Ik zal hem een hulp maken...
1985-05-31
Dat spreekt vanzelf?- Jaargang 29
- nummer 22
"Het is alzoo een scheppingsordinantie, dat de vrouw tot HULPE is van den man. Maar dit sluit dan ook in, dat de leiding, en daarmee het gezag in de gemeenschap tussen man en vrouw, aan den man' toekomt, want wie u tot hulpe zal zijn, moet u ondergeschikt wezen; over wie u tot hulpe is, moet gij zeggenschap hebben. Zoo is het ook altijd en overal verstaan."
En dat is niet mis te verstane taal - opnieuw van W. Geesink (Van 's HEEREN ordinantiën II, pag .11). Dit was altijd de gangbare mening. Wie zich met deze materie bezighoudt loopt uiteraard de 'kans 'beticht te worden van humanisme, feminisme, modernisme. Maar wij zijn a.h.w. "voorgeprogrammeerd" door de traditie.
Protestanten hebben óók traditie, erfgoed. Maar ze zijn zo wijs geweest te belijden, dat alle traditie genormeerd wordt door de Schrift (N.G.B. art. 7). Wanneer onjuiste ideeën uit een niet-bijbelse gedachtewereld ons cultuurpatroon zijn binnengeslopen en zijn geabsorbeerd, dan is het zaak die te ontmaskeren, Hoe?
Door opnieuw te trachten met open ogen het evangelie te lezen en dát te absorberen. Maar al te vaak is het denken gevoed en de probleemstelling beïnvloed door de vloek van Gen. 3 : 16 v.v. als ware dat een “scheppingsordinantie". Zoals Noachs vloek over Cham voor sommigen inhield, dat diens nakomelingen ten eeuwigen dage gedoemd waren slaaf te 'zijn en te blijven. Ook hier valt de vraag te stellen: moet wat Cham misdeed in mindering gebracht worden op het "in Christus is noch heer noch slaaf"?
God spreekt zelf
In het globale 'scheppingsverhaal zegt God na elke werkdag: het is goed. Maar 'in details verteld (Gen. 2: 4-25) horen we God zeggen: het is niet goed ... God vindt het niet 'goed, dat de mens alleen is: niet goed genoeg. En dan valt het woord "hulp" - een hulp die bij hem past. Stralend kijkt God toe, hoe .xle mens" de dieren typeert, karakteriseert, een naam geeft - die mens is zijn glorie. Maar dan volgt ook de constatering, ,dat die mens voor zichzelf geen hulp vond, die bij hem paste. Het valt op, dat de verteller de mannelijke vorm van het hebreeuwse woord kiest (de vrouwelijke komt in het O.T. iets vaker voor). Ergens lees ik: "de seksuele band en tegenstelling staan dus niet op de voorgrond." Daar komt bij, dat het woord vaak de helper. aanduidt: in verschillende gevallen is dat God zelf (bijv. Deut. 33: 26, Hos. 13: 9). Terecht merkt iemand op: "Zulk een helper is niet ondergeschikt aan wie geholpen wordt, doch staat hem zelfstandig bij." En: "Zo wordt de vrouw dus 'naast' de man gesteld (Gen. 3 : 12), de onderschikking komt eerst als een oordeel in 3 : 16)."
Welsprekende naam
En dan: een hulp die bij hem past, d.w.z. van gelijk vermogen als de éérste mens. De term komt van een werkwoord dat "zich ver heffen" betekent, dus: "dat wat zich vóór iemand verheft". Iets daarvan komt uit in de Statenvertaling: als tegenover hem. Als Adam ontwaakt uit de diepe slaap, staat daar Eva tegenover hem, als zijn pendant, zijn tegenhanger, zijn "tegenover", die aan hem beantwoordt, met hem correspondeert. Gispen (C.O.T. a.l.) stelt voor: wederhelft, een hulp die vlakbij is, die op zijn niveau staat. Adam zet de naamgeving (typering, karakterisering) dan ook voort: mannin (vgl. het Engelse man-woman). En hij noemt als karakteristiek: dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees: deze zal "mannin" heten, omdat zij uit de man genomen is. Alle nadruk valt op de éénheid. Niet het "anders zijn" staat voorop, maar "de andere", die. zijn vlees en been is.
Formeerde God "de mens" en "al het gedierte des velds en al het, gevogelte des hemels" uit de.
aardbodem (2 : 7, 19), deze mannin is "uit de man genomen"zó vult God het "niet goed dat de mens alleen is" in. Wat Adam tegenover zich ziet, is niet zijn spiegelbeeld (dan ware hij het zelf), maar de andere die één met hem is. Stralend ziet hij zijn glorie glorieus voor zich staan.
Sprekende eenheid
"De vrouw die Gij aan mijn zijde hebt gesteld ... " zegt Adam (2 : 12). Inderdaad - Adam is eerst geschapen, daarna Eva. Met volle nadruk op de éénheid van beiden wordt dit ons verteld. Er staat niet: Adam kreeg verstand mee, Eva gevoel. Steeds weer merk je hoe het "eigene" in feite tot "iets anders" wordt gemaakt. Maar juist in Adams eigen karakterisering komt, nog eens, de eenheid naar voren. Hier valt niets te Iezen van een "waardeoordeel" in de zin van meer-minder. Evenmin wordt aan de vrouw een ondergeschikte positie aangewezen ten aanzien van de opdracht: de hof bewerken en bewaren. Of geeft het namen geven aan Adam een absoluut overwicht? Maar God gebruikte dit “procédé" om nog eens zijn eigen oordeel te onderstrepen: Adam heeft een hulp, een helper nodig - alléén, zonder een "gegenüber" (een "tegenover") is hij hulpbehoevend En daar wordt niet bij gezegd: de vrouw mag en kan niet regeren, leiding geven, onderwijzen (voor de uitleg van die plaatsen in Paulus' brieven zie de artikelen van D. Holwerda, opgenomen in de brochure: De plaats van de vrouw in de gemeente). Fout gaat het pas wanneer de eenheid door een van berden wordt verbroken te beginnen in de hof, en daarna als een repeterende breuk.
Wat denkt u van Lamechs grootspraak aan het adres van Ada en Zilla? We kunnen gelukkig zijn met een evangelie, dat van vergeving, verzoening en wederherstelling van alle dingen spreekt!