Veertig dagen (Handelingen 1: 3)
1984-06-01
De hemelvaart van Jezus gebeurde 40 dagen na zijn opstanding. In die 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart heeft Jezus tot zijn discipelen gesproken over de dingen van het Koninkrijk van God, zoals Lukas in Handelingen 1 : 3 het heel kernachtig samenvat: Voordat Jezus teruggaat naar Zijn hemelse Vader moeten zijn leerlingen nog eens bepaald worden bij datgene wat Jezus tijdens zijn omwandeling op aard steeds verkondigd heeft: Het Koninkrijk van God, in zijn alomvattendheid.- Jaargang 28
- nummer 22
Gedurende 40 dagen is Jezus aan zijn discipelen verschenen om hun duidelijk te maken wat zij moeten gaan doen, als Hij straks niet meer bij hen is; dan moeten ze, in de kracht van Zijn Geest, dat Koninkrijk van God gaan verkondigen. Hij zal met hen zijn tot aan de voleinding der wereld. Hij zal door Zijn Geest het geloof wekken op hun prediking. Hij zal hen bijstaan bij het leren onderhouden van alles wat Hij hen bevolen heeft. Tijdens alle gesprekken die Jezus gevoerd heeft met zijn discipelen in die 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart kwam niet alleen het verleden, maar vooral ook de toekomst in het blikveld: De Hemelvaart van Jezus vormt de verbindende schakel tussen het verleden en de toekomst van Gods heilshandelen. Immers met de Hemelvaart is Gods heilshandelen niet afgelopen, nog niet afgerond. De Heilige Geest moet nog komen. En daarom beveelt Jezus zijn discipelen om in Jeruzalem te blijven en te wachten totdat ze met de kracht van de Geest zijn toegerust om het Koninkrijk van God te verkondigen.
Getallen
Er wordt met een zekere nadruk in Handelingen 1: 3 verteld over de duur van het spreken van Jezus: gedurende veertig dagen verscheen Jezus aan zijn discipelen.
Over dat getal "veertig" en andere getallen wordt veel gespeculeerd.
Nu is het in het algemeen menselijk verkeer ook wel zo, dat bepaalde getallen óf de voorkeur krijgen óf bij mensen tegenzin oproepen. Als mensen zelf een getal moeten kiezen, bij een loting b.v. of bij kamernummers in een hotel of iets dergelijks, bestaat er vaak een zekere tegenzin tegen getallen als 'elf' en 'dertien' en een voorkeur voor 'zeven'. Zowel tegenzin tegen als voorkeur voor bepaalde getallen berust vaak op bijgeloof of op het dikwijls horen noemen van die getallen in een bepaald verband. In dit verband spreekt men dan van 'geluksgetallen" en "ongeluksgetallen', of zelfs van 'heilige' getallen.
Veel mensen hebben geloofd en geloven nog, dat bepaalde getallen een bijzondere betekenis hebben. Maar we moeten wel beseffen dat de Bijbel ons hierover geen uitsluitsel geeft. Wat getallen, die wij 'geluks'- of 'ongeluksgetallen' noemen of zelfs 'heilige' getallen, betreft, kunnen we niet verder gaan dan te zeggen dat bepaalde getallen in de Bijbel steeds in een bepaald verband voorkomen en dat dat verband bepaald niet toevallig is.
En daarmee wordt ons ten diepste de mogelijkheid ontnomen om met die getallen aan het rekenen en berekenen te gaan of liever gezegd aan het goochelen en voorspellen.
Veertig
Het getal veertig blijkt zo in de Bijbel op een opvallende manier voor te komen in verband met een zekere tijdsruimte. Maar nergens staat erbij, waarom nou juist véértig en niet twintig of dertig. We kunnen dan ook niet meer zeggen dan dat al die perioden in de Bijbel waarbij het getal veertig genoemd wordt een opmerkelijke parallellie vertonen.
Maar dat is dan ook zeer veelzeggend: een tijd die in veertig kan worden ingedeeld is altijd een overgangstijd, een tijd van voorbereiding op het definitievere wat erna komt.
De Bijbel biedt daarvan voorbeelden te over: de verzoeking van Jezus in de woestijn, Israëls zwerftocht door de woestijn op weg naar het beloofde land, de uitdaging van Goliath ten opzichte van de slagordes van Israël (1 Samuë117 : 16), de zondvloed (Genesis 7 : 17), de twaalf verspieders (Numeri 13 : 25).
In al deze gevallen kunnen we spreken van een voorbereiding op of een overgang tot het eigenlijke dat erna komt. Maar het kan natuurlijk ook heel goed zijn dat er ook in de Bijbel perioden van 40 kunnen voorkomen, waarin het getal er niets toe doet.
Mozes (veertig dagen bij God)
Eén voorbeeld van 40 dagen als voorbereiding uit het O.T. heb ik in het voorgaande niet genoemd, omdat ik daar wat uitgebreider op wil ingaan.
In het leven van Mozes zijn eenmaal 40 dagen van heel grote betekenis geweest: de veertig dagen op de berg, waarover in het boek Exodus uitvoerig verteld wordt en waarop Mozes zelf in het boek Deuteronomium (9 : 11) op terug kijkt: Veertig dagen in de onmiddellijke nabijheid van God, dagen die lang duurden in de ogen van het volk, dat dacht dat Mozes nooit terugkwam.
Maar voor Mozes zelf zal die tijd als een ademtocht voorbij gegaan zijn.
Na die veertig dagen kwam Mozes weer onder de mensen, maar als een ander mens, dit dan niet alleen wat het uiterlijk betreft.
Hij was immers bij God in de leer geweest. God had hem de wetten gegeven, waarvan de tien geboden in steen gegrift waren en al de andere in Mozes' hoofd en hart. In die veertig dagen had
Mozes gehoord, hoe het volk Israël in de praktijk Gods volk moest zijn en zijn roeping moest vervullen. In die veertig dagen was de grond gelegd voor de wet: de nieuwe wijze van leven.
Onze levensstijl (na Jezus' hemelvaart)
Eenzelfde soort voorbereiding zien we voor de discipelen in de veertig dagen, die liggen tussen de opstanding en de hemelvaart van hun Heer. Veertig dagen van teruggetrokkenheid, waarin Jezus zich aan hen vertoonde en met hen sprak over alles wat Gods koninkrijk betreft; veertig dagen waarin de grond gelegd werd voor de prediking, die de apostelen later moesten gaan verrichten; veertig dagen die eindigden met de scheiding: Jezus werd in de hemel opgenomen, en na nog tien dagen wachten richtten de discipelen zich tot het volk, zoals Mozes dat eerder ook gedaan had, en verkondigden de nieuwe wijze van leven, waarin de mensen werkelijk Gods volk zouden kunnen zijn en hun roeping vervullen.
Zo werd in die veertig dagen van omgang met hun Heer de levensstijl van de discipelen voorgoed gevormd, een levensstijl die ze later ook uitgedragen hebben, en die ook de onze mag en moet zijn, die gevormd kan worden in de omgang met Hem, onze opgestane en opgevaren Heer, een levensstijl die alles te maken heeft met de vervulling van de wet van het Koninkrijk van God.