Preek

1985-05-17
  • Jaargang 29
  • nummer 20
Vorige week heb ik in deze rubriek iets voorgelezen uit de Acta van de Nationale Synode te Dordrecht, gehouden in 1578. We gaan nu nog tien jaar verder terug in de historie en wel naar het Convent, te Wezel gehouden, op 3 november 1568. Het was geen officiële kerkelijke vergadering van de Nederlandse Gereformeerde Kerken. maar toch wel een samenkomst van kopstukken uit die kerken, die graag iets doen wilden om het kerkelijk leven in de Nederlanden in geordende banen te leiden. In een boek van F. L. Rutgers (Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw) zijn de" Wezelse Artikelen" te vinden.
Tussen haakjes: wat verstond men in die "Bloeitijd van het Calvinisme" de kunst om snel zaken te doen. De Nationale Synode van Den Haag duurde een maand, de andere synodes hoogstens een week of twee, drie en denk maar niet dat er niets op het agendum stond. In Wezel bijvoorbeeld is op die derde november gesproken over huwelijk, tucht, kerkelijke vergaderingen en ambten, zelfs al over de vrouw in het ambt van diaken. Maar het gaat me nu om de preek.
De broeders in Wezel, Datheen was daar en Marnix ook, vonden dat men geen voorschriften maken moest over de manier van preken. Er diende vrijheid te blijven, maar elke predikant zal, naar de gaven des Geestes die hij ontvangen heeft, trachten de Schrift zo duidelijk mogelijk uit te leggen. Dit is het positieve, dat Wezel vooropstelt, en het is, dunkt me, een omwenteling vergeleken met de praktijk van de preken in de Roomse kerk; ten eerste wat die vrijheid aangaat, doch met name ook wat betreft de stelling dat de exegese van de bijbel het voornaamste doel van de prediking is. Vervolgens waarschuwt Wezel ervoor, dat de predikant alle hoogdravendheid zal vermijden, "waarin zeer velen vallen", hij zal niet trachten zichzelf te bevredigen met onnutte speculaties, hij zal de preek niet vullen met citaten van heidenen en fabuleuze en heilloze getuigenissen, hij zal niet moeilijk doen met woorden en spreuken, kortom, ' hij zai mijden al datgene wat meer lijkt op een show dan op de opbouw der gemeente. Mochten de gymnasiasten onder onze lezertjes nu opmerken dat men in 1568 toch zeker nog niet sprak van een "show", dan wil ik hun graag meedelen, dat er in het Latijn staat: ad inanem ostentationem potius quam ad aedificationem comparata" en ik heb die "ijdele vertoning", of die "tentoonspreiding van ledigheid" met "show" vertaald. Het is een vrije vertaling en als ik de mensen van de tv-shows hiermee kwets, dan doet me dat deugd. Verder zegt Wezel dat men zich met de preek in alles richten zal op de twee belangrijkste hoofdstukken van het Evangelie, namelijk het geloof en de bekering, maar dat de predikers de hoorders niet belasten moeten met lange preken: een uur is wel het maximum.
Ik heb eens iemand horen zeggen: "wij kunnen, als predikanten, nooit opboksen tegen de vlotte jongens van de showbusiness". Wezel leert ons, dat we dit zelfs niet moeten proberen. De solide en sobere preek zal toch nog heel wat doen en zelfs minder gauw vergeten zijn dan een "wervelende show".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief