Het einde als een eeuwig nieuw begin

2006-01-20
  • Jaargang 50
  • nummer 2
Precies een jaar terug begon de leesreis door de Nieuwe Bijbel Vertaling. Het zou echt van kaft tot kaft gaan, zo hadden we ons voorgenomen. Met zo’n tien meelezers achter me schreef ik elke twee weken een soort van reisverslag. Dit keer voor het laatst. Vreemd gevoel is dat. En ik was de enige niet, die dat had.

Het boek Openbaring komt zo, maar eerst even iets uit de zes briefjes, die aan dit bijzondere geschrift voorafgaan.
Want daarin is ook veel moois te vinden. Neem alleen al het slot van de brief van Judas. ‘Prachtige zegenformule’ had ik zelf aangetekend. Hans en Corrie de Vlieger hoorden in deze woorden de opmaat tot het laatste bijbelboek - ‘Hem behoort de luister, de majesteit, de kracht en de macht, vóór alle eeuwigheid, nu en tot in alle eeuwigheid. Amen.’ In het verlengde van deze ene zin ontvouwt zich inderdaad een nieuwe werkelijkheid.

Nog niet
Alleen, dat nieuwe is er nog niet. Petrus wijst sceptici - als ze vragen naar het uitblijven van de komst van de Heer - op God, die voor zijn reddingswerk genadig de tijd neemt en hééft! (2 Petrus 3:8,9).
Ook in zijn eerste brief ligt de heerlijkheid nog achter de horizon van veel lijden. Corrie Meijer signaleerde de scherpe contrasten, die dat geeft: een onvergankelijke erfenis voor berooide vervolgden en een uiterst bemoedigende typering van 'verstrooiden' - dat ze in Gods oog een uitverkoren geslacht en een heilige natie zijn (2:9).
Wat is het trouwens een juweel van een brief! Geschreven vanuit de ontmoeting met de opgestane Heer (1:3).
Met prachtige beelden van de gemeente in termen van bouw en groei (2:4,5). En verder natuurlijk wat Petrus schrijft over het (onverdiende) lijden en de mogelijkheid om juist dan in de voetsporen van de Heer te gaan (2:20-
25), soms ook met kansen om te getuigen (3:13-17).

Radicaal
Ook bij Johannes zijn de contrasten scherp, En dat in taal en beelden, die we kennen uit het evangelie. Direct al in de opening: ‘God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis’. En verderop in de confronterende uitspraak dat iemand, die uit God geboren is, niet zondigt (5:18). Bob Wielenga: ‘Echt zo'n uitspraak van Johannes.
Er staan genoeg andere woorden in zijn brief, om nuanceringen te kunnen aanbrengen. Maar we moeten zo'n massieve uitspraak gewoon laten staan om er tegen aan te kunnen botsen, zodat we niet in slaap sukkelen onder de zoete muziek van de vergeving van zonden. De werkelijkheid van ons leven staat gespannen tussen beide polen: we zondigen niet - we worden vergeven. Wie de ene pool opgeeft, verliest de andere.’ Bijzonder in deze brief is ook de actieradius van Jezus’ verzoenend werk (2:2) en het diaconale gezicht van de liefde, die gedáán moet worden! (3:16,17).

Spoorboekje?
‘Het zal nog niet meevallen om Openbaring onbevangen te lezen’ zo begon Tineke Plooij haar bijdrage over dit bijbelboek. Ergens schrijft ze dat ze het boek ziet ‘als een aanwijzing dat alles wat er in de wereld gebeurt God niet uit de hand loopt, om het voorzichtig te zeggen, en dat de uitkomst heerlijk zal zijn...
Misschien moeten we ons maar toevertrouwen aan Jezus en doen wat ons te doen staat op ons plekje in de wereld, en deze grote dingen aan God overlaten, en niet meer willen begrijpen dan we kunnen.’ Andries Mak zit in dezelfde lijn: ‘Er wordt veel gespeculeerd over de uitleg van Openbaring. Ik moet dan altijd denken aan 10:1-4, als de zeven donderslagen hun stem laten horen. Johannes mocht het gezegde niet opschrijven, omdat het geheim moest blijven. Voor mij betekent dit, dat we niet moeten denken dat met het geschrevene alles over de eindtijd gezegd is. Er zijn zaken die ons verstand te boven gaan en dit moet ons bescheiden houden als we teveel willen beredeneren.’

Getallen
Voor Bob Wielenga is Openbaring een geschrift met flitsen van de eeuwigheid, bedoeld voor het heden van de gemeente van de Heer. Dus niet als een boek, waarin toekomstige gebeurtenissen chronologisch op een rij worden gezet: ‘De tijd is geen horlogetijd’. De vele getallen in Openbaring moeten volgens hem ook niet letterlijk (numeriek) gelezen worden. Bij de 144.000 heb je niet te maken met een gefixeerd getal, maar met een aanduiding, die open staat naar de niet te tellen schare (eerste opbrengst van vrijgekochten, 14:4). Zelf dacht ik nog aan de wending ‘tijd, twee tijden en een halve tijd (42 maanden, 1260 dagen, 11:3, 12:14, 13:5). Ook dat is niet meer dan een vingerwijzing, dat de tijd soms loodzwaar kan zijn. Maar net als je het gevoel krijgt dat er geen doorkomen aan is, komt het verlossende einde toch weer eerder dan je denkt.

