De weg naar Chalcedon
1985-05-17
Een en dezelfde persoon met de Vader; uit wie de Zoon is geboren en de Geest is uitgegaan.- Jaargang 29
- nummer 20
- Gregorius van Nyssa 1)
Ik wil liefst elke synode, ontvluchten, want ik heb er nog nooit iets door zien verbeteren, wel verergeren door afgunst en heerszucht.
- Gregorius van Nazianze 2)
Verwarring
Het verhaal dat we drie weken geleden begonnen, over Basilius, brengt ons naar de tijd waarin gestreden werd om het wezen en het werk van de Heilige Geest. Naar een strijd tussen rechtzinnigen -met name de Cappadociërs, enerzijds en anderzijds de "Pneumatomachen", de “Geeststrijders", ook wel Macedoniërs (naar een bisschop Macedonius) genoemd.
Opnieuw moet worden gewezen op de uiterste complexiteit van gebeurtenissen, 'houdingen van hoogwaardigheidsbekleders' in kerk en staat, uitspraken van bisschoppen en concilies en andere kwesties die de bestudering van deze periode tot een ramp moeten maken voor hen die er ooit tentamen over moeten doen! De stof vraagt nadrukkelijk om beperking. Te midden van die veelheid en die verwarring dus wat hoofdzaken. Die overigens niet onbelangrijk zijn! In deze periode ná "Nicea" en vóór "Chalcedon" komt een aantal contouren bloot van het gelovig nadenken van de Kerk over het grote geheimenis van de goddelijke Drie-enigheid, hoe Kerkvaders en Concilies dit mysterie zijn gaan verstaan, of - beter nog - hoe men het niet is gaan verstáán, maar wel heeft aangewezen wat men niet mocht geloven. Want het juiste verstaan blijft voor mensen onmogelijk, maar een onjuist verstaan kan terdege worden opgemerkt, aangevallen en afgewezen.
Athanasius
Athanasius had al gezegd dat de Geest - anders dan schepselen, die uit het niets voortkomen - van God komt, dat Hij heiliging en leven schenkt, onveranderlijk is, alomtegenwoordig en uniek De "Triade", zoals hij het noemt, is eeuwig, onveranderlijk en ondeelbaar.
De Geest maakt daar deel van uit en dus...Ook de Geest moet "van hetzelfde wezen zijn met de Vader". Verder is er de nauwe band met de Zoon. Aan de hand van allerlei teksten wil Athanasius aantonen dat de Geest de Geest van de Zoon is, “de levende werkzaamheid waardoor Hij heiligt en verlicht" etc.
Andere uitspraken zijn: "De Vader volvoert alle dingen door het Woord in de Heilige Geest".
Of ook: "Als van de Vader melding wordt gemaakt, wordt het Woord daarbij ook ingesloten, alsook de Geest die in de Zoon is. Als de Zoon wordt genoemd is de Vader in de Zoon en de Geest is niet buiten het Woord." 'De Pneumatomachen stelden hier veel teksten 'tegenover, die, naar hun mening, aangaven dat de Geest ondergeschikt is aan de Vader; met name ook wezen ze op het stilzwijgen der Schrift, als het, om de goddelijkheid van de Geest gaat. Ook meenden ze dat er binnen de Godheid geen relatie mogelijk was buiten de Vader en de Zoon om; op zijn best was de Geest dus een of andere kracht die die twee verbond.
In het andere kamp was de positiekeus noodzakelijkerwijs geleidelijk, zegt Prof. Kelly, aan wiens boek Early Christian Doctrines ik hier het meeste materiaal ontleen. Basilius de Grote onthield zich tijdenlang zeer nauwkeurig van te nadrukkelijk spreken over de Geest als God; "om tactische redenen", zegt Gregorius van Nazianze, die het weten kan. Hij volstond met te ontkennen dat de Geest een schepsel was. Toen hij met een aantal leiders van "het andere kamp" brak, werden zijn opmerkingen in dezen wel duidelijker. In zijn werk Over de Heilige Geest, dat belangrijke gevolgen had, spreekt hij - naast het al genoemde verhaal over de studie van voorzetsels, dat een zeer groot deel van het werk in beslag neemt over de noodzaak de Geest met in plaats van onder de Vader en de Zoon te rekenen. Oftewel, zoals hij in een brief zegt, "We brengen de Geest eer met de Vader en de Zoon, omdat we geloven 'dat Hij niet vreemd is aan de goddelijke natuur." Zijn gronden om de Geest die hoge eer' en waardigheid te gunnen berust op een aantal overwegingen: de macht en omvang van Zijn wenken èn het feit dat de Geest steeds genoemd wordt in relatie met de Vader en de Zoon. Waarbij vooral ook de doopformule (in Schrift en Traditie beide) een belangrijke rol speelt.
Gregorius van Nazianze
Basilius is twee jaar voordat het Concilie van Constantinopel van 381 bijeenkomt gestorven" Een concrete rol heeft hij bij dat Concilie dus niet kunnen spelen. Die is weggelegd voor zijn vriend en medestrijder Gregorius van Nazianze, Deze is wel genoemd "de Christelijke Demosthenes". De laatstgenoemde was de belangrijkste redenaar van de Griekse Oudheid, een man die zijn land - al weer zo'n zeven eeuwen eerder - waarschuwde voor de vader van Alexander de Grote. Net als Demosthenes had Gregorius "een nietig voorkomen" en was hij veel ziek. De hoofdrol die hij bij het Concilie spelen moest (hij was een tijdlang voorzitter) was zeer tegen zijn zin. Nauwelijks mocht hij weg of hij ging weg! Hij zocht de rust, vanwege zijn gezondheid en vanwege zijn behoefte eraan. Hij lijkt een beetje (alleen op dit punt ongetwijfeld) op Churchill, die meteen na de Geallieerde overwinning het veld ruimt. Zijn taak zit erop! Echternach beschrijft hem zo: hij was "nerveus en onbestendig, reflecterend en rijk aan woorden, en diep in zijn hart verlangde hij steeds naar een wilskrachtiger persoonlijkheid." Toch is hij ook de man die zijn vader, die een minder orthodoxe positie op het punt van de Godsleer innam, tot de Niceense orthodoxie terugbracht .
Voordat hij voorzitter van het Concilie werd, werd hij Patriarch van Constantinopel, een moeilijke, razend moeilijke baan, die hij niet heeft geambieerd. Uit Echternachs steeds weer levende boek citeer ik het volgende: "Maar Gregorius houdt vol. Een heel jaar duurt deze gespannen toestand. Hoe de sfeer was, deelt een reisbericht van een tijdgenoot mede: 'Ik ga naar de geldwisselaar; hij geeft' me munten met de opmerking: "Overigens bent u toch ook van mening dat de Vader gelijksoortig is met de Zoon?" I\k laat een bad voor me klaarmaken; de badmeester begroet me: "Nietwaar, Zoon en Geest zijn toch van hetzelfde wezen?" Langzaam krijgt Gregorius meer gezag, Zijn preken trekken steeds meer mensen. Bij de duidelijke opbouw voegen zich.
scherpzinnigheid in de gedachtegang en retorische talenten. Bovendien toont hij zich een goed zielzorger en een helder voor de gemeente, die zich bewust is van zijn grote verantwoordelijkheid, voor zover hij geen last ondervindt van zijn wereldvreemdheid, zijn kleinsteedse manieren en zijn schamele kleding."
(wordt vervolgd)