Het Liedboek
1984-06-15
- Jaargang 28
- nummer 24
Lied 260
Kenmerkend voor dit, mogelijk al uit de 5e of 6e eeuw stammend Lied is de wat gezwollen stijl en het mede daardoor ontstane overtollige woordenspel. Ter illustratie: b.v. strofe 1: "die uit stenen trillend leven hoog omhoog wordt opgericht"; strofe 4: "met de hardste hamerslagen zijn de stenen saamgebracht"; strofe 7: "Kom, hartstochtelijk aangebeden God omhoog"; strofe 8: "in het paradijs ontstijgen". Voorts is de overgang van strofe 5 naar 6, midden in een zin geplaatst, niet fraai.
"De onbekende melodie is het meest voor deze tekst gebruikt en mogelijk gelijktijdig ermee ontstaan." (Comp. p. 619).
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 261
De inhoud van dit Lied kan worden gekarakteriseerd als een nogal zoete vergeestelijking van het aardse Kanaän met verwaarlozing van de zin van ons aardse bestaan. "Het hele stuk is vol middeleeuwse verachting voor al het aardse" (Comp. p. 620).
In dit verband kan worden genoemd o.m. strofe 6: "Zalig naar ziel en zin (wat is de betekenis daarvan?) wandlen zij vredig in grazige weiden, lieflijk tot lafenis zal die hun Herder is zachtkens hen leiden." En strofe 8: "Moog' aan ons allen de Heer in de vallende schaduw verschijnen".
De melodie is zeer goed.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 262
De bijbelse achtergrond van dit Lied is duidelijk: met een "vage herinnering aan de wachters van Jes. 21 : 11-12, vinden we hier de gelijkenis van de tien maagden uit Matth. 25.
Voorts zijn de rede over de laatste dingen (Matth. 24: 27-31) en het visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde uit Openb. 21 in de tekst verwerkt." (Comp. p. 624).
Mede door de gelijknamige cantate van Bach is het lied beroemd geworden. De melodie is eigenlijk wat aan de lange kant. Mogelijk zou dit te ondervangen zijn door de strofen in 2 gedeelten te zingen van telkens 6 regels.
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 263
Afgezien van de verouderde stijl maakt de sterk dominerende "Jeruzalem-mystiek" dit Lied weinig aantrekkelijk voor de kerkzang. Weliswaar zijn - in vergelijking met de originele tekst uit de 16e eeuw - belangrijke wijzigingen en ook verbeteringen aangebracht, maar zowel naar inhoud als naar vormgeving is het o.i. voor de gemeente van nu niet acceptabel. "De melodie was in de gehele 17e eeuw en ook daarna nog geweldig geliefd, in talloze liedboekjes vinden we haar genoteerd." (Comp. p. 626).
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 264
"Van 't aardse los". Deze woorden uit strofe 4 geven een goede typering van dit Lied, dat duidelijk de sporen draagt van de piëtistische inslag van de oorspronkelijke dichter. Het mag dan "als een der zeldzame eschatologische liederen van na de Reformatie" (Comp. p. 627) worden getypeerd, tekst en inhoud zijn o.i. voor de levensgang van de gelovige van vandaag te weinig normatief.
De melodie heeft door de loop der tijden zijn grote uitdrukkingskracht bewezen en "het zal wèl tegen een eventueel slijtageproces bestand blijken".
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 265
Een zeer fantasierijk gedicht, maar als kerklied niet geslaagd vanwege de te geringe bijbelse binding en gerichtheid.
Eenvoudige lezing van de 21 (!) strofen maakt deze conclusie voldoende duidelijk. Een goede illustratie is o.m. te vinden in de strofen 17 tlm 19: "Te Deum zingt Ambrosius en alle vaders mee, Johannes en Gregorius, zingen laudamus te. En Luther zingt er als een zwaan en Bach, de grote Bach, die mag de maat der englen slaan de lieve lange dag. De negers met hun loftrompet, de joden met hun ster, wie arm is, achteropgezet, de vromen van oudsher, van alle kanten komen zij...
Een ontroerend gedicht betekent nog niet altijd een goed kerklied, zoals hier blijkt.
De melodie van een Engels volkslied is onbekend, maar goed.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 266
De dichter werd voor dit Lied geïnspireerd door een middeleeuws tapijt met een uitbeelding van de tekst van Openb. 14 : 13: "En ik hoorde een stem uit de hemel, zeggende: "schrijf, zalig zijn de doden die in den Here sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten mogen van hun moeiten, want hun werken volgen hen na." De dichter is er goed in geslaagd een juiste benadering te geven van deze Schriftplaats.
De melodie is niet bekend, maar zal na enige oefening goed bruikbaar blijken voor de gemeentezang.
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 267
In tegenstelling met het voorgaande valt een duidelijke lijn in dit Lied niet te ontdekken. Het maakt meer de indruk van een samenraapsel te zijn van diverse Schriftplaatsen. Wel moet gezegd worden dat er een opvallend verschil in dit opzicht is tussen de ene en de andere strofe. Zo is b.v. strofe 1 wel acceptafel, maar bij strofe 3 is wel een vraagteken te plaatsen: "zaal'gen, die hebt overwonnen brengt roem en lof de Nooitbegonnen' " (?). Mogelijk hangt een en ander mede samen met het feit dat de 19e-eeuwse vertaler zich nogal wat vrijheden veroorloofde. Voorts zijn in deze versie in de loop der jaren diverse wijzigingen aangebracht.
De melodie is zeer bekend. Zie verder de opmerking bij Lied 262.
Tekst: 1; melodie: 3.
A. t.a.v. de tekst der liederen: het cijfer 1 bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, b.v. vanwege het humanistisch karakter of door een sterke piëtistische inslag; het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst; het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.
B. t.a.v. de melodie der liederen: het cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodie; het cijfer 2 voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort; het cijfer 3 voor "een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang