Wat is heel Israël?

1984-05-25
  • Jaargang 28
  • nummer 21
Het vorig jaar is er nog al wat afgehandeld over "heel Israël". Geen wonder. Het volk Israël is een heel bijzonder volk; immers een door God de Heere van oudsher zeer gezegend volk; een door God met grote beloften overladen volk; en een volk dat we zoeken.

Waarom zoeken? Omdat we het kwijt zijn. Want wie kunnen onder "heel Israël" worden verstaan? Dat zijn eerst álle nakomelingen van Israël (of [acob), Dat kunnen ook zijn: alle afstammelingen van het Tienstammenrijk, dat in de Bijbel met Israël wordt aangeduid - in tegenstelling tot het Tweestammenrijk, dat in de Bijbel Juda genoemd wordt. Zo zouden ook, overdrachtelijk gesproken, alle Christgelovigen kunnen heten, die "in Israël ingelijfd zijn", om met psalm 87 te spreken. Dus, wanneer we over "heel Israël" spreken, moeten we eerst vaststellen waar we het over hebben.

Nu, dat is niet moeilijk. We willen graag spreken over heel Israël, in zijn ruimste en meest directe betekenis: alle afstammelingen van Israël, de zoon van Izaäk, de zoon van Abraham. Het mag duidelijk zijn waarom. Omdat in Romeinen 11 : 25, 26 gesproken wordt over "de heidenen" enerzijds en "geheel Israël" anderzijds; de laatsten hebben door hun ongehoorzaamheid Gods genadegaven verspeeld, waarom aan de heidenen Gods genade gepredikt werd; maar dat "geheel Israël" zal, wanneer het zich eenmaal van zijn ongeloof bekeert, in zijn geheel weer in genade worden aangenomen. Dat is de toekomst, die ons wordt aangekondigd. Daar mogen we op rekenen.

Geheel Israël bestaat dus uit "Juda" en "Israël"; dat wil zeggen uit het Tweestammenrijk, dat onder Rehabeam zijn geschiedenis begon; plus het Tienstammenrijk, dat onder Jerobeam een aanvang nam.
Het eerste is in ballingschap gevoerd naar Babel, in het jaar 586 vC.; waarvan maar een klein gedeelte is teruggekeerd, dat sedertdien onder de naam Joden is bekend gebleven. Het laatste is al in het jaar 721 vC. in Assyrische ballingschap gevoerd, waarna we het uit het oog verloren.

Gemakshalve wordt, wanneer we over Israël spreken, gedacht aan de kleine groep, die uit Babel is teruggekomen: de Joden dus. Dat kan alleen maar onjuist zijn. Wanneer aan schrijver dezes gevraagd wordt, in dit land: u komt meen ik uit Holland? - dan is zijn antwoord: eigenlijk uit Nederland. En zegt men: maar dat is toch hetzelfde?- dan antwoordt hij: Nederland is voor twee-twaalfde Holland, voor tientwaalfde niet-Holland.

Zo kunnen we ook zeggen: [uda (het Tweestammenrijk) beslaat slechts tweetwaalfde van Israël; en dat is dan nog sterk naar boven afgerond. Om verwarring te voorkomen moeten we scherp op dit onderscheid letten. Zelfs sprekers en schrijvers over dit onderwerp blijken niet altijd attent te zijn op het grote verschil.

-0-

Paulus, die zich heiden-apostel bij uitnemendheid noemde, hoopte met zijn werk voor de heidenen geheel Israël jaloers te maken en tot de Heere terug te brengen. Want, zei hij, God heeft zijn bondsvolk niet verworpen; God komt niet op zijn beloften terug 1). Ze zijn en blijven geliefden om der vaderen wil.

Welke beloften dan wel? En wie zijn die geliefden dan wel? En ... als God de Heere zekere mensen beloften schenkt en hen (om redenen die alleen Hem aangaan) liefheeft, zouden wij ze dan niet moeten liefhebben? Nu stapelen de: vragen zich op, in dier mate dat zelfs professionele Schriftgeleerden het niet meer met elkaar eens zijn.
Greydanus contra Calvijn, dr D. Holwerda tegenover drs H. de Jong.

Natuurlijk gaat het niet aan, Romeinen 11 te vergeestelijken in die zin, dat - bij afwezigheid van de Tien Stammen - alle bekeerde heidenen in hun plaats "geheel Israël" kunnen gaan heten. Zo maken we ons van Gods beloften af en nemen Hem in bescherming, wanneer Hij zijn woord niet kan nakomen. God heeft prachtige dingen toegezegd aan ons, die voorheen heidenen waren. Maar hij heeft nog schoner dingen beloofd aan hen, die de Tien Stammen waren ... en zijn! We moeten beide categorieën beloften geloven - of beide niet-geloven. Want een volk van zoveel beloften raakt niet zomaar zoek. God zal zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig zijn verbond gedenken. Gods beloften garanderen, dat de dragers van die beloften bestaan, wis en waarachtig.

Het moet toch op zijn minst merkwaardig heten, dat ons christenvolk zich zo weinig aan die geliefden-om-der-vaderen-wil gelegen laat liggen.
We zullen Gods oogappel moeten liefhebben, jawel; maar als we niet weten waar die zit, hoe die er uitziet en óf die wel ergens zit, dan wordt dat wel een koude, Platonische liefde; een creditpost in rekening-courant, die meteen wordt afgeschreven. Laten we dat alstublieft als een schuld mogen ervaren!

We staan er immers voor in, dat Gods beloften alle in vervulling gaan. Dat is onze enige troost in leven en sterven. Geen woord van God valt ter aarde, gaat verloren. Maar het is een niet-werkzaam geloof, wanneer wij die vervulling als onmogelijk beschouwen. Immers als dat Tienstammenrijk nergens te vinden zou zijn, zou God moeilijk de vervulling van zijn beloften kunnen geven; dan zouden wij dat volk moeilijk onze liefde kunnen bewijzen. En zo bepalen we ons maar tot de kleine groep Joden, waarvan we zeker weten dat ze geliefden om der vaderen wil zijn - en zwijgen de overgrote meerderheid van heel Israël, Gods bondsvolk, dood.

-0-

Er is in het verleden veel en op velerlei wijze gespeurd naar de "verdwenen" tien stammen. Er zijn boeken over volgeschreven. Er zijn wetenschappelijke theorieën over opgebouwd. Zelfs zijn er landen en volken aangewezen - en meteen door anderen weer afgewezen.
We gaan u nu niet vertellen waar u zijn moet - u mag dat zelf wel vinden. Maar we willen wel graag op de Bijbel wijzen, die ons nooit in de steek laat; die een licht is op ons pad, een lamp voor onze voet.

Laten we eerst eens naar enkele duidelijk geadresseerde beloften zien.
U kent de belofte aan Adam en Eva, de belofte aan Noach, de beloften aan Abraham, Izaäk en Iacob, vooral de laatste. Al die beloften gelden niet bepaalde personen privé - maar zijn bedoeld voor de gehele mensheid, de Gods beeld dragende mens. "In u zullen alle volken der wereld gezegend worden", gold bij al Gods beloften. (Dat geldt dus ook voor de huidige christenheid; die niet tot een kneuterig broeder-en-zuster-clubje mag inkoken - maar een licht voor de wereld mag zijn, een stad op een berg, een zoutend zout, heilbrengend aan een totale wereld.)

Met dit universele doel voor ogen schonk God de Heere diverse beloften, geadresseerd aan personen en stammen. Met die geadresseerde beloften bedoelen we mede de zegen van Iacob aan zijn 12 zonen 2); de zegen van Mozes aan de 12 stammen 3); en niet minder de beloften van wederkeer na ballingschap, al 700 jaar tevoren aan Mozes gegeven 4). "AI waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, de Heere uw God zal u van daar terugbrengen" 5). Nu even in het midden gelaten, dat de Twee Stammen lang niet voltallig uit Babel zijn teruggekeerd, moeten we bedenken dat de Tien Stammen tot nu toe volstrekt niet zijn teruggekomen uit Assyrische (of verdere ... ) ballingschap. Hoe kan dat? Zou God zijn genade vergeten?
Of golden die beloften niet voor het zondige Tienstammenrijk?

Die beloften zijn ook en terdege geadresseerd aan het Tienstammenrijk.
In Deuteronomium 6) beloofde de Heere door Mozes' mond: "De Heere zal recht doen aan zijn volk en Zich ontfermen over zijn knechten; wanneer Hij ziet dat hun kracht vergaan is, van hoog tot laag allen hun einde hebben gevonden". En even later 7) "Jubelt gij natiën om zijn volk, want Hij wreekt het bloed van zijn knechten, Hij oefent wraak aan zijn tegenstanders en verzoent zijn land, zijn volk". Zulke beloften kunnen tijd en eeuwigheid verduren, maar zullen eens worden vervuld.

Nog veertig jaar voor de eerste wegvoering profeteerde Amos 8): dat Hij een keer zou brengen in het lot van Israël, dat ze op eigen grond zouden worden teruggebracht, hun eigenverbouwde vruchten zouden eten en niet weer "uitgerukt" worden uit het beloofde land. Dat gold voor heel Israël, alle 12 stammen.

Bij Jesaja 9) werd die belofte nader gepreciseerd: Efraïm (Israël in het Tienstammerijk) zou niet meer afgunstig worden bezien, Juda (het Tweestammenrijk) niet meer benauwd worden; ook zouden ze elkaar niet meer lastig vallen. Zowel de verdrevenen van Israël als de verstrooide dochters van Juda zouden bijeengebracht worden (niet slechts uit Babel, maar) van alle einden der aarde 10), en ze zouden een licht voor de volken worden, opdat Gods heil tot het einde der aarde zou reiken 11).

