Vrij van angst voor een vloek
2008-05-23
Er is de laatste tijd in kerkelijk Nederland gelukkig meer aandacht voor ‘de dienst van bevrijding’.- Jaargang 52
- nummer 11
Daarbij gaat het om vragen als: wat leert de Bijbel over het uitdrijven van demonen en over het verbreken van bindingen aan verkeerde machten.
Ds. Gijs Bronsveld heeft recent in Opbouw (2008 nr. 9 & 10) gepleit voor een proces van bewustwording in onze kerken over deze onderwerpen.
Daarbij hoort ook een positief kritisch meedenken met mensen uit evangelische kringen, die al veel langer met dit onderwerp bezig. Ik wil in twee artikelen meedenken over de in dit kader veelbesproken werking en verbreking van vervloekingen. Het is namelijk een opvallend gegeven dat de Here Jezus nergens spreekt over het verbreken van vervloeking en zijn leerlingen er ook geen opdracht toe geeft.
Vloek in de Bijbel
Vervloeking en zelfvervloeking komen we in de Bijbel wel tegen. Maar het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen de manier waarop de HERE het woord ‘vloek’ gebruikt en wat een vloek in het heidendom betekent.
Als God een vloek uitspreekt of ermee dreigt, dan gaat het om een oordeel over de zonde (bijvoorbeeld Matteüs 25:31-46). Het is een ander woord voor een ernstige straf. Maar als de zonden, die de straf veroorzaakt hebben, beleden zijn, is de zaak met God in het reine. Een extra ritueel voor het verbreken van zo’n vloek vinden we in de Bijbel nergens.
De consequenties van straf (vloek) van God kunnen ook hun kinderen raken (bijvoorbeeld als het volk in ballingschap gaat). Maar Gods straf werkt niet als een anonieme onheilsmacht, die automatisch generaties lang een familie, een huis of een stad kapot maakt. Dat is het heidense vloekbegrip.
Soms infecteert dit heidens denken Gods volk, waardoor sommige mensen in het Oude Testament opeen heidense manier over een vloek spreken of denken. Maar daarmee is dit heidens denken nog niet tot waarheid verheven. Soms weerspiegelt ons denken ondanks ons geloof juist het heidendom van de ons omringende wereld. Daarom is het steeds nodig dat wij vernieuwd worden door de hervorming van ons denken (Romeinen 12:2).
Bileam
Kort voordat Israël het beloofde land binnenging, trok men door Moab. De Moabieten raakten in paniek (een geestelijke toestand die Satan graag misbruikt) en men huurde Bileam in.
Die moest Israël vervloeken. Israëls gezonde ‘levenskracht’ moest gebroken worden, waarna dit door de vloek verzwakte volk verslagen kon worden. Moab had een machtige ‘tovenaar’ aangetrokken, want Bileam werd goddelijke macht toegeschreven.
Van hem werd gezegd: ‘wie door u wordt gezegend is gezegend, en wie door u wordt vervloekt is vervloekt’ (Numeri 22:6b). Dat doet denken aan Genesis 12:3, waar de HERE aan Abram belooft: ‘Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot die zal ik bespotten’. Maar uit die laatste tekst wordt duidelijk, dat er maar één is die dat waar kan maken: dat is de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde.
Bij Bileam is het grootspraak, hij heeft niet zomaar de macht om te vervloeken.
Zodra Bileam namens de HERE moet spreken, begint hij met ontkrachten van deze grootspraak: ‘Hoe kan ik vervloeken wie door God niet is vervloekt? Hoe kan ik verwensen wie door de HEER niet is verwenst?’ (Numeri 23:7,8). En later moet hij Gods belofte uit Genesis 12:3 aan Israël bevestigen (Numeri 24:9).
Een ongegronde vloek
In Numeri 22-25 krijg je misschien de indruk dat God zijn volk beschermt door te zorgen dat er geen vloek kan worden uitgesproken. Maar wat zou er gebeurd zijn als die vervloeking wel was uitgesproken? Zou het dan wel mis gegaan zijn? Nee. Want namens de Heer heeft Bileam moeten zeggen dat een vervloeking alleen iets betekent/uitwerkt als het een verlengstuk is van Gods eigen vloek (oordeel).
Als God niet vervloekt, is er geen vloek (Numeri 23:8). Het boek Spreuken zegt nadrukkelijk dat een ongegronde vloek geen doel treft, maar vervliegt als een vogel die wegfladdert (26:2). De enige macht die een ongegronde vloek bij zich draagt, is de macht van de angst van bange mensen. Onze strijd tegen de macht van de boze en onze strijd om geestelijke vrijheid te krijgen, wordt dan ook niet gestreden op het front van de werking van vloeken. De grote lijn van de Bileam-geschiedenis is juist, dat Gods volk met vervloekingen niet klein te krijgen is. Het bijgelovig denken over vervloekingen stort wel het Midianitische volk in de ellende en Bileam komt er uiteindelijk door om (Numeri 31). Maar Israël, Gods volk wordt er niet door beschadigd.
Heeft Israël dan geen geestelijke strijd te voeren? Wel degelijk!! Maar dat is de strijd tegen de zonde, de zonde van afgoderij, de zonde van overspel.
Want als we in Numeri 25 over zonde bij Baäl-Peör lezen is er geen nieuwe geschiedenis begonnen, maar hebben we te maken met het slotakkoord van Bileams werk (Numeri 31:13-16). De les is duidelijk: in de geestelijke strijd moet je niet bang zijn voor vervloekingen, die kunnen niet zoveel kwaad. Maar pas op voor de zonde.
Dat roept Gods toorn op, zet je relatie met God op het spel en maakt je uiteindelijk kapot.
Op zoek naar Sion
Als het over vervloeking gaat beroept men zich veelvuldig op Deuteronomium 28. De zegen en vloek uit dit hoofdstuk staan in verband met hoofdstuk 11, waar zegen en vloek met de bergen Ebal en Gerizim worden verbonden. De opbouw van het boek Deuteronomium is zo, dat na een lange inleiding in hoofdstuk 11 voor het eerst het thema van zegen en vloek genoemd wordt. Aan het eind van het boek (in hoofdstuk 28) komt dit thema weer terug. In de Bijbel vinden we deze stijlfiguur van de inclusie vaker. In het centrum van zo’n inclusie staat dan vaak het onderwerp dat de schrijver op een bijzonder manier centraal wil stellen. Zegen en vloek worden in Deuteronomium dus verbonden met twee bergen, de bergen Ebal en Gerizim. Maar in het centrum van de inclusie steeds op een geheimzinnige manier een derde berg aan de orde. Daaruit kun je opmaken, dat het in het boek Deuteronomium met name gaat om de zoektocht naar ‘de plaats die de HERE verkiezen zal om er zijn naam te laten wonen’, de Sion, daar waar de Here zijn tempel zal laten bouwen. Ieder die wandelt met de God van zegen en vloek ontdekt, dat je alleen met Hem kunt leven, als er verzoening mogelijk is. De enige weg om met God te leven en aan de vloek van de wet te ontkomen is de weg van verzoening. Daarvoor moest je toen in de tempel op de Sion zijn.
In Deuteronomium gaat het dus niet in de eerste plaats om het ontvangen van materiële zegen, maar om het leven met de Here. De vloek wordt ook niet ‘be streden’ door een vloek te verbreken, maar door verzoening te ontvangen over de zonden.
De vloek der wet
Maar er staat toch dat de Here Jezus de vloek voor ons gedragen heeft (en daar zie je dus dat vervloekingen wel degelijk bestaan). Zodat wij in Jezus naam elke vloek kunnen verbreken.
Want er staat dat de Here Jezus voor ons tot een vloek geworden is. En dat is toch de vloek van de wet uit Deuteronomium 28? Als we nauwkeurig lezen, zien we dat het helemaal niet in het algemeen over ‘de vloek’ gaat. Als Paulus in Galaten de begrippen ‘zegen en vloek’ gebruikt, zoekt hij meteen de diepte. De hele heilsgeschiedenis wordt in een paar machtige zinnen samengevat.
