Het grote feest

1985-04-12
  • Jaargang 29
  • nummer 15
Jongelui,
Wij ouderen hebben vandaag wat extra's in de kerk. Avondmaal. En daarom heb ik mijn best gedaan dat er voor jullie ook iets bijzonders is. De preek heb ik speciaal voor jullie gemaakt.

Het gaat een beetje over het avondmaal, maar dan over het avondmaal zoals we dat eens met zijn allen zullen vieren. Met alle kinderen van God van heel de wereld.
Als de Here Jezus is teruggekomen, Bij elk avondmaal hier zeggen we dat al tegen elkaar: één keer zullen we het helemaal echt vieren. In de hemel. Met de Here Jezus erbij. En daar worden we, dan erg blij van, als we daaraan denken. En stel je dan eens voor dat er dan één grote tafel zal staan.
En dat in het midden de Here Jezus zal zitten. Zou jij dan wel naast Hem willen zitten? Heel dicht' bij Hem? Misschien ben je daar wel te verlegen voor. En durf je niet goed. Terwijl je het toch eigenlijk best zou willen. Zo gaat het met de grote mensen in de kerk ook. Ik ook. Ik zou dat best willen. Maar tegelijk krijg ik een kleur als ik eraan denk, dat ik dat zou mogen: Naast de Here Jezus zitten op het grote feest. Geweldig!

Nu ga ik jullie vertellen van twee mensen die dat ook zo heel erg graag wilden. Grote mannen waren het al. Het waren twee. broers. En de één wilde links en de ander wilde rechts van de Here Jezus zitten. Eens op het grote feest. Maar ze durfden dat niet zelf te vragen aan de Heiland. Toen zei hun moeder: zal ik het dan voor jullie vragen? En dat deed ze.

Eigenlijk een beetje gek, hè? Maar grote mensen zijn soms net kleine kinderen. Ook grote mensen kruipen soms nog wel eens achter hun moeder weg: Als kind moet je dan wel eens om zulke grote mannen lachen. Ze doen dan wel stoer, maar ze hebben soms ook maar een heel klein hartje.
Deze twee broers ook. Maar wat ze wilden was wel erg mooi van ze.. Daaraan kon je Zien dat ze veel van' de Here Jezus hielden. Maar de andere discipelen vonden het helemaal niet mooi van ze. Die werden er boos om. Die zeiden: ja, zeg, dat zouden jullie zeker wel willen! Twee broers uit één gezin en dan allebei naast de Here Jezus zitten? Wat verbedden jullie je wei! Nou, dat was wel een beetje waar. Het was ook wel wat brutaal om zo voorgetrokken te willen worden.

Vlak naast de Here Jezus zijn maar twee plaatsjes vrij. Dat is niet veel. En dan allebei die plaatsjes te willen hebben, nee dat is niet erg bescheiden. Toch moet je niet denken dat de andere discipelen nou zoveel minder brutaal waren dan die twee. Eigenlijk waren ze net zo gehaaid als die broers. Je zou tegen ze kunne zeggen: wat je zegt, ben je zelf. Zo gaat dat vaker. Iemand doet iets verkeerds en jij zegt: eh…dat mag niet! Maar dat zeg je dan niet omdat je het zo erg vindt, maar omdat jij dat verkeerde eigenlijk zelf had willen doen. Maar je was net te laat. De ander was je net te glad af. Of zoiets.

Daarom moeten we ook maar niet meedoen met de andere discipelen die zo boos waren op lelie twee. Dat boos worden was eigenlijk een beetje schijnheilig. Nee, het is veel leuker om te letten op het mooie van die broers.

Want: Dichtbij de Here Jezus willen zijn is erg mooi. Dart houd je erg veel van Hem. Eigenlijk hadden die tien moeten zeggen: Willen jullie dát zo graag? Wij ook!

Laten we het met zijn allen aan Hem vragen. Hij heeft vast wel een fijne oplossing voor ieder van ons. De Here Jezus heeft die twee vragende mannen met hun moeder geen standje gegeven. Hij heeft niet boos gezegd: wat verbeelden jullie je wel! Dat is altijd zo fijn bij de Here Jezus! Als wij iets doen en er zit een mooie en een lelijke kant aan, dan gaat Hij altijd eerst op die mooie kant in. De Here Jezus wil altijd eerst het goede opmerken. Dat wij Hem liefhebben, dat wil Hij vooral zien. Daar let Hij het allermeest op. En daarom gaat Hij gewoon op de vraag van de twee broers in. Hij zegt: Jullie willen dat nou zo graag hè, en Ik kan het begrijpen, want het is ook mooi. Ik vind het Zelf ook mooi. Maar hebben jullie wel bedacht, dat er ook iets moeilijks aan zit; aan dat zitten naast Mij? Als je heel dicht bij Mij wilt zijn, weet je wie daar erg kwaad om wordt? Precies, de duivel. Want die Heeft een ontzettend grote hekel aan Mij.
En die kan het niet hebben als iemand uit liefde heel dicht bij Mij wil zijn. Dan zegt hij: Wacht even, dat zal ik. hem eens afleren om van deHere Jezus te houden! Ik ga maken, dat wie Jezus lief heeft, het erg moeilijk krijgt in zijn leven.
Zo moeilijk dat !hij niet langer bij de Here Jezus wil horen.
Hebben jullie dat wel bedacht, vraagt Jezus, dat je, omdat je dit wilt. een heel moeilijk leven zult krijgen?

