God en de lijdende mens

1983-07-01
  • Jaargang 27
  • nummer 26
Hij had gestalte noch luister dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante dat wij hem zouden hebben begeerd.
Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja als iemand voor wie men het gelaat verbergt. Hij was veracht en wij hebben hem niet geacht.

(Jesaja 53: 2 en 3)

Ergens in het psalmboek komen we een opmerkelijke zaligspreking tegen: "Welzalig hij, die een juist inzicht heeft in de situatie van een aan lager wal geraakte". (Ps, 41 : 2). Degene die dat zegt is zelf zo’n mens in kommervolle, deplorabele toestand. Hij heeft het met te breed en maakt het nu mee dat zijn omstanders zich niet verstandig tegenover hem gedragen verglissen zich in hem. Ze trekken uit zijn leed; uit zijn lijden, verkeerde conclusies. Ze zeggen: jij in jouw omstandigheden, jij kunt de gunsteling van God niet zijn...
Wat is het inderdaad moeilijk, zo moeten wij de psalm bijvallen, tegenover de lijdende mens de juiste houding aan te nemen.
Wij moderne christenen zullen tegenover een lijdende medemens met gauw een dergelijke toon aanslaan.
Wij hebben uit het evangelie terecht begrepen dat God en het lijden iets met elkaar te maken hebben.
Maar nu lopen wij het gevaar naar het andere ultieme door te slaan.
Wij kunnen geen lijdende zien of we kiezen partij voor hem. Wem men vroeger door het geloof gerechtvaardigd tegenwoordig lijkt men wel door lijden gerechtvaardigd te worden. Nu hebben we de zaligspreking van de psalm naar de andere kant nodig: "Welzalig hij die zich verstandig gedraagt ten opzichte van de lijdende medemens". Want lijden en lijden is twee en niet naar iedere lijdende mens gaat Gods sympathie uit.

Tegenwoordig immers wordt de lijdende mens opstandig gemaakt, Dit gebeurt bewust. Ik zal kort in verschillende richtingen laten zien wat voor veranderingen dat teweeg brengt.
Eerste voorbeeld: Vroeger kenden wij het joodse volk onder het type van Ahasveros de wandelende jood. De weerloze die als een voetbal over de aarde werd geschopt.
Sirnon Wiesentbal heeft onlangs nog eens duidelijk gezegd dat we ons in het joodse volk niet moeten vergissen. Dat het nooit meer zal dulden dat het weerloos wordt afgeslacht. De legende van Ahasveros de wandelende jood is dood.
Ben ander voorbeeld: Vroeger kenden wij de zwarten onder het type van Oom Tom, de tot de dood toe afgebeulde- neger van de plantages in' het zuidelijk deel van de Verenigde Staten. Maar ook dat type lijkt vandaag uitgestorven, Gelovige duldzaamheid heeft plaats gemaakt voor zelfbewuste weerbaarheld.
Nog een voorbeeld: Vroeger heette de arme 'Lazarus'; Deze naam droeg hij vanuit bet evangelie. Jezus bad hem gegeven en hij betekent: 'God die helpt in nood'. De arme van vandaag echter veracht deze naam. Hij kan er mets mee.
Hij verenigt zich liever met andere armen om het juk van verdrukking en knechting af te werpen.
Laatste voorbeeld: Ook vroeger al hadden veel vrouwen een. leven als een hel. Haar lijden was zo naamloos dat het dichtbij mijn weten niet tot een type beeft verdicht.
(zoals in mijn vorige voorbeelden het geval was).
Maar ook aan dit lijden wordt nu iets gedaan. Door het feminisme, dat de vrouw tot een vechtster voor eigen rechten maakt.
Vier voorbeelden die alle vier in dezelfde richting wijzen.

Maar hoe denk ik nu over deze ontwikkelingen? Juich ik ze soms niet toe?
In een bepaald opzicht wel. In zoverre we hierin namelijk te maken hebben met een reageren tegen een verkeerd verstaan van het evangelie. Want het valt niet re loochenen: christenen hebben van deze duldzame, op God wachtende houding van hun lijdende medemens misbruik gemaakt, zijn verdrukkers geworden. Christenen?
Naam-christenen! Want we hebben in de geschiedenis te maken met christenen en valse christenen, met kerk en valse kerk.
Dat. kan bij de beschrijving van de historie niet over het hoofd' worden gezien.
In zoverre we nu in de moderne ontwikkeling een goddelijk gericht over een vervalste kerk en christenheid · hebben te zien, moeten wij ons eronder buigen.
Maar als nu vandaag beweerd wordt dat de christelijke kerk mee moet gaan in- deze omturning, dat ze die moet bevorderen, ja, dat ze daarbij voorop moet lopen, dan zeg ik toch nee.
Want dit betekent stellig het einde van ons geloof. (Nog afgezien hiervan dat het het einde betekent van nog meer dingen. Bijvoorbeeld van de humor. Waar is in het moderne Israël de joodse humor gebleven?
Grimmige mensen hebben geen humor, Let daar ook in je eigen omgeving maar eens op.
Maar dit is het belangrijkste met.
Het belangrijkste is dat deze houding het einde betekent van ons geloof.) Hoe dan? Wel, omdat het hier om systemen van zelfverlossing gaat, die als zodanig tegenover het evangelie van Jezus Christus staan.
Als wij ons geloof bijbels houden, behoeven wij zelf van die bevrijdingsbewegingen met eens afscheid te nemen. Zij doen dat eigener beweging wel. Een tijd lang lopen ze gelijk op met enkele progressieve vormen van het christelijk geloof, maar dan komt er toch al gauw het moment dat ook de meest vooruitstrevende christen moet erkennen dat wat hij samen met die bevrijdingsbewegingen voorstaat en bevordert niet langer bijbels is.
En met het bijbels karakter staat of valt ons geloof.

Nee, als wij werkelijk met de ontferming van Christus in de wereld willen staan, dan zullen we op zoek moeten gaan naar andere vormen van lijden als die zich vandaag zo nadrukkelijk aan ons presenteren.
Ik zou bijna zeggen: hoe oninteressanter des te beter; hoe 'minder in het oog lopend, des te meer kans dat we kijken in de richting waarin de Here God zelf ook kijkt. Ik denk hier met name aan de Iijdensgestalte van onze Here zelf. Ik weet wel dat zijn kruis nu als een ene teken hoog opgericht op kerktorens staat. Maar dat was niet zo in de tijd dat Hij er aan hing. Toen was het kruis het teken van werkelijk onvoorstelbare verachting, Wie zou het durven om op een kerktoren een galg te plaatsen? Maar het kruis was oorspronkelijk een nog schokkender teken van lijden. Echt; de mensen draaiden daar hun hoofd' van weg en zeiden: dat namelijk niet!
Het is dan ook geen wonder dat we in het bekende lied van de lijdende knecht des Heren juist wat dit betreft een bekentenis van de gemeente tegenkomen. Gods volk dat toch door de geschiedenis heen zeer goed weet walt: lijden is, belijdt daar in Jesaja 53 dat ze zich in de lijdende knecht vergist heeft: Hij was veracht en wij hebben hem niet geacht", "Wij hielden hem voor een geplaagde, een door Gold geslagene en verdrukte", Wij verborgen ons gelaat voor hem, wij draaiden ons hoofd voor hem om' (Jes. 53 : 3).
Ik denk dat wij de lijdende mensen die van Jezus zijn even gemakkelijk over het hoofd zien als dat destijds met Hem zelf gebeurde.
Dat ze in onze ogen even oninteressant zijn; dat er even weinig eer aan te behalen is.
En de angst bekruipt me wel eens dat we met al onze aandacht voor de armen en verdrukten, toch falen in het onderkennen van de ware armen en de ware verdrukten. De ware arme en de ware verdrukte, zegt Paulus (1 Tim. 5 : 5), heeft zijn hoop op' God gevestigd. Hij, schreeuwt naar God en niet naar de pers. Je moet zelf op God afgesternd zijn om dat schreeuwen te horen.

Dat is dan ook de weg die ik wijs: Ken God en je zult zijn ellendige leren kennen: Verdiep je in Christus' lijden en je zult gevoelig worden voor het lijden dat bij Hem behoort; dat in zijn buurt zich ophoudt.
En dan de andere lijdende mensen maar laten creperen? Het 'punt is dat er vandaag vormen van lijden ontstaan die van woorden als 'ontferming' en 'barmhartigheid' niets meer willen weten. Niet u weigert hen te helpen, moor zij zelf weigeren geholpen te worden. En dar vergt van ons een nieuwe oriëntatie, een ander omzien, een andersoortige gevoeligheid.
God geeft die aan wie Hem zoeken.
In de mate waarin u Hem kient, brengt Hij ons bij zijn lijdende mensen, Dat zijn lang niet altijd medechristenen, maar hert zijn wel degenen bij wie bet evangelie 'nog een kans heeft, Wij mogen God wel bidden dat we ons niet vergissen bij de vraag wie de ware lijdende is. Behalve het gebed is daarvoor ook nodig dat de christelijke gemeente haar eigen weg gaat en zich niet Iaat opjutten door die publiciteitsmiddelen die van het evangelie wel de klok hebben horen luiden maar niet meer weten waar de klepel hangt, Welzalig hij die zich verstandig gedraagt jegens de ellendige!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief