Toekomst door het oordeel heen?
2011-09-02
Hoe gaat het met de Arabische lente? Is de zomer al in zicht, of loopt het toch uit op een barre winter? Ook in de politiek is het klimaat onvoorspelbaar. Over Tunesië horen we niet veel; in Libië zijn Khadafi’s tegenstanders aan de winnende hand. In Egypte en Jemen blijft het onrustig, terwijl de lente in andere kleine Arabische golfstaten geen kans lijkt te maken. - Jaargang 55
- nummer 17
En wat is er te zeggen van Syrië? President Assad komt normaler over dan Khadafi, maar zijn volk merkt weinig van dat verschil.
Ruimte voor Assad?!
Waarom reageert de wereld op Syrië zo heel anders dan op Libië? Wordt er niet met twee maten gemeten? Het antwoord op deze vragen is minder ingewikkeld dan het lijkt. Politiek is Syrië nu eenmaal een heel ander verhaal dan Libië. Syrië krijgt steun van Rusland en Iran. Buurland Israël ziet uit eigen belang de status quo liever gehandhaafd, ondanks de afschuwelijke moordpartijen van het Syrische leger. Bovendien is Syrië intern tribaal en religieus zo verdeeld, dat het uiteenvallen van het land de wereld met een zwaar hoofdpijndossier zou opzadelen. Kortom, de zaak zit muurvast.
Krijgt Assad zo het laatste woord?
Waar blijft Gods oordeel?
Het uitblijven van de Arabische lente hier, of het niet doorzetten van de Arabische zomer elders, is dat alleen maar politiek relevant en laten we de Bijbel er bij dicht? (Zie ook Opbouw 55-6 en 7, www-artikel 11185 en 11218 op opbouwonline.nl) Want je denkt toch bij al dat onrecht en geweld in Syrië: wordt het geen tijd voor Gods oordeel?
Gaat het lot van de rechtvaardigen, onder wie veel christenen, Hem niet aan het hart? Ziet God de schending van de mensenrechten niet? Dat zeer zeker!
En als God een God is die oordeelt, waarom zet Hij zijn oordeel dan niet door – ook daar in Syrië?
Moeilijk is het om Gods ingrijpen in de geschiedenis te traceren en te duiden.
Toch, meen ik, kan er wel iets gezegd worden vanuit de profetische prediking van het Oude Testament.
Laten we eens letten op Gods handelen met Edom, één van de aan Israël verwante buurvolken.
Edom in de geschiedenis
De relatie tussen Israël en Edom is nooit een gemakkelijke geweest (Genesis 25vv). Bij de intocht in het beloofde land werd Edom nog ontzien (Deuteronomium 2:2vv; 23:8); maar David voegde het land Edom bij Israël.
Ten tijde van koning Joram van Juda (2 Koningen 8:20vv) wist Edom zich weer los te maken van Juda. In de nadagen van de Davidische monarchie kwam Edom weer in beeld, toen Juda, ondanks Jeremia’s waarschuwingen, probeerde om een politieke alliantie te smeden tegen het oprukkende Babylon. Dat liep op niets uit en bij de val van Jeruzalem (586 v.C.) sloot Edom zich bij Babylon aan en had daarvan veel profijt. Grote stukken land in het zuiden van Juda werden Edom’s bezit en in het spoor van de Babylonische legers werd Jeruzalem door Edomieten geplunderd.
Dit verraderlijke gedrag liet diepe wonden na, waarvan de pijn nog nazindert in het boek Klaagliederen. Al onderkende Juda in Edoms optreden Gods rechtvaardig oordeel over hun zonden, Edom was toch veel verder gegaan in het vertrappen van Juda dan God ooit bedoeld kon hebben.
Tussen de puinhopen van stad en tempel werd God gesmeekt om Edom te straffen, zodat de weg naar hun eigen bevrijding open kwam te liggen.
Later, aan het einde van de 6e eeuw v.C., werd Edom door Arabieren uit hun land verdreven en ging het wonen in de op Juda veroverde gebieden in het zuiden (Idumea). In het Nieuwe Testament komen we het koningsgeslacht van Herodes tegen, dat hier vandaan kwam. Voor het begrijpen van de profetische prediking over Edom is kennis van deze geschiedenis nodig.
Edom in de profetie
Edom komt er bij de profeten niet best vanaf. De arrogantie van hun voorvader Ezau zien ze terug bij zijn nakomelingen. Het was een arrogant volk, dat zich voorstond op haar Wijsheid. Hun land was gelegen in de bergachtige streken ten zuidoosten van de Dode Zee; ze dachten er even veilig te wonen als de Zwitsers vandaag in hun land. Hun gedrag bij de verwoesting van Jeruzalem in 586 v.C. was ronduit stuitend. De exilische profeet Obadja had er geen goed woord voor over (vss 2-15). Een na-exilische profeet maakte Edom daarom tot model van het kwade bij uitstek (Jesaja 63:3,6). Van toen af aan speelde Edom dezelfde rol als vroeger de Amalekieten of de Filistijnen. Als Gods vijand nummer één vertegenwoordigde het het kwaad in de wereld waarvan God zijn volk wil bevrijden.
Woord en werkelijkheid
Opvallend is trouwens de lange weg, waarop Gods oordeel wordt aangekondigd – ook bij Edom. Door Jesaja (34v) kondigde God Edoms oordeel al aan en Jeremia ging in dat spoor verder.
‘Ik breng onheil over Ezaus nageslacht, het tijdstip is gekomen dat ik met hen afreken’ (49:8). Obadja citeerde later deze profetie bijna woordelijk ter bemoediging van de mensen in het verwoeste Jeruzalem (Klaagliederen 4:21v). Want waarom gingen de woorden van Jeremia niet in vervulling?
Slaven (Edomieten) heersten over hen, en niemand bracht verlossing (Klaagliederen 5:8). Toch bleef door de ballingschap heen, hoop tegen hoop, het geloof overeind.
‘Waarom zou u ons voorgoed vergeten, ons voor altijd verlaten? Breng ons terug bij u, Heer, laat ons terugkeren, laat het ons gaan als voorheen (Klaagliederen 5:20v). Obadja verwerkte Jeremia’s oude profetie en legde zo een vaste grond onder deze hoop. Daarin werd hij gesteund door zijn anonieme collega die in Jesaja 63 aan het woord komt.
De achterkant van het heil
Oordeelsprediking staat in de Bijbel altijd in het kader van Gods heil voor de mensen en van heling voor zijn schepping. Iemand heeft het oordeel eens de achterkant van het heil genoemd.
Het wijst erop dat God met tegenzin zich daarmee bezighoudt (Klaagliederen 3:33). Zijn hart ligt er niet in; het is zijn linkerhandwerk (Karl Barth). Het gaat om zijn rechterhandwerk: heil en heling bewerken.
Het rechtvaardig oordeel over Edom opende de toekomst voor Juda. Treffend dat die toekomst vervolgens verbonden wordt met Sion (Obadja 1:17). Dat wordt weer de heilige plaats waar Jakob het heil zal ontvangen; en waar ook andere volken zich bij hem zullen aansluiten in aanbidding van Israëls God (Psalm 22:28). In aansluiting bij deze Psalm sluit Obadja zijn profetie af (1:21): aan de Heer zal dan het koningschap toebehoren. Het oordeel over Edom en de redding van Juda worden zo in een wereldwijd toekomstperspectief geplaatst, dat in het Nieuwe Testament ontvouwd wordt.
Daar wordt het oordeel in samenhang met het heil verkondigd aan alle volken (Matteüs 28:18vv). Het koningschap is door God voorlopig aan de opgestane Heer gegeven (1 Korintiërs 15:24), die zich identificeerde met de lijdende Rechtvaardige van Psalm 22.
Toekomst door het oordeel heen is in hem alleen verankerd. De heilige plaats bij Obadja is geen andere dan het kruis van Christus.
Alleen, hoe loopt die weg door tot op vandaag? Daarover de volgende keer.
Dr. Bob Wielenga is emeritus-predikant van de NGK van Kampen en werkte van 1979 tot 2002 als zendeling in Zuid-Afrika.