Beeldtaal
En zo is er meer in het boek Openbaring, dat niet gediend is met een letterlijke lezing. Ik denk aan een wending als ‘de zee is er niet meer’ (21:1). Dat zal toch bedoeld zal zijn als de zee in bedreigende zin en niet als de grootste inpoldering aller tijden. En over de zon en de maan schrijft Bob Wielenga dat je dat niet in natuurkundige zin moet lezen.
‘Want uiteraard zal er zon en maan zijn op de nieuwe aarde, zij het op een manier waar we nu nog niets over kunnen zeggen. Het gaat om beeldtaal, uitdrukkend dat God die licht is in ons midden zal zijn. God is haar luister, het lam haar licht, 21:23; 22:5.’ Een soepele lezing is ook nodig, omdat de beelden zo kunnen verschuiven.
Bob ziet dat in hoofdstuk 21 gebeuren, waar ‘het begint met de nieuwe hemel en aarde, maar verder alleen gaat over de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, de woonplaats van God onder de mensen, alsof de nieuwe aarde een grote tempel of tabernakel zal zijn.’ En niet anders is het bij de beelden van stad en tuin, die in elkaar overlopen (Openbaring 21,22).
Ook de contrastrijke aanduidingen van hoer (Babylon, 17:3-6) versus bruid (Jeruzalem, 21:2,9) en de bruiloft van het lam (19:7) tegenover de maaltijd van de aasgieren (19:17-18), zijn verbeeldingen van een werkelijkheid, waarin het zwart steeds zwarter en het wit steeds witter is geworden.

Facetten
In het boek Openbaring wordt de oude en nieuwe wereld facetmatig belicht, waarbij rustig vooruit- en teruggegrepen kan worden. Zo komt van de beschrijving van de verheerlijkte mensenzoon (lampenstandaard, eerste-laatste, dood-levend, zwaard, etcetera, 1:12-18) bijna alles terug in de zeven brieven uit hoofdstuk 2 en 3. En het slot van de brieven grijpt vervolgens weer vooruit op de hoofdstukken 4-22 met al die visioenen. Kees Bos signaleerde dat en hij typeerde de visioenen en passant als een soort videoclips. Een belangrijk facet is ook, dat de kwade machten uit het lange middendeel van de visioenen (draak, aardebeest en zeebeest) wel iets hebben van een parodie op de drie-eenheid.
Tineke gaf dat door als iets wat ze weer geleerd heeft van ds. De Jong. Puur facetmatig is het boek Openbaring natuurlijk ook weer niet. Er is in de aanloop naar de grote ontknoping wel degelijk iets van een oplopende spanning. Terugdenkend aan haar Amsterdamse leermeester, schrijft Tineke: ‘De Jong vergeleek het met een fuik, steeds weer een vernauwing, met toename van verschijnselen die bij de eindtijd horen, gevolgd door verruiming. Maar de vernauwingen worden nauwer en eens komt de laatste vernauwing en het definitieve einde van deze schepping.’

Concreet
We waren het er in de leesgroep wel over eens, dat het kortsluiting geeft als je het boek Openbaring te direct verbindt met de gebeurtenissen in de krant. Tineke Plooij lichtte dat als volgt toe: ‘We hebben altijd weer de neiging om dingen uit Openbaring erg concreet toe te passen. Nu wordt het teken op hand en voorhoofd de chip, die ter identificatie onder de huid wordt aangebracht. Misschien is dat niet helemaal onzin - er zitten zeker risico's aan een dergelijk systeem - maar ik denk dat we de betekenis van de beelden met zo'n interpretatie ook te klein kunnen maken. Net als met het gelijkstellen van Nero of Hitler met de mens, die aangeduid wordt met het getal 666.
Om nog maar te zwijgen van mensen die moeite hadden om de voetbaluitslagen op teletekst op te zoeken toen die op pagina 666 stonden.’ Bob Wielenga wijst op ons eigen kerkelijk verleden, waar paus of wereldraad geïdentificeerd werden met het beest uit de aarde of de roomse kerk met de hoer van Babylon. ‘We moeten afzien van identificatie; dat is helemaal de bedoeling niet. Er wordt in apocalyptische beeldtaal een duivels patroon blootgelegd, dat in de geschiedenis werkzaam is. Het gaat om geestelijk-religieuze en ook politiekmaatschappelijke krachten die niet alleen de kerk bedreigen, maar ook veel breder Gods goede schepping en de toekomst die Hij voor haar heeft weggelegd. Die verwoestende krachten maken gebruik van personen en soms van bewegingen, zonder dat ze er identiek mee zijn. Zo kan het Nazisme of het Stalinisme gezien worden in apocalyptisch licht; maar om het nu gelijk te schakelen met het beest uit Openbaring 13 is geen Bijbeluitleg meer; dan beperken we de werkingskracht van de beeldtaal.’

Aanbidding van het Lam
Dat waren dan ruim twintig hoofdstukken met een bont palet aan visioenen, vol donkere machten en wapengekletter. Vreemd soms. Eén ding is wel duidelijk: zonder strijd worden aarde en mens blijkbaar niet nieuw en God gáát er voor! De meeste indruk maakten de hoofdstukken waar het zo nadrukkelijk ging over het lam. ‘Openbaring 4 en 5 vind ik om stil van te worden’ zo schreef Kees Bos bij de stilte, die in het universum valt als niemand in staat is de boekrol te openen. En Jaap Kanis zit bij dit gedeelte met zijn gedachten in de Sint-Baafskathedraal in Gent, ademloos voor het kunstwerk van de gebroeders Van Eyck. Indrukwekkend zijn ook de slothoofdstukken.
Corrie Sonke schreef dat ze naast haar computer een tekening heeft met een hele rij mensen, groot en klein, waarvan de tranen van de ogen worden afgewist. Alles nieuw! Een hoofdstuk verder bruist een paradijselijke rivier, met aan de oever vruchtbomen, die volgens de NBV maandelijks hun eigen vrucht opleveren. Met bladeren die de volken genezing brengen. Zelfs dan is het heil niet uitgewerkt!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief