Sabbat en zondag

2011-09-02
  • Jaargang 55
  • nummer 17
Er zijn zo die onderwerpen waarover al heel wat te doen is geweest in de kerk; één daarvan is de verhouding tussen sabbat en zondag. In de GKV is het recent nog één van de redenen geweest voor (weer eens) een scheuring.
Nu is er een nieuw boek verschenen van de Vrijgemaakte emerituspredikant W. Wierenga. In de titel staat een vraagteken, Geen geboden rustdag meer?, maar dat vraagteken gaat er in dit boek radicaal af. In de Gereformeerde Kerkbode (voor Groningen, Friesland en Drenthe) van 5 augustus schrijft ds. J.T. Oldenhuis er opmerkelijk enthousiast over. Een paar gedeelten uit zijn artikel:

De eerste conclusie is dat in (de) eerste eeuwen nooit een verbinding is gelegd tussen het vierde gebod en de zondag, wat er ook later door anderen over is beweerd. () Maar er is wel sprake van nadruk op de noodzaak van samenkomsten, geheel in de lijn van het NT.
Het wordt langzamerhand vaste gewoonte om daarvoor de eerste dag van de week te kiezen. En daarvoor moet je uiteraard je werk onderbreken of neerleggen.
Als keizer Constantijn de zondagswetten invoert, spreekt hij over de ‘zonnedag’, want hij is een vereerder van de zon. Maar de oogsten moeten op die dag wel doorgaan. Keer op keer stuit je op frappante uitspraken. Augustinus noemde het vasten op zondag ketters en de rust op de sabbat vatte hij op als heenwijzing naar de rust die Christus de vrome mens zou geven.
Dat betekent dat het in acht nemen van die rust na de komst van Christus een miskenning is van het werk van Christus.
De tweede conclusie is dat de Reformatoren duidelijk hebben gesproken over de afschaffing van de joodse sabbat.
Calvijn heeft in de Institutie geschreven dat de sabbat als rustdag slechts gold voor Israël, en dat ze met de komst van Christus is afgeschaft, en wie haar toch weer op de een of andere manier wil invoeren, bijgeloof bevordert.
Maar er moet wel een duidelijke dag zijn voor de samenkomsten. Zonder die zou de kerk te gronde gaan.
Maar die samenkomsten hoeven niet altijd precies om de zeven dagen en zelfs niet altijd op dezelfde dag gehouden worden; ze zouden elke dag gehouden moeten worden, maar omdat dat nu eenmaal niet kan, is het heel wenselijk dat daarvoor één dag gekozen wordt. Daarmee wordt die dag niet heiliger dan de andere dagen. Slechts voor de ordelijke regeling van de samenkomsten is het goed daarvoor een vaste dag te hebben. () Een derde conclusie is dat er binnen de Gereformeerde Kerken altijd meer dan één mening verdedigd en getolereerd is.
Ursinus heeft over de sabbat en de zondag geschreven. Zijn formuleringen zijn in de Heidelbergse Catechismus terecht gekomen. Ze liggen geheel in de lijn van Calvijn. Over rusten staat er niets. Het element van niet werken dat opgesloten ligt in het woord sabbat, fungeert alleen maar om samen naar de kerk te kunnen gaan. () Voetius begint er mee om een verband te leggen tussen het vierde gebod en de zondag. Dat is een vierde conclusie. En de predikanten Teellinck en Koelman en à Brakel leggen onder invloed van het Engelse puritanisme steeds meer nadruk op het bijzondere karakter van de zondag en op de strenge zondagsviering.
Geen enkel werk, geen spel en geen dobbelsteen op zondag, alleen wandelen mag. En de voorbereiding moet beginnen op zaterdag. Opvallend is het in dit geheel dat zelfs Teellinck nog zegt dat koren binnengehaald mag worden als het geen uitstel lijden kan, maar dat laatste moet dan wel onderworpen zijn aan het oordeel van de overheid of de kerkenraad. Het is de tijd van de Nadere Reformatie. Maar het is al weer frappant te lezen dat de Provinciale Synode van Zuid Holland in 1621 de sabbatsopvatting van deze mensen afwees en studenten die ze huldigden, weerde van de preekstoel.
En dat zelfs de aanwezigheid van de gezaghebbende Voetius op één van die vergaderingen (1627) daar niets aan veranderde.

Uit recenter tijd komt o.a. de visie van professor J. Douma aan de orde,

die de mening van Calvijn heeft willen corrigeren en die ten slotte toch een verbinding heeft willen zien tussen het vierde gebod en de zondag. Bekend is zijn uitspraak, dat ‘de schaduwen van besnijdenis, pascha en sabbat plaats maken voor de tekenen van doop, avondmaal en zondag’. Dat klinkt mooi en daarmee heb je voor veler gevoelen de zondag ‘gered’.

Maar het verhaal klopt niet; want

wat de kern was van dat gebod voor die ene dag vroeger, is nu de kern van alle dagen: al de dagen van mijn leven de slechte werken nalaten, de Here door zijn Geest in mij laten werken en zo de eeuwige sabbat in dit leven beginnen!

Ik ben benieuwd wat voor discussie hierop gaat volgen...

Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK Enschede.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief