De Geest, Schepper en Behouder
1984-06-08
"Zendt Gij uw Geest uit, zij worden geschapen” (Ps. 104:30a) "En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden" (Hand. 2:21)- Jaargang 28
- nummer 23
Pinkster-associatie
Als je aan een willekeurig aantal mensen zou vragen, waaraan ze het eerst denken als ze het woord 'Pinksteren' horen, zouden er wel eens zeer uiteenlopende antwoorden naar voren kunnen komen. Voor veel mensen is Pinksteren toch eigenlijk niet meer dan een extra lang vrij weekend, waarin je gaat proefkamperen, als het weer meezit en dat is dan vaak ook het enige waar ze aan denken als Pinksteren op de kalender in zicht komt: het weer. Anderen associëren Pinksteren vooral met gezelligheid, ze denken daarbij misschien aan vroeger, toogdagen van allerlei soorten verenigingen, waarbij je met elkaar uit was.
Weer anderen associëren Pinksteren met heel andersoortige gebeurtenissen: degenen die 1940 en 1945 meegemaakt hebben, kunnen zich vinden, zo stel ik me voor, in een gedicht van Muus Jacobse over de bevrijding, dat zegt, dat voortaan de jaren geteld zullen worden van Pinksterfeest tot Pinksterfeest. Immers zowel het begin als het einde van de tweede wereldoorlog viel 10 de buurt van Pinksteren.
Van mensen die dat hebben meegemaakt, kan ik me voorstellen dat voor het Pinksteren geaccocieerd blijft met een andersoortige werkelijkheid temidden van een gruwelijk gebeuren.
Pinkster-tekenen
Wat Pinksteren echt is, leert de Bijbel ons natuurlijk. Wel is opvallend dat het ook daar iets geduchts is. iets wat tegen de soms gruwzame werkelijkheid opweegt: de uitstorting van Gods Geest wordt in één adem genoemd met tekenen van grote verschrikking, nl. met "bloed en vuur en rookwalm" (Hand. 2 : 19). Tekenen van verschrikking, ja, maar het zijn tegelijk ook tekenen die van God komen.
Het is hier al net zo als op andere plaatsen in de bijbel, dat tekenen die wij aan de natuur of misschien zelfs wel aan het werk van mensen toekennen, van God afkomstig blijken te zijn. Het is voor ons mensen onmogelijk om hierin de verhouding tussen Gods werken en de menselijke verantwoordelijkheid, tussen het handelen van God en net handelen van de machten der duisternis te doorgronden.
In Psalm 104 wordt, zonder dat God de auteur van de zonde genoemd wordt, gesproken over tweeërlei werken van God: vs. 29: "Verbergt Gij uw aangezicht, zij worden verdelgd, neemt Gij hun adem weg, zij sterven".
Dat zou je kunnen noemen het handelen van God wat de dood brengt, een regel die geldt voor al wat leeft. In tegenstelling daarmee staat het volgende vers uit Psalm 104, waar het gaat over het handelen van God, wat het leven brengt, het werk van Zijn Geest, Pinksteren in een notedop: "Zendt Gij uw Geest uit, zij worden geschapen en Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem".
Pinkster-vragen en -antwoord
Het werk van de Geest Gods is dus scheppen, zó scheppen, dat alles nieuw wordt. Maar die constatering roept veel vragen op.
Want wat zegt ons dat vandaag?
Is dit niet een theologische constatering zonder meer?
Schepping in een oneindig ver verleden - dat wij schepselen zijn, geschapen dus door God, wat schieten we op met de constatering van zo'n feit? Waarom heeft de oude kerk gezongen: “Veni creator Spiritus" (Kom, Schepper, Geest)? We zijn toch al schepselen: waarom dan nog dat beroep op het scheppende werk van Gods Geest?
Een antwoord op deze vragen geeft Petrus in zijn explicatie van wat er op het Pinksterfeest in Jeruzalem na Jezus' hemelvaart gebeurt.
Hij ziet nl. de profetieën vervuld die niets minder betreffen dan de grote en doorluchtige Dag des Heren, de komst van Gods Rijk dus.
Die Grote Dag is dus toen begonnen.
Dat de doorwerking, de definitieve doorbraak van die Dag nog zou worden opgeschort, omdat de "tijden der heidenen"nog als een intermezzo tussenbeide zouden komen, wist Petrus toen nog niet.
Maar wij, vandaag, weten dat die profetieën ook voor ons nog toekomst zijn, al blijkt er wel telkens iets van hun realiteit.
Bloed en vuur en rookwalm zijn en worden maar al te vaak op de aarde gesignaleerd.
De barheid en boosheid van het leven kan ons maar al te vaak benauwen.
Maar het is goed het citaat uit de profetie van Joël, zoals Petrus dat in zijn toespraak op Pinksteren gebruikt, in zijn geheel te lezen en niet te blijven staan bij 'bloed en vuur en rookwalm', bij die doodskans, maar juist op Pinksteren valt ook het woord van behoud: "Het zal zijn dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden".
Pinkster-leven
Geschapen worden (Psalm 104) en behouden worden (Hand. 2) zijn beide het resultaat van het werk van de Geest. Je zou die twee dingen onder één noemer kunnen brengen: De Geest behoudt door een nieuwe mens te scheppen. "Nieuw", want vlees en bloed kunnen het Rijk niet erven. Maar er is bij dat 'nieuw' toch tegelijk wel sprake van continuïteit: het is dezelfde Henk Kees of Karel (om eens andere namen te noemen dan Jan, Piet of Klaas), die als nieuwe mens behouden wordt. Een gebeuren, wat in z'n geheime diepte niet te omschrijven of te verklaren is maar slechts blijmoedig te aanvaarden.
We behoeven dus geen theoretische verhandelingen te houden over alles wat er over de Geest van God gezegd wordt. We moeten niet in de eerste plaats vragen of wij iets met God kunnen, maar veeleer of de Geest iets met ons kan doen. En dan is er niet een soort controle nodig door nauwkeurige zelfobservatie.
Maar nodig is het "aanroepen van de Naam des Heren"
nodig is het contact met onze Heer Jezus Christus, die het doodsoordeel voor ons gedragen heeft. Want alleen dan is de Geest-elijke vernieuwing ook realiteit in ons leven van vandaag: dan komt er pas ècht leven.