Over oorlog en bevrijding
1985-04-19
Na de bevrijding- Jaargang 29
- nummer 16
Schoon en stralend is, gelijk toen, het voorjaar,
Koud des morgens, maar als de dagen verder
Opengaan, is de eeuwige lucht een wonder
Voor de geredden.
In 't doorzichtig waas over al de brake
Landen ploegen weder de trage paarden
Als altijd, wijl nog de nabije verten
Dreunen van oorlog.
Dit beleefd te hebben, dit heellijfs uit te
Mogen spreken, ieder ontwaken weer te
Weten: heen is, en nu voorgoed, de welhaast
Duldlooze knechtschap -
Waard is het, vijf jaren gesmacht te hebben,
Nu opstandig, dan weer gelaten, en niet
Eén van de ongeborenen zal de vrijheid
Ooit zo beseffen.
Hoewel het bovenstaande gedicht erg bekend is, neem ik het toch nog maar eens over. Ik vind dat het terecht een plaatsje in Opbouw krijgt. Wij gaan als Nederlanders herdenken dat ons land veertig jaar geleden werd bevrijd en ik wil daar op mijn manier aandacht aan schenken: in mijn vorige artikeltjes heeft de invloed daarvan al geklonken, denk ik, maar nu wil ik mij meer speciáál bezig houden met het onderwerp oorlog en bevrijding.
Uit de meters en nog eens meters literatuur moet ik een keuze doen, en die zal uiteraard zuiver persoonlijk zijn bie keuze wordt méébepaald door wat mij maar steeds bijblijft en wat ik al eerder heb geciteerd uit het gedicht "Vrede" van Leo Vroman:
Kom vanavond met verhalen
dat de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen,
honderd malen zal ik wenen.
Voor een goed begrip: het gaat daarbij niet om mij; ik heb persoonlijk niet zo veel reden om daarbij te huilen, maar er zijn erg veel mensen voor wie dat wél geldt. Is de oorlog echt verdwenen? Allereerst zijn er mensen, bij wie zulke verschrikkelijke herinneringen leven, dat zij geen "vrede" kunnen vinden; in de tweede plaats zijn wij als mensen er, nog steeds niet in geslaagd nier op aarde een toestand te scheppen die ook maar enigszins de naam van vrede verdient.
Misschien hebben sommige lezers er iets aan als ik even een korte toelichting geef bij het gedicht van Bloem. Het woord "toen" in de eerste regel duidt op de meidagen van 1940; 's morgens is het nog koud, maar later op de dag wordt het mooier weer. "De nabije verten" lijkt een paradox; hier worden twee woorden gecombineerd die in feite een tegenstelling inhouden. In de verte is het gestijld van de oorlog nog te horen, kanongebulder bij voorbeeld, maar juist doordat het zo goed te horen is, komt die verte dichterbij: Net zoals wij in de oorlog over een afstand van zo'n zestig kilometer ‘s nachts het vuurwerk van de Duitse luchtafweer konden zien, daardoor kwam de Groningse kust veel dichterbij.
Een tweede gedicht dat ik u vandaag wil voorleggen, is minder bekend. Het toont aan dat er wel degelijk' een besef leefde dat de oorlog op komst was; Roland Holst is echt niet de enige schrijver geweest die dat gezien heeft.
Zwaar weer op til
Bang eerst, dan doods, thans van angsthijgen
hoorbaar al, viel de stilte na
rukwind op rukwind in. Geen zwijgen
verzwijgt meer wat elk weet: weldra
gaat·de storm van het lot opsteken.
Nog slaapt het uur, maar wild en ijl
weerlichtte boven de grensstreken
al het onheil.
De vale ontelbren, die geen wereld
hadden dan deze late: afschuw
verdordehen. en wanhoop dwerelt
van her en der de ellendigen nu
het oude westen langs, vergeetnen
des levens reeds, en enkel nog,
randen afgrond voor de bezeetnen
in hun aantocht.
En dezen, wanend zich verkoornen
van dat wild lot: wat hen doorwoedt
het is de roes des doods, het toornen
over dezwichtenden, de gloed
die roekelozen tot ijlkoortsen
aanblaast, en onder dof gezang
den roetwalm in jaagt van de toortsen
van de ondergang.
De ophanden storm zal hol uitruisen
als straks het ondergraven Kruis
omver zakt, en die hakenkruisen
zijn stukgerateld, en het Huis .
Europa puin is. - Heerst, fanatisch
aanbeden, in een stalen kou
de maansikkel dan Aziatisch
boven Moskou?
(A. Roland Holst; 12 aug. 1939)
Aandachtig lezen is nodig om dit gedicht goed te proeven en te begrijpen. lik wijs op het beeld 'van het onweer dat we soms vóelen aankomen, de lucht is drukkend, de stilte voor de storm. In de verte hebben we de bliksemflitsen al gezien, Dan, in de tweede strofe, de beschrijving van 'de vluchtelingen, vaal, kleurloos in hun armoede. Ik denk speciaal aan, de wanhopige Joden die radeloos een vluchtweg over zee probeerden te vinden. De bezetenen zijn de Germanen uit het oosten, de Duitsers, die zich als uitverkorenen beschouwden en die op bijeenkomsten als in Neurenberg op haast mystieke wijze werden opgezweept: grote massa's die zich in de ban -lieten brengen door Wagneriaanse muziek, toortsen in de nacht en heel de sfeer die op sommige films nog goed is waar te nemen. Het is hun ondergang geworden. maar ook de ondergang van miljoenen anderen, Geen "Sieg", geen "Heil" meer! Toch hebben ook velen die catastrofe niet zien aankomen; 'zij hoopten "neutraal” te kunnen blijven. Maar ik hoop nu dat de "ongeborenen" uit het gedicht van Bloem, die de vrijheid niet zó beseffen als degenen die de oorlog bewust hebben meegemaakt, wél zullen inzien dat neutraliteit onmogelijk is! Elk mens heeft zijn verantwoordelijkheid: er is geen tussenweg mogelijk als het gaat om de keuze tussen goed en kwaad! En dat het om die keuze ging, dat hebben velen te Iaat gezien, sommigen hebben dat zelfs nóóit gezien.