Het levende Woord
1983-07-01
In een reaktie op enkele artikelen van mijn hand over het profetische spreken en de theologie voert collega J.C. Janse het pleit voor profetisch spreken, omdat dit betekent het levende Woord Gods verkondigen, het zeggen van de dingen die thans gezegd moeten worden en dat tegenover het tijdloos spreken van in elk geval velerlei theologiseren. Dit levende ziet hij gelegen in het vermanende, vertroostende, bemoedigende of bestraffende van het Woord Gods. - Jaargang 27
- nummer 26
Ik denk dat hier de kern van zijn betoog ligt, dat hij in een viertal artikelen over vernieuwing van het theologisch, onderwijs' plus een naschrift aan mijn adres heeft gehouden.
Hij hoopt met die artikelen.
mijn moeite .met de in de brochures van het Geref. Seminarie gebruikte uitdrukkingen, met name 'het profetische- spreken' weggenomen te hebben. Laat ik hem allereerst danken voor de moeite, die hij zich heeft getroost.
Ik had; goede vrienden als we al sinds onze studententijd zijn, overigens van hem niet anders verwacht.
Ik moet echter wel even, om misverstand bij onze lezers te voorkomen, opmerken dat ik geen moeite had en heb met de uitdrukking' profetisch' spreken, waarvoor ik in mijn artikelen met nadruk ruimte wilde zien gegeven.
Mijn bezwaar lag in het eenzijdig gebruik van de term in genoemde brochures en ook tegen de beperkte inhoud, die er aan wordt gegeven: wat de Geest zegt 'op dit moment' en 'in deze situatie'. U kunt dit nalezen in de nummers 5 en 6 van deze jaargang van Opbouw.
Maar goed, het gaat dus om het levende Woord van God. Daarover zijn we het wel eens en dat is ook de vreugde bij het voeren van deze discussie. Een discussie heeft trouwens in de regel pas werkelijk zin als men het over de grondslag eens is. Maar de vraag, waar we het nu over moeten hebben is waarom en waarin het Woord van God levend is. Omdat het vermanend en vertroostend is in de speciale zin van het woord; omdat er een expresse vermaning en vertroosting wordt toegevoegd aan wat de Here ons openbaart?
Dat lijkt me te beperkt gezien.
Het Woord Gods is altijd levend omdat het de levende God verkondigt, Zijn openbaring aan ons bevat en doorgeeft, Zijn openbaring in' Jezus Christus, die- de weg, de waarheid en het leven is.
Als zodanig is het het licht in onze duisternis, geeft het de redding in onze verlorenheid als mensen van nature, wijst het ons de weg ten leven, deelt het ons als Gods volk de schatten van Zijn verbond uit.
Daarom ligt er altijd, hetzij dit expres erbij gezegd wordt of niet, de oproep tot geloof en bekering in opgesloten, want het is altijd het Woord dat niet in het luchtledige wordt gesproken maar tot de mens, de zondaar, de gelovige, in al zijn nood en vreugde, zijn verlorenheid en terugkeer tot de Vader. 'De Waarheid is zelf levend, de Waarheid zal u vrijmaken.
Daarom moet zij in deze wereld verkondigd worden.
Wil men dit profetisch spreken noemen, het is mij wel, mits men daarbij bedenkt dat het bijbels spraakgebruik breder is en gevariëerder, ook het moment van regelrechte inspiratie kan bevatten . en naast zich heeft=uitdrukkingen als verkondigen, proclameren, belijden, leren, evangeliseren enz. En het lijkt me beter dat gevarieerde spreken van de Heilige Schrift 'zelf aan te' houden dan eenzijdig voor één bepaalde terminologie te kiezen.
Ook het belijden, leren enz. moet altijd tot inhoud hebben het levende Woord van God en daarbij moet toch veelal de situatie in het oog worden gehouden, waarin we belijden enz. Tegenover het tijdloze spreken stelt Janse het profetisch spreken, "in de lijn trouwens van onze roeping genoemd zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus". Ik wil hem allerminst vliegen afvangen, maar toch opmerken dat in deze zondag voor ons als christenen niet het woord 'profetisch spreken' wordt gebruikt, maar de term Belijden: opdat ik zijn naam belijder Dat heeft met tijdloos spreken niets te maken, zoals hij me direct zal toestemmen.
Theologie
Over theologie en theologie als wetenschap enz. heb ik het mijne gezegd in nummer 8 van deze jaargang.
Daarvan geen herhaling nu.
Tegen mijn omschrijving van de rechte theologie heeft ds. Janse geen bezwaar: hef gelovig en samenvattend naspreken van de Schrift als vrucht van gehoorzaam luisteren. Hij acht het waarschijnlijk dat ik er hetzelfde mee bedoel 'als wat wij onder profetisch spreken verstaan'. Dat zal voor wat hem betreft wel eens het geval' kunnen zijn, Of dit ook zo is bij alle broeders van het Seminarie' laat ik in het midden.
Maar Janse heeft wel een bezwaar.
Ik vergeet nl. dat onder theologie aan de bestaande opleidingsinstituten iets heel anders verstaan wordt, zodat mijn omschrijving niet dekt wat daar allemaal gebeurt.
Dat zal wel waar zijn wat bepaalde opleidingsinstituten betreft. Ik had dit echter niet vergéten;: die instituten vielen gewoon buiten het doel van wat ik behandelde.
En bovendien, misbruik of verkeerd gebruik heft het goede gebruik van een woord of term niet op. Als dat het geval zou zijn, zouden we' wel een heel nieuwe taal moeten creëren of in alle talen moeten zwijgen. Het woord 'theologie' is te algemeen om het niet te gebruiken, zoals ook het Seminarie zelf zijn leerlingen na volbrachte studie candideert in de 'theologie' (Statuten) of in de 'theologische vakken' (zo br. W. in 't Hout, de eerst afgestudeerde van het Seminarie) 1) Maar er is natuurlijk wel onderscheid tussen theologie en preken!
Het theologisch bezig zijn wil het preken dienen, maar het nooit vervangen.
Het eerste is samenvattend, het tweede als het goed is concreet. Daarom hoort de theologie op een opleidingsinstituut, de preek op de preekstoel. We 'moeten dit wel goed onderscheiden.
Een goed voorbeeld van het eerste geeft Janse in zijn derde artikel, waarin hij spreekt over de alomtegenwoordigheid Gods, zoals daar . over gesproken moet' worden -bij het theologisch onderwijs. Hij gaf er een college over, waarvan een verslag werd gegeven in de negende brochure van het Seminarie.
Kort gezegd, de alomtegenwoordigheid Gods komt in de Schrift voor als een verschrikking voor de goddelozen en als een troost voor de vromen. Dat is natuurlijk theologie, samen lezen van verschillende Schriftgegevens, Jer. 23, Amos 9 en Ps. 119 : 150-151 en Gods alomtegenwoordigheid laten zien als een levende zaak en niet als een filosofische wereldverklaring of iets dergelijks, De preker zal al naar' de situatie is, concreet zijn hoorders hebben te vermanen Of te vertroosten. Het voorbeeld is eenvoudig maar kan verhelderend werken.
Ik wil hier graag toch een bepaalde opmerking maken.
Het is mij duidelijk uit al wat' ik van de broeders van het Seminarie gelezen heb, dat zij ook in hun opleiding geheel en al rekening willen houden met het levend spreken van Gods woord en beducht zijn voor een scholastisch, theoretisch, filosofisch bezig zijn met de Heilige Schrift en vooral ook voor een daar boven uit willen gaan, vergelijk ook Janse in zijn memoreren van Hepp en Kuitert.
Ik zou willen zeggen; wie onder ons juicht dit niet toe? Het is goed en nodig dat deze dingen altijd weer worden gezegd.
Maar we moeten wel billijk blijven en niet doen alsof en voorheen, ook vóór de dertiger jaren, niets van deze dingen bestond en alsof pas sinds deze jaren ons het rechte licht is opgegaan.
Kort gezegd, ik heb bezwaar 'tegen de wijze waarop in het artikel in Opbouwen in het college van Janse over Gods alomtegenwoordigheid wordt gesproken over de vroegere gereformeerde dogmatici, met name over Bavink en Honig.
Janse verwerpt heel het schema onmededeelbare-mededeelbare eigenschappen.
Dat is zijn goed recht.
Maar Honig deed het eveneens.
En Bavink vermeldt uitdrukkelijk de bezwaren ertegen, maar gaat er tenslotte mee accoord om toch een zekere orde in het behandelen van Gods eigenschappen te hebben.
Toch meent Janse dat het gevaar van een abstract Godsbegrip in deze indeling al te zeer aanwezig is, Dat dit gevaar Bavink en Honig, om deze twee voorbeelden te noemen, inderdaad parten heeft gespeeld, toont hij echter niet aan, wordt in het verslag van het college ook niet aangegeven. Daarom is het goed er op te wijzen dat Bavink b.v, er met nadruk op wijst dat de Here niet op gelijke wijze overal tegenwoordig is. Hij citeert dan o.m. Ps. 18 : 27: Bij den reine houdt Gij u rein, maar bij den verkeerde toont Gij u een worstelaar.
En ook Jer. 23: 23 en 24: Hij is een God van nabij en ook van verre. Het is de zelfde tekst die ook Janse citeert. In Bavinks hele uiteenzetting komt naar voren het spreken over Gods alomtegenwoordigheid als die van de levende God, zie II. pag. 135. En Honig laat zijn bespreking uitlopen met het zeggen: 'Deze deugd Gods is steeds tot troost der vromen geweest. Geen heerlijker gedachte dan deze, dat God onder alle omstandigheden' met ons is'.
Let wel, ik beweer niet dat er geen critiek op de uiteenzettingen van deze dogmatici is te geven, Honig had die zelf op Bavink onderscheiding mededeelbare-onmededeelbare eigenschappen, zagen we reeds. Maar zij trachten op hun wijze de Schrift te laten spreken, ook tegenover allerlei pantheïsme en deïsme, En ze behandelen deze alomtegenwoordigheid van de Here m.i. ook breder dan Janse indien althans het mij onder ogen gekomen verslag en zijn globale schets in Opbouw het voornaamste weergeven. Ik bedoel dit. Ook wanneer we spreken over de alwetendheid Gods, kunnen we zeggen dat zij een verschrikking bevat voor de goddeloze en een troost voor de vromen. Hetzelfde is het geval met de eigenschap van God de Here dat Hij alles ziet. We kunnen in al deze gevallen het thema: troost en dreiging niet hanteren als het criterium voor elke eigenschap afzonderlijk. In al dit gemeenschappelijk moet het eigene van elke deugd Gods in de -dogmatiek toch in het licht worden gesteld, natuurlijk vanuit de Schiftgegevens.
Daartoe behoort voor wat de alomtegenwoordigheid betreft toch zeker Hand. 17: 28: Want in Hem leven wij, en bewegen wij ons en zijn wij en de mededeling van Gods wonen in de hemel en zijn nederdalen vandaar tot de aarde enz.. We moeten het levend spreken van de Schrift over troost en dreiging niet laten verstarren tot een schema, waarmee we menen alles te hebben gezegd.
Voor wat het spreken 'op tijd' en het zeggen van wat gezegd moet worden in onze tijd betreft, wil ik verder opmerken dat in het dogmatische onderwijs de kwestie van een 'meta-phisisch Godsbegrip' minder actueel is dan in de dagen van Hepp en de vroegere scholastiek.
In onze tijd speelt een anti-metafisische tendens een zeer belangrijke rol (zie H. M. Kuitert: De realiteit van het geloof, pag. 7 vv.) om plaats te maken voor de menselijke ervaring en zelfverwerkelijking en de idee van de mensvormigheid Gods (titel van het proefschrift van Kuitert).
God van zijn troon, de mens op de troon, dat is vandaag het grote strijdpunt. Daar moet onze aandacht ook in dogmaticis op gericht zijn. Ook de theologie en het theologisch onderwijs moet mede op de tijd gericht zijn, meer dan zich bezig te houden met niet actuele vraagstellingen.
1) Janse zelf schrijft zijn artikelen onder het opschrift: "Over vernieuwing van het theologisch onderwijs'.
Er is geen reden -om dat woord, mits goed opgevat, te verwerpen of er argwanend tegenover te staan. Janse wil met zijn onderwijs gaan in het spoor van Calvijn en hij citeert Koopmans, die zegt dat Calvijn consequent naar methode en doelstelling met de scholastiek heeft afgerekend. Dezelfde Koopmans zegt in zijn dissertatie "Het oud-kerkelijk dogma in de Reformatie, bepaaldelijk bij Calvijn", dat Calvijn in zijn institutie theologie en belijdenis verbindt (pag. 33) en noemt de Institutie een theologisch handboek, in haar uiteindelijke vorm (pag. 77) en een dogmatiek, ten dienste van het theologisch onderwijs (pag. 98).