woord werd in Paulus' dagen gebruikt door emigranten die de hoop levend hielden, altijd nog eens naar het moederland terug te keren. De stad Philippi was een romeinse kolonie. De mensen zeiden: ons burgerschap is in Rome. Daarmee spraken ze uit waar ze met hun hart zaten. En dat kwam uit in hun hele manier van leven, en in het bijzonder in hun politieke belangstelling en voorkeur. Zoals 'burgerschap' dan ook een politiek woord is; je kunt dat aan het grieks nog horen: 'politeuma'.
Welnu, in de hemel, waar Christus is, ligt óns thuisland en heel onze kijk op de wereld en onze omgang met het leven is daardoor gekleurd. De hemel van Christus is maar niet een toegevoegde waarde aan het leven dat we hoofdzakelijk hier leiden en waar ook eigenlijk het hoofdaksent op valt. Nee, vanuit ons eigenlijke thuis zien we de wereld waarin we leven als een voorbijgaande tijd, als het oneigenlijke leven. Het is, zoals ergens elders in het Nieuwe Testament staat, 'de tijd die nog rest in het vlees' (I Petrus 4 : 2), of het 'voor zover ik nu (nog) in het vlees leef' (Galaten 2 : 20).
Wat een voorlopigheidsbesef ligt in zulke uitdrukkingen opgesloten!
De aardsgezindheid die Paulus hekelt kenmerkt zich hierdoor dat godsdienst en politiek-van-deze-
wereld samenvallen. Daarbij is die politiek het belangrijkste en godsdienst een van de middelen om politieke doeleinden te bereiken. Daarom is dat politieke woord 'burgerschap' van Paulus hier zo gevoelig.
Want dat woord maakt het totaal onmogelijk om bijbelse godsdienst en politiek hier op aarde te laten samenvallen. Onze godsdienst is hemelse politiek, dat zegt Paulus hier eigenlijk.
En deze opstelling zal ons als christenen voor de aardse politiek tenslotte onbruikbaar maken.
Daar hoeven en mogen wij het zelf niet op aan sturen, maar "de overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets", zei Jezus (Johannes 14 : 30). En wat van de Christus geldt, dat geldt ook van de christenen. Naarmate de wereld steeds meer in de overlevings-psychose en in de zelfverlossingswaan verstrikt raakt en op deze manier tot wereld wordt onder de overste van deze wereld (dat is de duivel), in die mate zal het ook waar worden dat deze overste der wereld met zijn wereldpolitiek komt en daarbij niets heeft aan christenen met hun hemelpolitiek.
'Ons burgerschap in de hemelen', - dat betekent immers dat wij niet 'in' zijn voor zenuwachtige slogans als: "één wereld of géén wereld!", of: "de atoomwapens de wereld uit, te beginnen bij Nederland !". Want of die wereldeenheid er nu is of niet, en of die atoomwapens nu afgeschaft zijn of niet, daar verandert onze toekomst niet wezenlijk door. Wij leven immers al in een wereld die één is en geen verschrikkelijke wapens kent. Het is de toekomende.
Dáár ligt ons burgerschap en dáár gaat dus onze politieke belangstelling naar uit. Dat blijkt nog het duidelijkst als we bidden: uw koninkrijk kome. Er is eigenlijk geen politieker gebed dan dat en het maakt dat onze opstelling zo radikaal anders is dan die van de wereld, ook al zijn er punten van uiterlijke overeenstemming met de politici van deze wereld, te linker en te rechterzijde.
Genoeg nu. Wij moeten bij de konkreetheid van het Oude Testament starten en dan zien hoe alles in koncentrische bewegingen bij Christus gebracht wordt.
Dat betekent ook dat alle beloften van de Schrift uiteindelijk de weg van Christus moeten gaan, de weg van het stervende tarwegraan.
En pas voorbij dat punt zal de Here met ons de vrucht van de wijnstok nieuw drinken in het koninkrijk zijns Vaders (Markus 14 : 25).
'Nieuw', dat is ook 'anders' leerde professor Jager ons.
1) Slot referaat Opbouw vergadering.