.....elke morgen nieuw (Klaagliederen 3 .:22-24)
1983-07-08
"Veel heil en zegen" wensten we elkaar op de eerste januari van 1983. Een goede wens - maar hebben we dit jaar ook in dat licht gezien en beleefd?- Jaargang 27
- nummer 27
Ik laat die vraag even liggen terwille van een passage uit het boek "Klaagliederen".
Klaaglied-improvisatie
Bij klaaglied valt te denken aan de oude Joodse/Oosterse rouwgebruiken.
David bijv. zong zijn klaaglied bij de dood van Saul, Jonathan, Absalom, Abner, Recht uit zijn hart. Maar "Magen" was vaak ook "beroepswerk": zowel manen als vrouwen maakten er hun beroep van. En dat in de vorm van liederen; liederen die "hun vaste overgeleverde vorm hadden, van geslacht op geslacht in bepaalde families doorgegeven.
Men had dus steeds een overvloedige voorraad, 'n welgevuld klaagliederen-boek ter beschikking.
Maar ook "improviseerde" men wel op oude thema's of wijzigde het overgeleverde materiaal naar de behoefte van het ogenblik zo dikwijls een nieuwe rouwbezoeker zijn intrede doet, weten zij, met zijn persoonlijke omstandigheden welbekend, op gepaste wijze diens eigen doden in te vlechten, ten einde hem het welstaans-halve verplichte medewensen gemakkelijker te maken. Men kan dit zo nog ten huidigen dage bij de plattelandsbevolking van Palestina waarnemen" (inleiding Korte Verkl.).
Met deelneming ?
Men zou dus de "Klaagliederen van Jeremia" kunnen opvatten als een uitnodiging van de klager om mee te Magen, in zijn jeremiade te delen.
Een oudejaarsavond zou daarvoor: een uitnemende gelegenheid bieden: geen passender gelegenheid voor het opstellen en voorlezen van een necrologie, voor het bundelen van de menselijke ellende van een voorbij jaar - passend afscheid van het oude.
Misschien is het niet zo moeilijk een mens aan het huilen en weeklagen te krijgen (de klaagmuur te Jeruzalem kan ervan getuigen) door net als vroeger te gaan aanvullen en improviseren naar ieders behoefte: er is ellende genoeg in de wereld, ook dichtbij.
Is ontroering dan niet goed, mag het menselijk gevoel niet meespreken voor gelovigen? Jazeker, maar het moot wel zuiver blijven, En: laten we elkaar niet in de put helpen na het "veel heil en zegen".
Dat wil de dichter van Klaagliederen ook niet. Hij heeft, met zijn generatie, wel 2lO zijn verdriet bij de puinhopen van Jeruzalem: ik ben de man me ellende gezien heeft. .. (3: 1). Maar beroepsmatige deelneming vraagt hij niet en evenmin goedkope tranen. Wil iemand perse mee- en weeklagen: ieder beklage zich over zijn ronde ... (3 : 39). En dat zonder daar, met een zeker welbehagen, in te blijven steken: laten wij onze wegen doorzoeken... en ons bekeren tot de HE&E (3 : 40).
Het loflied overstemt
Want hoeveel hij ook te klagen mag hebben - hij is toch met als een die ronder hoop en uitzicht is (3 : 21 v.v.). Al waren er dagen dat hij dacht: ik ben vergeten wat geluk is, vergaan is mijn kracht en vervlogen mijn hoop op de HERE (3 : 17, 18), niettemin is er alledag reden tot blijvende hoop:
- de gunstbewijzen des HEREN
- waarlijk ze nemen geen einde zijn barmhartigheden
- ze houden met op
- elke morgen zijn ze nieuw
- groot is uw trouw!
In deze lofzang (3: 22, 23, iets anders vertaald) 2JOUook de dichter van Ps. 77 : 6-10 een antwoord vinden. Gods eindeloze welwillendheid zijn altijd innerlijk bewogen zijn - die zijn elke morgen als nieuw. Zó kun je het verleden (met alle pijn en verdriet) óók waarderend In het licht van de zekerheid dat één ding onmogelijk is dit Gods gunstbewijzen ophouden (vgl. vs. 31, 32). Leed kan er zijn door eigen schuld of buiten eigen schuld, verdriet kan er zijn omdat Gods weg zo vaak voor zijn volk een lijdensweg is - maar Gods gunstbewijzen nemen geen einde: elke morgen zijn ze gloednieuw.
Zelfs Jezus Christus (zelf een levend bewijs tot in zijn sterven) leefde uit die zekerheid,
Gods oprechte deelneming
Elke dag, elke nieuwe morgen brengt voor een mens een nieuwe situatie. Hij staat een dag verder af van zijn leed. Of 't lijden dat bij vreest is een dag dichterbij gekomen, Maar onder al die wisselende omstandigheden, dag in dag uit, jaar in jaar uit, is er één ding dat gelijk blijft: de volstrekte zekerheid van Gods gunstbewijzen in het verleden getoond, in de geschiedenis beleefd, in zijn woorden opgetast: letterlijk voor het grijpen.
Geen dag, geen jaar, geen eeuw hoeft hopeloos te beginnen of te eindigen. Gods voortdurende welwillendheid daar borg voor. Zeg niet: het heeft er nog nooit zo somber voorgestaan als nu: ellende is een betrekkelijk begrip - voor ieder een hoofdstuk apart. En onoverdraagbaar, Elk draagt uiteindelijk haar of zijn eigen last. Veel heil en zegen is 'geen garantie voor voorspoed.
Maar wel de zekerheid: mijn God is met mij. Zo hebben Abraham en Job, David en Jeremia, onze Heer Jezus Christus, Petrus en Paulus geleefd; ze leefden met het oog op God. Wat deed hen overwinnen?
Bemoediging, troost, raad van mensen? Toen het er op aankwam lieten allen onze Heiland in de steek ,- ze sliepen of namen de benen. Alleen Gods trouw bleef onaangetast. Zijn beloften waren ja en wie daarop vertrouwde zei amen, beaamde dat.
Nemen wij ons deel!
Mijn ziel zegt: mijn deel is de HERE (3 : 24). Misschien was de dichter van dit lied een leviet of priester. Dan zou die woord dubbel spreken. Wam bij de verdeling van Kanaän hadden alle stammen hun deel gekregen - alle stammen behalve Levi. Kreeg Levi niets?
Lees Num. 18 : 20: Ik (zegt God) ben uw deel en uw erfdeel onder de Israëlieten. Zij hadden geen materiële zekerheid in de vorm van bijv. grondbezit, geen gebruikelijke middelen van bestaan, geen land om te (be)werken. Maar zij leefde voor en uit de hand van de HERR Stond elke stam tien procent van zijn inkomsten af aan de' HERE, dan ontving Levi elf maal Hen procent! Plus nog zijn deel van alle vrijwillige offers, Bij brood alleen hoefde ook Levi niet te geven.
De HERE was hun deel. En dat kwam hier op neer, dat zij constant en overvloedig uit de hand des HEREN leefden! Ook voor deze soms bijna werk-lozen gold: Zijn gunstbewijzen zijn elke morgen nieuw!
Geen materiële zekerheid, niets om op terug' te vanen (denk' eens aan tijden van hongersnood) niets dan alleen: de HERE. Voor elke dag. Voor elk jaar. Voor heel hun leven. Voor heel hun stam. Voor heel hun nageslacht hadden ze "alleen maar" de HERE als hun deel. Maar die zorgde dan ook voor hen.
Zó zijn deze woorden te verstaan.
Ze zijn niet van en niet voor iemand aan wie het leed voorbijging of die buiten het dagelijks leven stond. Ze zijn wel voor en van mensen die de moed hebben om onder alle denkbare omstandigheden vol te 'houden: daarom zal ik op Hem hopen (vs 24)! .
Waar kunnen wij, waar kunnen onze "kinderen nog rotsvast op bouwen? Wij die de wereld en ons eigen leven stukje bij beetje zien afbreken, met de angstige vraag in -'t hart: wat blijft ons nog over?
Het antwoord weet u nu: wij mogen meedelen in de HERE. De slotsom daarvan is: "veel heil en zegen"!