Wat kan een man, oprecht en trouw nog doen in zulk een tijd?
1985-05-03
Hebt u wel eens van pater Kolbe gehoord? Hij was een: Franciscaner monnik, geboren in 1894: Vóór de Tweede Wereldoorlog heeft hij een tijdlang als zendeling i:nJapàn gewerkt, in 1941 stierf hij in Auschwitz. Dat ging zó: één van zijn medegevangenen was uit het kamp gevlucht en als straf daarvoor werden willekeurig tien andere gevangenen tot de hongerdood veroordeeld. Een van de tien begon vreselijk te huilen, hij had vrouw en kinderen en hij kon zijn lot niet aanvaarden, Toen stapte pater Kolbe naar voren en vroeg of hij voor de ander in de plaats mocht komen. Zelfs de SS kwam daarvan onder de indruk en gaf toestemming voor de ruil. Gevangene 5659 heeft de oorlog overleefd en pater Kolbe, nummer 16670, ging de hongerbunker in. De veroordeelden stierven een verschrikkelijke dood, ze kregen absoluut geen eten en drinken, maar pater Kolbe is hun steunen troost geweest. Een gevangene die de cellen schoon moest houden, heeft later verklaard dat de SS-ers de blik van de pater niet konden verdragen. Toen er een keer en aantal verhongerden naar buiten gedragen werd, schreeuwden ze 'hem toe: “Kijk naar de grond, niet naar ons!" Hij stierf hun te langzaam; misschien heeft zijn houding ook zoveel respect afgedwongen dat ze hem .daarom een laatste gunst verleenden en hem met een injectie afmaakten.- Jaargang 29
- nummer 18
Ik ontleen deze geschiedenis aan het boek "De Plaatsbekleder", door Rolf Hochhuth. Het is een toneelstuk waarin centraal staat dat paus Pius XII ondanks de aandrang van velen nóóit openlijk heeft geprotesteerd tegen de beestachtige behandeling en uitroeiing van miljoenen Joden. Hij wist wat er aan de hand was, maar hij heeft geweigerd krachtig en duidelijk te protesteren. Op 28 oktober 1943 schreef Hitlers gezant uit Rome. Hoewel de paus naar verluidt van verschillende kanten onder druk is gezet, heeft hij zich tot generlei demonstratieve uitlatingen tegen het wegvoeren van de Joden laten verleiden. Al zal hij er rekening mee houden dat deze houding hemdoor onze tegenstanders kwalijk zal worden genomen, hij heeft ook ten aanzien van deze netelige kwestie alles gedaan om de verstand houding met de Duitse regering niet in gevaar te brengen.
Wat deze paus bezield mag hebben, ik heb er geen idee van, maar de houding van de hoogste Rooms-katholieke autoriteit staat wel in een heel schril contrast met die van pater Kolbe. Met respect denk ik terug aan de kerkenraad van de Geref. kerk in Appelscha. Het moet in diezelfde tijd zijn gebeurd, of ik was nog maar een jongen van een jaar of 13, maar het heeft toen diepe indruk op mij gemaakt. Die kerkenraad paste de tucht toe op een lid van de gemeente dat NSB-er was. Die kerkenraad durfde het aan, midden in de oorlog, de gemeente mee te delen dat die en die (hij werd inderdaad voluit met zijn naam genoemd) uitgesloten werd van de gemeente des Heren en daarom te houden was als een heiden en tollenaar naar het bevel van Christus. Ook werd de gemeente vermaand zich niet met hem te vermengen opdat hij beschaamd zou worden, nochtans hem niet houdend als een vijand maar bij wijlen vermanend gelijk men een broeder doet. Hoe jong ik ook was, ik voelde de spanning in de kerk toen het formulier voor de Ban volledig werd voorgelezen, en ik had ook toen al diep respect voor de ambtsdragers die zó bewezen hoe zij ernst maakten met de zaak, hoe zij ervoor durfden te stáán. Nu , veertig jaar na de bevrijding, voel ik dat respect nóg, en ik schrijf dit hier neer als een klein huldebetoon aan de broeders van toen!
Het was die geest die ook sprak uit het beroemd geworden Lied van de Achttien Doden. Jan Campert schreef dit naar aanleiding van de terechtstelling van de zogenaamde "Geuzen" die van diezelfde geest hadden getuigd.
Wat kan een man, oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind,hij kust zijn vrouw
en strijdt de ijdele strijd.
Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar;
maar 't hart dat het niet laten kon,
schuwt nimmer het gevaar; .
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloekb're schennershand
het anders heeft begeerd..
Ach, het is niet van die "hoge'" poëzie dat gedicht van Jan Campert, Eigenlijk geldt hetzelfde als in "CeIdroom" van Van Randwijk staat: "Hij schreef het beter niet zijn leven". Dat heeft ook Jan Campert gedaan, hij liet het niet bij woorden alleen hij hielp metterdaad zijn. bedreigde Joodse medemens en hij betaalde daarvoor in een concentratiekamp met zijn leven; in Neuengamme, januari 1943, veertig jaar oud.
Ik eindig deze keer met twee strofen uit “Hollands Lied", ook van Jan Campert. Zij spreken voor zichzelf:
Ik weet, ik weet zo zeker als het bloed
in 't Sticht en 't Zeeuwse land,
in Brabant, 't Gelderse, de voren voedt-
Eén is er die mijn volk behoedt
al schijnt het overmand.
Vertrouw gerust daarop, maar laat niet af
ook al beheerst ge uw hand:
gedenkt de vele doden in hun graf,
waarvan een elk zijnleven gaf
voor ons klein Vaderland.