Predikant met een bijzondere opdracht

2011-09-16
  • Jaargang 55
  • nummer 18
Ik ben afgestaan. Zo sta ik in het Informatieboekje 20111 vermeld. En zo voelt het soms ook voor mezelf en misschien ook wel voor de kerken. Afgestaan is de aanduiding van drie van de vier Nederlands Gereformeerde predikanten die als geestelijk verzorger werkzaam zijn in zorginstellingen, krijgsmacht of justitie. Een predikant is zelfs geheel afgestaan en een andere wordt ‘slechts’ vermeld als predikant die voorheen de gemeente heeft gediend. Ik vraag me af hoe dat voelt voor de betreffende predikant en voor de kerk of gemeente. Afstaan heeft immers te maken met afstand, met iets of iemand die ver van je af staat.

Persoonlijk
In al die jaren dat ik nu al ben afgestaan, zijn daar voor mezelf verschillende gevoelens aan verbonden geweest.
Vreugde en dankbaarheid voor de kansen die ik kreeg om mooi werk te doen in Gods koninkrijk, werk dat ertoe doet. Maar ook geen kerkelijke vergaderingen meer, geen kerkelijk keurslijf, geen kerkelijk gedoe meer. Ruimte, groot als de wereld. Dankbaarheid, opluchting en bevrijding dus.
Maar er waren ook gevoelens van eenzaamheid, teleurstelling en verlies. Het gevoel niet gedragen te worden door de kerken. Het gevoel niet begrepen te worden in mijn nieuwe ervaringen en mijn eigen machteloosheid om die ervaringen te delen. Het gevoel geen ruimte te ervaren voor het verhaal van buiten de kerk naar binnen. Het gevoel binnen de kerken nauwelijks gevoed te worden voor het werk daarbuiten.
En tegelijk ook altijd het besef, dat een kind van God niet alleen kan leven en dat ik niet zonder gemeenschap kan, niet zonder voeding. Het gevoel van dankbaarheid voor de gemeenten waar ik geborgenheid heb geproefd en proef en waar ik in de gemeenschap de liefde van God heb mogen ervaren. Ik kan en wil niet zonder de gemeente van Christus.
Mijn gevoel was misschien niet altijd terecht, maar het was er wel. Ik ben uiteindelijk afgestaan.

De kerken
En hoe is dat binnen de kerken? Zij staan immers predikanten af.
Vanuit de gemeente waaraan ik als predikant verbonden ben en die nog steeds mijn geestelijke thuishaven is ervaar ik belangstelling en betrokkenheid bij mij als predikant en mijn werk in de krijgsmacht. Dit is echter niet vanzelfsprekend, maar omdat ik nog steeds lid van diezelfde gemeente ben zijn er goede mogelijkheden de wederzijdse band en betrokkenheid levend te houden. En dat is mooi. Maar was ik indertijd niet ‘toevallig’ hun predikant geweest, dan weet ik niet of ze een predikant voor het werk in de krijgsmacht hadden beroepen (want zo is het echt gegaan).
En hoe het zit met de kerken in breder verband? Ik weet het niet. Zouden zij ook vooral afstand voelen? Zo hier en daar leeft nog steeds hardnekkig de gedachte, dat predikanten ‘die het in de gemeente niet redden’ altijd nog ergens als geestelijk verzorger aan de slag kunnen. En soms steekt de gedachte weer de kop op, dat – zoals nota bene een collega jaren geleden tegen me zei – een legerpredikant ‘verloren is voor de kerken’. Tegen deze achtergrond krijgt het woord afgestaan wel een erg nare bijsmaak.
En wat te denken van het gebruik van de term afgestaan voor slechts die predikanten die werkzaam zijn in geestelijke verzorging buiten de muren van de kerk en niet voor bijvoorbeeld predikanten die een bijzondere opdracht hebben ontvangen met het oog op de opleiding voor predikanten of de verbreiding van het evangelie? De eersten zijn ‘gewoon’ predikant, de laatsten ‘missionair’ predikant.
Kan hieruit een verschil in waardering worden afgeleid? Ik weet het niet.
En trouwens, hoe zit het eigenlijk: volgen deze predikanten niet gewoon hun persoonlijke ambitie en is het dus hun eigen verantwoordelijkheid waar de kerken buiten staan – zoals een afgevaardigde op de LV leek te suggereren – of zijn ze eveneens tot hun werk door de gemeente en daarmee ook door God geroepen?

Verlegenheid
Het beeld is diffuus. De kerndocenten van de NGP worden in het geheel niet als predikanten met een bijzondere opdracht genoemd. Geestelijk verzorgers zijn vooral ‘afgestaan’.
Zendelingen zijn traditioneel wel in beeld als ambtsdrager, namelijk als missionair predikant. Een enkele predikant werkzaam in evangelisatie of onderwijs, is zelfs geëmeriteerd, terwijl hij nog volop aan het werk is.
Het lijkt wel of er een zekere verlegenheid is binnen de kerken ten aanzien van predikanten met een bijzondere opdracht. Verlegenheid en terughoudendheid om een bijzondere opdracht te verlenen. Deze terughoudendheid kan samenhangen met de visie op de verhouding tussen kerk en samenleving. Als de kerk zichzelf ziet als geroepen uit de wereld, zal ze zeker met een opdracht tot geestelijke zorg in die wereld terughoudend opstellen, als deze niet nadrukkelijk gericht is op bekering van mensen.
Het kan ook zijn, dat deze terughoudendheid samenhangt met financiële overwegingen. Als een gemeente haar predikant een bijzondere opdracht verleent tot bijvoorbeeld geestelijke verzorging, maar wel verantwoordelijk blijft voor het levensonderhoud van die predikant, dan kan ze wellicht geen gemeentepredikant meer beroepen. En als dat de keus is, gemeentepredikant of predikant met een bijzondere opdracht, dan is de keus in de meeste gevallen snel gemaakt.

Bemoediging
Maar er is ook een andere kant. Als kinderen worden afgestaan, gebeurt dat meestal met het oog op iets goeds, iets moois. En niet zelden heb ik dat ook ervaren in onverwachte gesprekken met militairen, tijdens inzet, oefening, in het ziekenhuis of gewoon op de kazerne. Een oplichten van Gods aanwezigheid in een enkel woord of gebaar. Ik koester die momenten als parels en juist dan ervaar ik het werk van de geestelijke verzorging als een bijzondere opdracht.
Een- en andermaal hebben de gezamenlijke kerken bijeen in Landelijke Vergadering dan ook uitgesproken geestelijke verzorging te zien als roeping voor de kerken en als bijzondere opdracht.2 Predikanten met een bijzondere opdracht zijn dan ook op één lijn gesteld met de ‘gewone’ predikanten. Zij zijn vanuit kerkelijk perspectief geen mensen die een persoonlijke ambitie volgen, maar kerkelijke ambtsdragers, geroepen tot een bijzondere taak die ze van de kerken en daarmee van God ontvangen.
Boodschap aan de wereld hebben is een voluit christelijke opdracht, ook als die niet direct of vóór alles bestaat in praten over God. ‘Wil de kerk in onze samenleving een geloofwaardig getuigenis van Christus afleggen, dan kan dat alleen als zij de daad paart aan het woord. Er zijn voor de ander, vooral de kwetsbare mens en de door de samenleving uitgespuugde mens, laat dat het visitekaartje van de kerk van Christus zijn.’3 Dit geldt zeker de geestelijke zorg aan kwetsbare en verguisde mensen, of dat nu gebeurt in zorginstellingen, gevangenissen, de krijgsmacht, het onderwijs of gewoon op straat. En zou het zo kunnen zijn, dat juist de huidige tijd vraagt om dit soort bijzondere opdrachten?
Of trekt de kerk zich vooral terug in haar eigen wereld?
De Nederlands Gereformeerde kerken hebben duidelijk positie gekozen. Zo ben ik indertijd nadrukkelijk namens de kerken benaderd voor het werk in de krijgsmacht en heeft de gemeente waarvan ik ‘gewoon’ predikant was een nieuw beroep op mij uitgebracht als predikant met de bijzondere opdracht van geestelijke verzorging in de krijgsmacht.
Tot op de dag van vandaag ervaar ik dat als bemoedigend en word ik erdoor gedragen, ook al is de actuele beleving bij mij of in de kerken soms anders.

Taal van de roeping
Ik ben naar gangbaar kerkelijk spraakgebruik afgestaan.
Misschien is dat de taal van de actuele beleving. Naar officieel kerkelijk spraakgebruik heb ik een bijzondere opdracht ontvangen. Dat is de taal van de roeping. Wat mij betreft geef ik een voorkeur aan het tweede. Wanneer we die taal blijven spreken, zal hopelijk de beleving zich daarnaar richten. Dit lijkt me heilzaam voor de betreffende predikanten, die de gemeenschap van het lichaam van Christus dichtbij weten. En dit lijkt me heilzaam voor de kerken, die mede hierdoor bij hun wezen als licht van de wereld (Matteüs 5:14) worden bepaald.
En zeg nou zelf: afgestaan klinkt toch heel anders dan predikant met een bijzondere opdracht?

Ds. Kees Smit is legerpredikant en verbonden aan de NGK Culemborg.

Noten
1 J.M. Mudde (red), Informatieboekje 2011 voor de Nederlands Gereformeerde Kerken, Amsterdam 2011
2 Zie ook artikel 11.2 AKS
3 J.M. Mudde (red), a.w. pag. 173

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief