De kerk en Israël
1985-06-21
De reden waarom ik dit thema aan de orde stel is de verschijning van een boekje van ds H. de Jong, waarin hij in 8 preken een op dat thema toegespitste uitleg van Handelingen zeven geeft. Zelf zou hij waarschijnlijk liever als thema gekozen hebben: Kerk en jodendom, maar ik schrijf dit artikel toch bewust onder de genoemde titel: Kerk en Israël. Het zal later wel blijken waarom.- Jaargang 29
- nummer 25
Oecumenisch werkstuk
Het eerste wat opvalt bij de lezing van deze prekenbundel is de betrokkenheid van De Jong bij de brede ontwikkeling van de Kerk op haar wijdst, Het is een oecumenisch werkstuk. Er blijkt uit hoezeer je als dominee van een kleine kerkgemeenschap je diep betrokken kan voelen bij wat er omgaat in de grote kerken rondom ons. Is dat niet echt oecumenisch als je in die verbondenheid je stem verheft om te protesteren tegen ontwikkelingen die jezelf diep raken dat je er acht preken aan wijdt in je eigen nauwelijks door dat gevaar besmette gemeente?
Verjoodsing
Waartegen richt zich de spits van al deze preken? Op de eerste en laatste blz. van dit boek maakt hij dat zelf overduidelijk: tegen de verjoodsing van ons bijbelgebruik.
De Jong ziet die verjoodsing overal optreden waar het O.T. niet meer gelezen wordt als het boek dat ons als een pedagoog met beide handen bij Christus brengt (Gal. 3 : 20) maar als een geschrift waardoor wij onszelf laten versterken in ons eigen uitverkorenheid - of in onze eigen politieke idealen, of in onze eigen ongebroken vooropgezette meningen. Hoe lezen de Joden immers het O.T.? Zij leggen het uit als Gods openbaring waarin het alles draait om de uitverkiezing van Israël tot heil van alle volkeren.
Waar het O.T. duidelijk over de Messias handelt die ook Israël verzoenen moet (Jesaja 53) daar wordt deze Messias niet als een persoon gezien maar als een verpersoonlijking van het volk Israël zelf. Als Christus Zelf verschijnt en dit bolwerk van religieuze zekerheid aanvalt (Lucas 4) dan wordt Hij bijna gestenigd. Als Stefanus hetzelfde doet in Hand.7 sterft hij als eerste martelaar van de vroegchristelijke kerk.
Onderhuids
De Jong legt op scherpzinnige wijze uit hoe Stefanus dit doet. Het gebeurt nl. op M'n manier dat je er als 20e-eeuws bijbellezer haast overheen leest. Op 't eerste oog lijkt Hand. 7 een haast saai verslag van de hoofdpunten van de bijbelse geschiedenis. Toch was het een giftig stuk, dat de toehoorders razend maakte. Onder De Jong's uitleg gaat dit hoofdstuk weer leven in zijn onderhuidse felheid, waarmee Stefanus hier de leiders van zijn volk aanvalt in hun zekerheden: ónze tempel, ónze Mozes, ónze wet, óns heilig land.
Geen heilig land
Om een voorbeeld te noemen. ÀI direct aan het begin zegt Stefanus. "Toen de God der heerlijkheid onze vader Abraham riep en zei: "Kom naar het land dat Ik u wijzen zal, toen vestigde hij zich in Haran." (vs 4) Voelt u het? Niet in Kanaän dus, (het beloofde land). maar in Haran.
Stefanus wil zeggen (z6 De Jong): denk niet dat dit stukje land zo heilig is. Dat was het in de aanvang niet en dat is het alleen voor een tijdje maar geweestmaar nû Gods plan met volk en land in de komst van Christus is vervuld, nu liggen heidens land en heilig land weer op één lijn.
Land en tempel hebben na de verschijning van Christus hun tijd gehad. De Jong voegt er als illustratie aan toe: zoals brood en wijn na de viering van het Avondmaal. Dat is ook gewoon brood en wijn, voor een moment apart gezet als teken en zegel van Gods nabijheid en liefde, maar als ze "gebruikt" zijn is hun rol vervuld. “Het is zelfs een keer gebeurd dat de voorganger van een gemeente na de avondmaalsviering van hel overgebleven avondmaalsbrood de kippen stond te voeren." (blz. 17)
Kippen voeren
Dit stukje is het enige in het boek waar ik zo mijn vraagtekens bij zet. Hoezeer ik ook zo'n "gelijkenishandeling" van de genoemde voorganger kan waarderen als een stuk levend onderwijs - brood en wijn hebben in zich geen magische kracht - toch twijfel ik aan de juistheid om brood en wijn na het avondmaal te vergelijken met het volk Israël nu. Juist op dat punt van het kippen voeren". Het verschil is dit dat brood en wijn dingen zijn die na hun matig gebruik hun. 'bijzonderheid verloren - terwijl het volk Israël bestaat uit mensen die in een heel speciale relatie gestaan hebben met de Here en dat nooit meer verliezen. God heeft hen niet afgedankt.
Ook niet ná hun verwerping. Wij lezen dat in het O.T. in Hosea 11 waar de Here tegen het volk Israël zegt, nadat het Hem verworpen heeft - en nadat Hij het gericht over hen heeft aangezegd: toch kan Ik u niet vergeten! "Hoe zou ik u prijsgeven, Efraïm, u overleveren, Israël. Hoe zou Ik u prijsgeven als Adama, u maken als Zeboïm (heidense steden). Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt" (Hosea 11 : 8) Er is in het O.T. altijd een belofte van genade óver de tijden van gericht heen. Dat blijft zo in. N.T.-ische tijden volgens Jezus' eigen woorden in Matth. 23: "Jeruzalem, Jeruzalem hoe vaak heb ik uw kinderen willen vergaderen gelijk een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u overgelaten...totdat...totdat gij zegt: "Gezegend Hij die komt in de naam des Heren". (vs 39). Het zal wel een punt van verschil onder ons blijven, maar deze "totdat"-woorden (Mt. 23: 39, Lk. 21 : 24, Hand. 3 : 21, Rom.
11 : 25) beloven ons meer ten aanzien van het volk Israël dan ik bij de door mij zeer hooggeschatte collega De Jong aantref.
Ik laat het beeld van kippen voeren dan liever vervangen door Jezus' eigen beeld uit deze zelfde sector van het boerenbedrijf. Hij blijft gelijk een hen zijn kuikens vergaderen! (Matth. 23 : 37 e.v.)
Christus als flessenhals
Hè gelukkig, nu ben ik van mijn enige punt van kritiek af om de rest van dit gehele boek zonder reserve en 'ook hartelijk te kunnen bijvallen. Nog in ditzelfde hoofdstuk waar ik even in bleef struikelen bemerk ik bij het verder 'lezen waar het eigenlijke punt van het betoog ligt - het ligt geen seconde in een antisemitische houding, integendeel de schrijver heeft Israël als "naar de verkiezing geliefden om der vaderen wil" hoog - maar hij spitst Stefanus redevoering toe op dit ene punt dat wie de Schrift meent te bezitten zonder de Christus in het centrum re zien staan, nog niets bezit. "Zo moet de aarde ons allemaal doen: ons uitspuwen om onze zonden (Lev. 18: 28). Alleen in Sion, de plaats der verzoening, in Christus' middelaarswerk. dáár hebben wij een been om op de aarde te staan, om hier te verkeren en om de nieuwe aarde te beërven." "Zonder Hem maakt u van de aarde, en het land, en de stad een chaos, vervuilt u 'de boel en verziekt u de schepping door uw zonden, zodat de ganse creatuur zucht en kreunt onder uw voeten". (blz. 18) Het O.T. kunnen wij alleen verstaan als wij het lezen in vijf concentrische cirkels - het aardrond, Kanaän, Jeruzalem, Sion, Christus, - om dan daarna in het N.T. te zien hoe vanuit Christus +via het geloof in Hém als flessehals weer heel de wereld tot in zijn wijdste breedte onder Zijn en ons beslag mogen komen (blz. 19).
Vaart
Er zit in al deze preken een grote vaart. Wat onder Israël gebeurde ziet De Jong vandaag weer gebeuren - dat vervult hem met een vuur om te waarschuwen en te appelleren. Wat gebeurde in Israël in Stefanus' tijd? - Ze bleven in hun hart verknocht aan tempel, stad en land en gebruikten God uiteindelijk om hun eigen menselijke zekerheden hoger eer bij te zetten.
"Een eigenaardige mogelijkheid is dat in elke religie der mensen, ook in die van ons. Dat namelijk God moet dienst doen als een verheffing van het menselijke tot in de macht van het oneindige." (blz. 56) "Dan wordt het goddelijke de exponent van het menselijke" etc. De Jong ziet dit gebeuren waar bijv. bevrijdingstheologen ongebroken (als Mozes in zijn eerste periode) het heil naar zich toehalen en dan de 'Schrift gebruiken om hun eigen bevrijdingsdaad goddelijke eer bij te dragen.
"Bedenk, gemeente, de hele bevrijdingstheologie van onze dagen sluit meer aan bij' de Mozes van voor Midian dan bij de Mozes ná Midian" (blz. 53). Maar ook breder ziet De Jong dit gebeuren: overal waar de rede van de mens heerst over de Schrift, waar God alleen nog 'acceptabel' is waar Hij menselijk welzijn dient - en ineens wordt dan de bijbel zoetsappig en verdwijnt de Kracht van het Woord dat ons beweert dat wij zonder het reddend werk van Christus niet aangenaam zijn in Gods oog en niets van Zijn schepping terecht brengen.
Radicale ernst
De Jong heeft ons allen met de uitgave van deze preken zeer gediend - wij vinden er soms zijn verstaan van de Schrift in een notendop (zie blz. 18 en 19). Hij komt op voor de heerlijkheid van God op een wijze zoals alleen geroepen en gezonden evangeliedienaars kenmerkt, Hij spreekt uit ervaring als hij zegt: "Leiderschap, dat naar God verwijst en daar radicaal ernst mee maakt, is nooit populair." Het is dit woord wat de schrijver van dit boek kenmerkt en ik hoop dat wij vanuit die geestesgesteldheid van de schrijver nog veel vruchten mogen ontvangen.
Tot slot
Dat ik dit boek besprak onder de titel: "Kerk en Israël" en niet "Kerk en Jodendom" zal na mijn enige punt van kritiek wel duidelijk zijn. "Jodendom" klinkt bij mij afgedankt, "Israël" heeft bij mij de kleur van nog onvervulde beloften. Ik begrijp nog steeds niet waarom die twee niet kunnen samengaan: een uitleg van de Schrift waarin alle licht en aandacht valt op Christus in wie al Gods beloften ja en amen zijn - èn het geloof in een goddelijk geheimenis ten opzichte van een, volk waarmee de Here eens getrouwd geweest is en dat Hij in die' bijzondere verhouding tot Hem niet kan (en niet zal) vergeven.
H. de Jong, "Handelingen zeven" is een uitgave van uitgeverij Van den Berg te Kampen en kost f 15,50.