De vloek van de wet is het oordeel, dat rust op hen die het voor hun redding van ‘werken der wet’ verwachten.
‘Iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt’ (3:10). Vervloekt wil hier zeggen: van God vervreemd en daarom aan het oordeel onderworpen.
Wij ontkomen niet aan deze vloek door hem te verbreken, maar door te geloven in Jezus Christus. Hij heeft de vloek over alle zonden gedragen en zo zijn wij verlost. Hij droeg de vloek, zodat wij de zegen zouden ontvangen. Als we denken dat er voor onze vrijheid meer nodig is dan het geloof in de prediking van het evangelie, dan raken we net als de Galaten ‘betoverd’. Ligt daar niet een bedreiging van een fixatie op vervloekingen?
Geen vloek maar zegen
Zoals we de vloek uit Galaten 3 niet op de klank af met de vervloekingen van Deuteronomium 28 moeten verbinden, zo is het ook met de zegen.
In Galaten 3 gaat het ook om veel meer dan om de materiële voorspoed van Deuteronomium 28. Het gaat niet om de ‘zegen van de wet’ maar om ‘de zegen van Abraham’ dus om de kern van Gods belofte aan Abraham. En dat is de belofte dat de HERE Abrahams God wilde zijn (Genesis 17:7). Als je door het geloof in Jezus van de vloek bevrijd bent, dan krijg je deel aan de zegen van Abraham. Je wordt Gods kind en mag je uitstrekken naar wat aan Abraham beloofd is. De kern van die belofte wordt uitgewerkt in de vervulling met de Heilige Geest (Galaten 3:14). Dat is de echte volle zegen, ook als wij soms allerlei tijdelijke, materiële zegen moeten missen.
Dit is geen ongeoorloofde vergeestelijking van Gods beloften, maar de realiteit van het Koninkrijk van God dat wel nabij is, maar nog niet in volle heerlijkheid gekomen is. Pas bij de wederkomst zal de komst van het koninkrijk ten volle gerealiseerd worden.
Direct nadat Paulus enthousiast geschreven heeft, dat Christus de vloek gedragen heeft, vertelt hij vrijmoedig over zijn ernstige oogziekte. Dat stukje ‘vloek’ was niet zomaar verleden tijd.
Dat wordt pas volledige realiteit als het koninkrijk van God bij de wederkomst in alle volheid gekomen is.
Wijsheid is geen rekensom
Regelmatig wordt Spreuken 26:2 geciteerd: ‘Gelijk een mus weg fladdert en een zwaluw heenvliegt, zo is een ongegronde vloek: hij treft geen doel’. Als je dit omkeert dan staat er, dat als iemand onheil treft, je er vanuit kunt gaan dat er een grond is voor een vloek. Met andere woorden: als er onheil in je leven is, dan is er een grote kans dat dit het gevolg van een vloek is. Je komt zulke ‘omgekeerde redeneringen’ o.a. bij Derek Prince tegen.
Maar is dat niet juist de manier waarop de vrienden van Job redeneerden, een redenering die door de Here nadrukkelijk wordt afgewezen. En laat Psalm 73 niet zien dat dit soort redeneringen in strijd zijn met de praktijk van alledag. In de psalm klaagt de dichter erover dat het de goddeloze voor de wind gaat, terwijl de rechtvaardige onheil treft (73:3,12-
14). Tenslotte wijst ook de Here Jezus deze redenering duidelijk af (Lucas 13:1-5).
Terwijl Spreuken ons wil leren niet bang te zijn voor loze (dat wil zeggen niet door God gedragen) vervloeking, bewerkt de uitleg van het bevrijdingspastoraat op dit punt juist het tegendeel.
Mensen worden bang: ‘er zal toch geen vloek over mijn leven zijn?’.
Ds. Joop van ’t Hof is predikant van de Nederlands Gereformeerde kerk van Barneveld-Voorthuizen.