Niemand zegge: deze dingen zijn (voor zover mogelijk ... ) vervuld in het oude testament. Want bij Jeremia 12) blijkt, dat de belofte vervuld zal worden in het nieuwe testament, dat is de bedeling waarin wij leven.

Maar in Jeremia's profetie worden we nog veel meer gewaar. "Ik ben Israël tot een Vader en Efraïm is mijn eerstgeborene. Efraïm is Mij een lievelingszoon, een troetelkind. Ik moet, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig aan hem denken. Daarom is mijn binnenste over hem ontroerd, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen". Dit sprak de Heere en profeteerde Jeremia, toen het Tienstammenrijk ... al honderd jaar in ballingschap was! Dat was toch geen retorische taal?
Hebt u ooit zulke tere woorden gehoord? Efraïm: eerstgeborene, lievelingszoon, troetelkind? Klinkt dat niet poëtisch?

Maar denk eens na. Toen Jacob zijn zonen zou gaan zegenen, nam hij eerst de geliefde zoon Jozef met diens kinderen apart. Hij adopteerde Jozefs zonen Efraïm en Manasse als zijn eigen kinderen; maakte daarmee Jozef tot "oudste zoon", want Jozef kreeg een dubbel deel, zijn beide zoons gingen als stammen meetellen. Ruben had het in de familie immers goed verbruid, had zijn eerstgeboorterecht verspeeld 13). In zijn plaats kwam Jozef, de geliefde zoon van Rachel, de man die de stammen een plaats in Egypte had bereid 18).
Ook Benjamin was van Rachel, maar Jozef ging voor. En van Jozefs zonen ging de jongste, Efraïm, voor. De "eerstgeborene" was dus niet Ruben maar Efraïm. De lievelingszoon Jozef werd voortgezet in Efraïm. Het troetelkind Jozef werd belichaamd in Efraïm. De belofte van de "vele volken, die in hem gezegend zouden worden", ging van Abraham via Jacob, via Jozef, naar Efraïm. Diens nageslacht zou een "volheid van volken" worden 14), zoals aan Abraham was beloofd. En dat troetelkind zat al 100 jaar in ballingschap, toen Jeremia dit troostrijke woord des Heeren doorgaf. Moeten we, juist vanwege die hachelijke omstandigheden, Gods woord hier niet serieus nemen?

Ezechiël profeteerde nog later (130 jaar na de wegvoering 15): "neem een stuk hout voor Juda en een stuk hout voor Jozef (Efraïm, tien stammen) en voeg ze samen tot één hout". "En Ik zal hen tot één volk maken op de bergen van Israël en één koning; niet langer twee volken en twee koninkrijken ... " Deze profetie gold voor het hele volk Israël, voor de twaalf stammen. Evenals "Ik zal een keer brengen' in het lot van Jacob en Mij ontfermen over het hele huis van Israël 16).

Tenslotte noemen we nog Zacharia 17), die profeteerde toen Juda al terug was uit Babel, en het Tienstammenrijk al bijna 2 1/2 eeuw in ballingschap verkeerde: "Zo zal Ik het huis van Juda sterken en het huis van Jozef (= Israël) verlossen". "Zij zullen worden alsof Ik hen niet verworpen had".

Wie Gods beloften serieus neemt denke hier over na. Want geloven betekent: op Gods beloften vertrouwen, ze niet weg-exegetiseren. En beloften die nog niet vervuld zijn roepen bij ons de spanning van het geloof op.

(We gaan verder, wanneer daar weer plaats is.)

I) Rom. 11 : 28, 29 - 2) Gen. 49 - 3) Deut. 33 - 4) Deut. 30 : 3 - 5) Deut.
30: 4 - 6) Deut. 32: 36 - 7) idem: 43 - 8) Amos 9: 14, 15 - 9) Jes. 1110) die term "de einden der aarde" reikt veel verder dan Assyrië, evenals "kustlanden, verre eilanden en eilanden der zee". Deze uitdrukkingen hebben een aparte lading en slaan zeker niet op het Noordelijk Assyrië. - 11) ook Jerem. 3: 18 - 12) Jer. 3: 16 - 13) Gen. 49: 4 - 14) Gen. 48: 19 - 15) Ez.
37 : 15 - 16) Ex. 39 : 25 - 17) Zach. 10: 6 - 18) persoonlijke voorkeur van Jacob? Vleselijke willekeur? Geen sprake van, een geloofsdaad. In Hebr. 11 : 21 de enige geloofsdaad, die van Jacob genoemd wordt; vermoedelijk dus zijn beste.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief