'Hoofd van': Goddelijke rangschikking
1985-05-10
Hoofd en hart- Jaargang 29
- nummer 19
"Onze tijd is de tijd van de emancipatie der vrouw. De suffragettes in Engeland, die alles vernielen om hun zin te krijgen, zijn wel de uitwassen der moderne vrouwenbeweging, maar ze komen dan toch voort uit de zucht naar gelijkstelling van de vrouw met den man, die niet uit God is. Zeker, er zijn vele wantoestanden door de zonde ontstaan. Een er van is deze, dat de vrouw als de minderwaardige is beschouwd en behandeld; en dit is tegen Gods ordening. Maar vóór den zondeval heeft God de vrouw niet de gelijke van den man gemaakt, niet dezelfde plaats aangewezen als hij, maar een andere. Hij het hoofd. zij het hart. Hij de koning, zij de hem steunende levensgezellin. Hij zijn invloed over al het geschapene uitoefenend, zij meer op den achtergrond van het leven."
Aldus J. N. Voorhoeve in "Timotheüs" van 15 febr. 1913. "Hij het hoofd, zij het hart" . Bij deze, ook al weer gangbare, mening staat 'hoofd' voor het verstandelijk een 'hart' voor het gevoelsmatige, vaak ook intuïtieve. Voorhoeve was daarmee een kind, van zijn tijd - maar wie is dat niet? Neem de remonstrantse professor Episcopius (1583-1643), als het gaat over het beeld Gods. Ik citeer. "Heerschappij, daar komt het op aan; ook Episcopius verwijst weer naar 1 Cor.11 : 7, waar de man· Gods beeld en heerlijkheid heet, 0 neen, niet omdat hij in rationeel opzicht zoveel 'Voor heeft boven de vrouw (er zijn ook van die “femmes savantes"), maar omdat hij heerschappij over haar oefent." K. Schilder, Heid, Cat. I, 233 v.) Hoofd - begin - eersteling .
'Hoofd': een kwestie van verstandelijke capaciteiten of van regeermacht? Vergelijk Ursinus: "het publieke regiment staat bij de man, niet bij de vrouw," En dan doelt hij "op de orde in kerk, staat en maatschappij" (a.w. I, 229 N.I). Maar wat zal Paulus voor ogen hebben gestaan toen hij dat, woord 'hoofd' koos in 1 Cor. 11 :3 (en in Ef. 5: 23) om onderlinge verhoudingen te typeren? Hij was tenslotte een Jood en kon dat woord dus wel eens zó gebruiken als het in het Oude Testament voorkomt. In het O.T. is 'hoofd' een dynamisch, beweeglijk begrip: er zit a.h.w. vaart in. Van een dier zie je eerst de kop verschijnen, dan de romp, tenslotte de staart. Zo kom je van kop of hoofd vanzelf bij 'begin': dat wat het eerste komt, maar waar wel iets achteraan 'komt. Zo lezen we bijv. in Ex. 12: 1: "Deze maand zal u het hoofd der maanden zijn...”. De maand van de uittocht wordt de. eerste, het hoofd, het begin. Dan komen de andere maanden daar achteraan, die horen erbij, bij dat zelfde jaar. In diezelfde lijn ligt het begrip 'eersteling' (soms zelfs verbonden met eerstgeborene), waarbij we als vanzelf denken aan de eerstelingen van de oogst. Ook hier: het begin - maar de rest volgt. Ook kun je hoofdpriester zijn: eerste priester, of hoofd, d.w.z. leider van de lofzang (Neh. 11 :17), de voorzanger die inzet. Soms krijgt het woord zelfs de kleur van: de eerste (en) de beste. Zoals in Ex. 30 : 23 gesproken wordt van “het hoofd van de mirre”, in de N.V. uitstekend weergegeven met vanzelf gevloeide mirre. Net zoals wij spreken van ‘lekhoning': de beste kwaliteit vanzelf uit de raten gelekt; de rest wordt eruit geslingerd: slingerhoning.
Vooraanstaand? Vooropgaand!
Het begrip 'hoofd' roept een levendig beeld op, zo bijv.: "De HERE zal u (Israël) stellen tot een hoofd en niet tot een staart" (Deut. 28 : 13). En in die beeldende taal zien we het hoofd als eerste, als begin, als eersteling verschijnen. Het hoofd is voorbeeld voor wat komt, voorganger van wat volgt. Wie 'hoofd' is, heeft een vooropgaande positie. Uit de schaats- en wielersport kennen wij de uitdrukking 'op kop gaan' of 'de kop nemen'. En wie op kop gaat, die is de eerste. maar dan de eerste van een hele rij die daar achter komt. Hoofd in deze bijbelse betekenis is niet heerser (onderdrukker), maar voorganger en voorbeeld. Het voorbeeld Qat gevolgd wordt door wie na hem komen. Dat wat het hoofd kenmerkt, kenmerkt de volgenden: Een mooie toelichting vinden we in diezelfde brief aan de Corinthiërs: "Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn, ieder in zijn eigen rangorde (Groot Nieuws Vertaling: ieder op zijn beurt). Christus als eersteling, vervolgens (dan, daarna) die van Christus zijn bij zijn komst" (I, 15 : 20,23).
De verbondenheid is kenmerkend
Juist in 1 Cor. 15 staat of valt alles met de verbondenheid tussen de Eersteling en wie na Hem komen. Dat is de inzet van Paulus' prediking: "Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u er toe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is? Met dat laatste staat of valt Christus' opstanding, Paulus' prediking, het geloof der gemeente, de bevrijding van zonde, de totale verlossing uit de verlorenheid (I, 15: 12-19).
Zó bepalend, zó kenmerkend is Christus. als eersteling voor wie na Hem komen en in Hem ontslapen. Er is daarbij sprake van een zekere "orde" - een woord dat eigenlijk 'rangschikking' betekent. Die rangschikking brengt mee, dat de een het hoofd, begin, eersteling is en dat anderen volgen. Er is letterlijk vaak sprake van een volgorde. Wie Staat op het woord rangorde, bedenke dat 'die niet van doen heeft met 'heersen over' en “slaafs onderworpen zijn aan'. In Gods rangschikking past niet de vraag (laat staan de strijd) inzake "wie de mééste is".