Da Costa: terug van weggeweest!

1985-05-24
  • Jaargang 29
  • nummer 21
"Iets verder luistert Schimsheimer. Luisteren was zijn gaaf, terwijl het geenszins de gaaf van velen is. Ik kan mij hem nauwelijks anders dan luisterend voorstellen, en bedoel daarmede iets te zeggen, dat hem tot ongemeene eer verstrekt. Want in luisteren steekt piëteit, liefde, immers zelfverloochening, afwezigheid van ingenomenheid met eigen Ik; dorst naar het uitnemende dat anderen hebben te geven.
Eckermann heeft geluisterd; BosweIl heeft geluisterd. Zoo luisterde Schimsheimer naar da Costa. Het eenige dat ons van de talrijke bijbelse improvisatiën van da Costa is overgebleven, vindt men in de vier deelen, ,die Schimsheimer ons heeft geschonken: aanteekeningen, vooral na elken Zondagavond, door hem opgeschreven ter herinnering van het gehoorde. EIken Zondagavond was da Costa gewoon zijn huis te openen voor belangstellenden, die hij dan voorging in Bijbellezing en gebed. Men verdrong zich jaren achtereen, week aan week, des winters, in zijn zij- en binnenkamer: rijken en armen, geletterden en meer onkundigen. Wie er ooit ontbreken mocht, niet Schimsheimer... Niemand vermoedde destijds," dat Schimsheimer, te huis gekomen; opschreef wat da Costa had gesproken. Hij maakte geenerlei aanteekeningen, hij hoorde niet toe met de koelbloedigheid van den verslaggever. Zijn ziel luisterde, dronk da Costa's woorden in, en wierp haar licht op zijn beminnelijk gelaat, want die ziel hing aan da Costa met een liefde, die den grooten dichter eert. Bemind, innig bemind te worden door kinderen en eenvoudigen, is het niet de hoogste eer voor wie waarlijk groot is? Anderen zoeken in hunne hulde van een grooten geest altijd nog eenigszins zichzelf, laten de zon op zich afstralen, die zij verheerlijken; of wel: bederven de zuiverheid van hun gevoel door eenig voorbehoud, dat geheele overgaaf uitsluit. Maar zoo groot te zijn, dat een hart er door gewonnen wordt, zonder dat de geest begrijpt waarom of het zoekt te begrijpen; bij de kleinen en eenvoudigen het besef te wekken: hier is koestering, hier is schaduw, hier zijn vleugelen die mij dragen, hier ben ik dichter bij God, dat is ware, immers weldadige grootheid."

Aldus Allard Pierson, in zijn bekende werk Oudere Tijdgenoten.
Deze zoon uiteen Reveilgeslacht, die later zijn geloof kwijtraakte en het predikantschap vaarwel zei, spreekt met opvallende achting en sympathie over al diegenen die hij in zijn jonge jaren heeft leren kennen. Hij spreekt hier over da Costa's "avonden" .
Datgene dat de heer Schimsheimer zo trouw heeft opgeschreven, de Bijbelstudies van da Costa, die "voorzover een mensch het mag en vermag. de ziel van Schimsheimer geheel vervulde". (Pierson, a.w. 110), is, naar ik heb begrepen, in de vorige eeuw bij velen een geliefde lectuur geweest Inmiddels was in onze eeuw het werk niet meer herdrukt, heb ik begrepen, totdat een kleine drie jaar geleden de studies weer op de markt verschenen.

Tot nu toe zijn, voor zover mij bekend, twee delen van deze Bijbelstudies verschenen, resp. over Genesis t/m 2 Samuël; en 1 Koningen t/m Hoogti. (l. Beide delen zijn voorzien van m.i. voortreffelijke inleidingen. Deze zijn van de hand van de heer L. M. P. Scholten, vroeger redacteur Kerknieuws bij "Trouw".

In deel 1 worden bijna 50 pag. gewijd aan da Costa's leven. Goed gedocumenteerd (bijna 110 voetnoten, verwijzend naar grotendeels Nederlandstalige literatuur), gemakkelijk leesbaar en zeer onderhoudend geschreven, vind ik. Hetzelfde geldt voor de bijna 30 bladzijden die in deel 2 aan da Costa's geestelijke weg aandacht schenken. Nuttig materiaal in een tijd waarin over da Costa niet veel meer geschreven wordt.

Kom ik bij de studies zelf, dan meen ik toch dat de door da Costa gekozen benadering voor een groot deel niet zo'n grote overeenkomst toont met de manier waarop Bijbelcommentaren van nu werken. De toon is geregeld wat bevindelijk (natuurlijk blijkt dat met name bij een boek als Hooglied, dat helemaal als beeld van Christus en zijn Geliefde gelezen wordt.) In het algemeen wordt er sterk vanuit de toepassing gesproken.
Een (steekproefsgewijs) lezen van dat boek heeft veel uitleg opgemerkt die gaat in de trant van (willekeurig gekozen) een opmerking over Jona: "De nood, de prangende behoefte is de grote voorloper van des Heeren hulp. Niet allen kennen de ellende.
Menigeen is als Jona, als een man die slaapt op het schip dat in gevaar 'is van te vergaan.
Slaapt hij door en gaat het onweer voorbij, zo weet hij er niet van, maar de nood is toch geweest. Het is echter beter, zo iets walkende ondervonden te hebben. Daarom laat God ons dikwijls grote nood zien, opdat wij daarna ook zijn redding zien." (deel 2, pag. 53).
De toon is vaak zeer vroom en “innig" en zou - dunkt me - in b.v. "bevindelijke kring" wel eens meer kunnen aanslaan dan bij ons. Naar mijn beoordeling maken de studies zelf een ietwat "ouderwetse" indruk; dat is ook de indruk die de omslag en grafische vormgeving van het boek maken.

De boeken zijn goed uitgevoerd, goed gebonden en zullen, denk ik, hun weg wel vinden. Of dat naar mensen van onze kerkelijke echter in allereerste plaats is achtergrond, blijft voor mij vooralsnog de vraag. Dat alles neemt niet weg dat ik meen dat het een goed initiatief van uitgeverij Van den Berg (uit Zwijndrecht) geweest is. Ook wij staan in een traditie die aan da Costa veel verschuldigd is.

Bijbellezingen van wijlen mr. Is. da Costa.
Uitg, Van den Berg, Zwijndrecht.
Prijs per deel f 30,-.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief