Over kunst (1)
1984-06-15
'Het kunstbesef is bij christenen nooit ontwikkeld geweest, eeuwenlang niet. Zeker niet bij het protestantse volksdeel van onze natie. Er heerst een algemene cultuurloosheid en ik denk dat het goed is - en ook voor een discussie in Opbouw zinvol is - om deze stand van zaken vooraf vast te stellen, vóórdat wij ertoe overgaan om erover na te denken hoe christenen, christelijke studenten, cultuurbewust kunnen worden gemaakt, en óf dit überhaupt mogelijk is,' zo schrijft M. de Klijn in Opbouw nr. 14 van deze jaargang. Hij nodigt zijn lezers tot een discussie uit en ik wil zijn uitnodiging graag aannemen. Ook al lijkt zijn uitlating over een "algemene cultuurloosheid" wat provocatief, wat al te somber gesteld, toch wil ik terwille van het beoogde doel zijn visie wel voor mijn rekening nemen.- Jaargang 28
- nummer 24
De door hem geschetste stand van zaken geeft geen reden tot optimisme.
Ik volg Klijn ook in zijn wat losse gebruik van het woord "cultuur". Soms gebruikt hij het woord voor de wetenschappen, maar in het algemeen doelt hij ermee op de kunsten en dan in het bijzonder op de beeldende kunst. In mijn benadering krijgt echter de woordkunst de nadruk, al blijven de andere kunsten niet alle buiten het blikveld. Met muziek en nog meer met beeldende kunst heb ik mij jaren beziggehouden, maar het meest toch met literatuur. Veertig jaar heb ik Engelse literatuur gedoceerd en, vrijwel steeds zonder directe discussiepartners, met vele vragen geworsteld en heb ik getracht bevredigende antwoorden op mijn vragen te vinden.
Wat ik hier ga schrijven is geen wetenschappelijke verhandeling met een uitgebreide reeks voetnoten en een indrukwekkende bibliografie.
Mijn betoog heeft niets baanbrekends en ik beschouw het ook niet als origineel.
Uiteraard ben ik bereid op elke uitlating die ik doe en die aanvechtbaar geacht wordt, nader commentaar te geven.
Het gebruik van vakjargon zal ik, zo mogelijk, vermijden.
Omdat de Nederlandse literatuur voor mij een vrijwel onbekend gebied is, zal ik mijn betoog niet van illustraties uit ons taalgebied kunnen voorzien.
De basisvraag
Is er een verklaring voor de cultuurloosheid en het onontwikkeld kunstbesef die Klijn in zijn artikel aan de orde en aan de kaak heeft gesteld?
Dat is de vraag waarmee ik graag wil beginnen.
De reformatorische christenen in Nederland kunnen niet zeggen dat er geen visie ontwikkeld is op de
cultuur die zich in de wetenschappen en in de kunst manifesteert. Kuyper en, na hem, de reformatorische wijsbegeerte hebben voor een indrukwekkende theoretische onderbouw gezorgd. Maar aan een praktische uitwerking heeft het veelal ontbroken ondanks Kuypers fiere woorden: 'Er is geen duimbreed op heel het erf van het menselijk leven waarvan Christus, die aller souverein is, niet roept: "Mijn! Het is van mij!" , Geen duimbreed, maar hele terreinen hebben de reformatorische christenen braak laten liggen.
Hoe verder ze zich in de wetenschappen van de veilige wis- en natuurkunde verwijderen en zich in de richting van de letteren en de menswetenschappen bewegen, hoe meer het gevoel zich bij hen opdringt dat ze in vijandelijk territorium verzeild raken. En wie met de kunst van doen krijgt, is zonder meer aan de heidenen overgeleverd. Van de evangelische christenen valt nog minder te verwachten. Onder hen bestaat kennelijk de gedachte dat - naast het strikt godsdienstige leven - een religieus bestaan dat alle facetten van het leven omvat, een onmogelijkheid is.
Zo vinden we bij christenen van verschillende signatuur godsdienst in allerlei verschijningsvormen, maar geen totale religieuze beleving of confrontatie.
Theologen hebben de neiging bij het opwerpen van de hier boven gestelde vraag te wijzen op het roomse natuur-en-genade schema of het "doperse" denken met zijn wereldmijding aan de orde te stellen. De theologen zijn ook niet de eersten aan wie we onze vragen over de cultuurloosheid moeten stellen.
Mijn benadering van het probleem zal dan ook anders zijn.
Ik wil deze materie eens vanuit de cultuurgeschiedenis zelf bezien en daarbij beginnen bij het tijdvak dat volgde op, en deels zijn inspiratie vond in de Renaissance van de 15de en 16de eeuw. Dit tijdvak, dat de 17de en 18de eeuw omvat, wordt door filosofen de tijd van de Verlichting genoemd en het wordt gekenmerkt door een groot ontzag voor de menselijke rede en het gezond verstand. Het rationalisme van deze tijd vindt artistiek zijn neerslag in wat we het Classicisme noemen. Dit Classicisme (de naam duidt het al aan!) stoelt in zijn denken op de traditie, de traditie van de klassieke oudheid; het heeft een sterk autoriteitsgeloof, het is intellectualistisch, formalistisch en hiërarchisch.
Het heeft weinig gevoel voor het mysterieuze en het numineuze (ontzagwekkende). Het is afkerig van het sterk-emotionele, van een uitbundige verbeeldingskracht, van te grote originaliteit en van de intuïtie. Het is objectief ingesteld.
Omstreeks 1800 wordt dit classicisme verdrongen door wat ten dele een reactie-verschijnsel genoemd mag worden, namelijk de Romantiek. En deze Romantiek heerst tot op de huidige dag, al heeft ze bij tijd en wijle wat classicistische weerstanden moeten verduren.
In zijn duidelijke, extreme vorm is de Romantiek wars van de traditie; ze heeft een anti-autoriteitsgeloof, ze is anti-intellectualistisch, stelt de inhoud boven de vorm en heeft een nivellerende tendens. Ze heeft een sterk gevoel voor het mysterieuze en het numineuze. Ze is niet afkerig van het sterk-emotionele en van een uitbundige verbeeldingskracht, en ze heeft een grote waardering voor originaliteit en voor de intuïtie. Ze is subjectief ingesteld.
Door de reformatorische christenen is de Verlichting dikwijls gezien als een soort zondeval van dè cultuur en wij leven dan nog steeds in de erfzonde van de Verlichting, die trouwens eerder de naam Verduistering lijkt te verdienen.
Maar al behoort het onder ons tot de goede toon over de Verlichting niets goeds te zeggen, het valt niet te ontkennen dat het reformatorisch christendom een aantal karakteristieken heeft die sterk aan het Classicisme doen denken (traditioneel, formalistisch, met een sterk geloof in autoriteit en hiërarchie, met een afgemeten, wat ingehouden, koele en- soms haast gefrustreerde levenswijs).
We behoren over het algemeen tot de classicistisch-ingestelde christenen van het "kerk"-type en zoals het classicistische tijdvak eenzijdig was en nauwelijks de complete mens kon voortbrengen, zo ontkomen wij ook niet aan het gevaar verknipte mensen te zijn, in een deels afgepaalde wereld. Over de grens ligt de intuïtie, de emotie, de fantasie, de mystiek en veelal ook het territorium van de kunst met het ongrijpbare, het onbegrijpelijke, het gevaarlijk-ongebreidelde.
Zo gezien wordt kunstbesef een dreigend gevaar.
De evangelische christenen van het "secte"-type ben ik geneigd romantische christenen te noemen - anti-traditioneel, anti-intellectualistisch, emotioneel, subjectivistisch, met een sterk gevoel voor het onverklaarbare, het mysterieuze, het mystieke.
Nu zou men kunnen gaan denken dat zij met hun eenzijdigheid zich gemakkelijker in de kunst zouden thuis voelen. Het tegendeel is echter het geval, omdat, zoals ik hierboven al heb aangeduid, bij hen godsdienst en religie samenvallen en het niet te betreden terrein veel groter blijkt te zijn dan bij de reformatorische christenen. Cultuurloosheid en het ontbreken van kunstbesef worden in de zienswijze van de evangelische christenen bijna genadegaven.
We zullen het eerlijk moeten toegeven: met de vragen over cultuur en kunst blijven de christenen (protestanten zowel als rooms-katholieken) tobben en de vraag naar een verklaring voor het waarom blijft ons kwellen.
Een voorlopig antwoord op onze vraag zou misschien kunnen zijn dat de verschillende groepen christenen door hun eenzijdigheden niet meer doordrongen zijn van het feit dat ze fundamenteel tot alle goed werk volkomen toegerust zijn. Intussen zijn de eenzijdigheden in de geloofsbeleving zo zeer een deel van de geloofsinhoud geworden dat er in de praktijk van het leven voortdurend remmingen zijn en blijven, en dat de gedachte heeft post gevat dat in onze remmingen onze kracht gelegen is.
Ondertussen is het nuttig op te merken dat wij als christenen met onze culturele manco's, remmingen en vergroeiingen niet alleen staan en dat we bij niet-christenen, bij humanisten en godlozen weliswaar niet geheel dezelfde maar toch soortgelijke manco's aantreffen.
Al in 1921 ontwikkelde de beroemde Engelse dichter en criticus T. S. Eliot (1888-1965) de gedachte dat in onze cultuur zich in de 17de eeuw een ontkoppeling van gevoel en verstand heeft voorgedaan, waarvan we ons nooit hersteld hebben.
Als christen heeft Eliot natuurlijk wel beseft dat hiermee onze menselijke nood niet in zijn grootste diepte gepeild is, maar toch heeft hij door op deze ontkoppeling te wijzen ons allen op een bepaalde vorm van gespletenheid geattendeerd.
Anderen hebben gemeend dat de door Eliot beschreven ontkoppeling zich al in de Renaissance voordeed, maar, hoe dan ook, het is duidelijk dat, hoezeer de humanist het ideaal van de complete, harmonieuze renaissancemens blijft prediken, hij wel dient te bedenken dat hij niet tot de volkomenheid kan geraken.
Hij loopt, cultureel gesproken, minstens even mank als wij en als hij het nog niet mocht weten, zal hij nu ook maar eens moeten gaan beseffen dat het hem niet past laatdunkend op andersdenkenden neer te zien.
Inmiddels zijn we aan een tweede belangrijke vraag toe.
Kunnen we onze handicap kwijtraken of zullen we er mee moeten leren leven?