Ja hoor, zeiden Jaap en Jan (want zo heetten die broers: Jakobus en Johannes), ja hoor, zeiden ze, dat begrijpen we heel goed en dat hebben we er graag voor over.
Eigenlijk wisten ze niet goed wat ze zeiden. Maar het was wel weer heel mooi, dàt ze het zeiden, dat ze zoveel over hadden voor de Here Jezus.

Maar het is waar: ze konden niet vermoeden wat het betekende dat het niet alleen maar iets fijns was, dat zitten naast Jezus. Hadden ze dat wel gedaan dan zouden ze misschien wel wat voorzichtiger geweest zijn. Want je moet weten, dat deze twee broers later allebei door boze mensen dood gemaakt zijn omdat ze bij de Here Jezus hoorden.
De één toen hij nog een jonge vader was en de ander toen hij al een oude man geworden was. Allebei dood gemaakt.

De Here Jezus wist dat wèl. Toen die twee zo vlot zeiden: ja, hoor, dat hebben we er graag voor over toen keek Jezus hen wat langer dan gewoon aan en zei: ja, jullie zullen het inderdaad erg moeilijk krijgen omdat je bij Mij hoort. Maar wat die plaatsen betreft vlak naast Me, kijk, jongens, daar ga ik eigenlijk niet over. Dat zal nog een verrassing zijn wie daar komen te zitten. Toch heeft de Here Jezus toen verder nog iets gezegd waaruit we kunnen opmaken dat Hij er meer van wist. Want als we daar goed naar luisteren, merken we, dat er volgens Hem méér dan twee plaatsjes vlak naast Hem zijn.

Ik zei al: twee plaatsjes, dat is niet veel. Dan kunnen er op die mooiste plekjes maar twee zitten.
Dat is weinig. Dan kunnen we daar maar beter helemaal niet naar verlangen. Want dan zullen wij toch wel teleurgesteld worden. Dan gaan anderen voor. Je vader of je moeder of de ouderlingen in de kerk.

Maar de Here Jezus heeft eigenlijk dit gezegd (en ik denk dat Hij daarbij lichtjes in zijn ogen had omdat Hij inwendig een beetje moest lachen Hij zei: Wie het meest om de anderen denkt, die heeft de grootste kans op zo'n mooi plekje.

Ah, zeg je, hoe kan dat nou? Je moet juist om jezelf denken!
Hoe krijg ik die plaats? Anders komt er toch niets van terecht? Zogaat het toch altijd in het leven? Als je niet aan jezelf denkt, kom je achteraan te staan.
Dan gaan anderen altijd weer voor en schiet er niets voor jou over. Daarom moet je handig zijn en er juist bovenop zitten.

Nee, zegt de Here Jezus, het is toch echt zoals Ik je zeg. Nog eens: Wie het meest om de anderen denkt. 'die heeft de grootste kans op zo'n mooi plaatsje.
Doe dat nou maar. Dan ben je een goede discipel van Mij. Want Ik doe dat ook. Kijk maar naar Mij. Hoe kom Ik op de eerste, de mooiste, de beste plaats?
Daar in het midden? Hoe kom ik daar? Door voor Mezelf op te komen? Door vooraan te' dringen? Nee' toch? Juist omgekeerd, ik wil de laatste zijn. Ik ga zelfs sterven voor jullie. Dat jullie maar in de hemel mogen komen. Daar geef Ik Mijn leven voor. En zo kom Ik op de eerste plaats.

Nu, zo moeten jullie ook aan de anderen denken, je best doen voor de anderen, het goede zoeken voor de anderen, blij zijn om de anderen, bidden voor de anderen: En dan zal je merken dat ieder van jullie het mooiste plaatsje in de hemel krijgt dat er is.
Ah, dat kan niet, zeg je. Er is toch maar één plekje dat het mooiste is?: Of misschien twee. Maar niet allemaal het mooiste plekje! Dat is onmogelijk. Maar Ik zeg je: dat is toch waar: Want de hemel, dat is de plaats waar elk plekje het mooiste plekje is. Dat bestaat hier op aarde niet, daar heb je gelijk in.Maar dat bestaat inde hemel wel.

Wij kunnen daar allemaal het mooiste plekje krijgen dat er is. We kunnen daar allemaal de eerste zijn. Als we hier de laatste hebben willen zijn: En nu zal ik je nog uit de bijbel zèlf voorlezen wat ik verteld heb: Mattheüs 20 : 20-28. Niet uit de kinderbijbel dus, maar echt in de grote mensentaal. En dan zal je merken dàt je er toch best wel wat van begrijpt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief