Doem of daad
1983-01-07
- Jaargang 27
- nummer 1
Verzoening zonder voldoening
Dr. H. Wiersinga, syn. geref. studentenpredikant te Leiden, heeft voor enkele jaren nogal wat opzien gebaard door zijn ontkenning, dat Christus door zijn lijden en sterven in onze plaats aan de gerechtigheid van God heeft voldaan en een zoenoffer voor onze zonden gebracht heeft.
Volgens Wiersinga berust de leer van verzoening door voldoening op een Godsvoorstelling die in strijd is met de bijbelse openbaring over Gods liefde.
Het offer dat Christus bracht, is volgens Wiersinga niet iets dat gericht is op de voldoening aan het recht van God.
Het offer van Christus is gericht op de bekering van de mens. Het lijden en sterven van Jezus Christus brengt een schokeffect teweeg en dat heeft een vernieuwende werking.
Door het lijden van Christus worden wij tot andere mensen gemaakt doordat wij door zijn liefde overweldigd worden.
Wiersinga ontkent dus, dat Christus met onze schuld beladen voor het gericht van God gestaan heeft en bij God in onze plaats geboet heeft.
Hij wil niet weten van Jezus als het Lam van God, dat de zonde van de wereld draagt.
Met deze leer vindt een verschuiving plaats van het handelen van God naar het handelen van de mens.
Door deze humanisering, door deze vermenselijking, heeft Wiersinga het hart van het Evangelie aangetast.
Hoewel de synode geen maatregelen tegen hem nam, heeft zij zich in 1977 wel via een herderlijk schrijven van zijn opvattingen gedistantieerd.
Helaas zijn de opvattingen van Wiersinga nadien door meerdere gereformeerde theologen en ook door anderen aanvaard.
Afscheid van een burgerlijk zondebesef
In zijn nieuwe boek "Doem of daad", met als ondertitel "een boek over de zonde", gaat Wiersinga op de door hem ingeslagen weg voort.
Wie a heeft gezegd, moet ook b zeggen.
In dit boek heeft Wiersinga het met de zonde te kwaad. Hij laat zien, dat hij de diepte en de uitgebreidheid van het kwaad in de mens zeer onderschat.
Hij gaat consequent verder op het pad van de humanisering, dat is na de loochening van het verzoenend lijden en sterven van Jezus de ontkenning dat wij allen in Adam tot zondaars gesteld zijn.
Zonde lijkt, zo schrijft hij, een soort natuurverschijnsel geworden te zijn.
Iets dat men maar over zich heen moet laten komen, omdat zonde en gebrokenheid nu eenmaal bij de schepping behoren. Al is het waar, dat de mensen zich soms fatalistisch opstellen tegenover de zonde (ik ben nu eenmaal zo), het is niet ontkrachting van het Evangelie.
Deze redeneertrant is overigens typerend voor Wiersinga. Hij ontdekt ergens een ontsporing en gaat in zijn verdere betoog dan doen of die ontsporing de algemeen aanvaarde opvatting is.
Op deze wijze werkt hij met caricaturen, die hij vervolgens fervent gaat bestrijden. In onze traditie, zo merkt Wiersinga terecht op, zijn zonden en sexuele begeerten vaak vereenzelvigd.
Van een aantrekkelijke vrouw zegt men, dat ze de zonde wel waard is.
Een ontwettig geboren kind noemt men een kind der zonde.
Prostituees worden wel aangeduid als: "zij die van de zonde leven".
Dit zal wel samenhangen met de vroeger door sommige christenen gehuldigde opvatting, dat de zonde door sexueel verkeer naar een volgend geslacht werd overgebracht.
Deze gedachte, die noch in de Bijbel noch in de belijdenis te vinden is, zal nu toch wel geen aanhang meer hebben in gereformeerde kring.
Daar is, zo merkt Wiersinga op, een moralistisch zondebegrip gekomen, waarvoor veel mensen allergisch geworden zijn.
De term zonde past niet meer in hun belevingswereld.
Spreken over de zonde komt op hen over als folklore: een dagje Staphorst of Giethoorn; een stripverhaal over duivels en heksen, ver van eigen bed.
En de erfzonde, zo stelt hij, wordt zo gemakkelijk een alibi (we kunnen het niet helpen dat we zondig zijn) en leidt zo gemakkelijk tot doemdenken (we kunnen er niets aan doen).
In de politiek wordt de zonde vaak gebruikt als excuus voor het niet toekomen aan hooggegrepen idealen.
"Wij zijn nu eenmaal zondige mensen" , zo luidt de verontschuldiging.
Dat excuus wordt ook gebruikt om niet te snel te ontwapenen en om een radicale verandering van ons maatschappelijk bestel tegen te houden.
Met een beroep op de zonde sanctioneert men de bestaande orde (u bemerkt wel waar de politieke sympathieën van Wiersinga liggen).
Erfzonde
Het is niet onlogisch, dat de ontkenning van het verzoenend lijden en sterven van Christus gevolgd wordt door de loochening van de erfzonde.
Als de mateloze ellende in deze wereld een gevolg van de zonde is, dan is het kruis van Jezus Christus absoluut nodig.
Aan de andere kant maakt een relativering van het zondebegrip (zonde is iets dat de mens zelf kan uitbannen) het kruis niet absoluut noodzakelijk.
De erfzonde, de toerekening van de schuld van Adam aan ons, wordt door hem fel bestreden.
De belijdenis, dat wij van nature geneigd zijn God en de naaste te haten, wijst hij radicaal af.
Speciaal Augustinus wordt hier als de grote boosdoener door hem aangewezen. Met de erfzondeleer van Augustinus, zo meent Wiersinga, valt het pessimisme als een diepe schaduw over het christelijk Europa en doortrekt de westerse theologie.
En zo is het ook bij Calvijn.
De voorstelling van een zondige verdorvenheid van de totale mens beheerst bij Calvijn het hele beeld, zo schrijft hij.
Het gevolg van deze leer is, dat er o.m. ziekelijke schuldgevoelens gekweekt worden.
Om te bewijzen hoe wreed en somber deze leer is, worden verscheidene ex-calvinistische schrijvers te hulp geroepen.
Zo citeert hij uit het boek van Maarten 't Hart "Een vlucht regenwulpen" een opmerking van ouderlingen aan een zieke moeder, die voortdurend zegt: voor mij is geen vergeving. Die ouderlingen zeggen dan in het gebed, dat deze vrouw een zondares is, die voor eeuwig is buitengesloten.
Het is duidelijk dat Wiersinga hier via 't Hart weer met een caricatuur werkt.
Er zullen best eens domme ouderlingen geweest zijn, die zoiets gezegd hebben.
Het is echter niet eerlijk om te doen alsof dat nu het gevolg is van de leer der erfzonde. Een echt gereformeerde ouderling (dus niet de caricatuur van 't Hart) zou die zieke moeder gewezen hebben op het wonder van Gods genade ook voor de grootste zondaar.
"Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw".
De zonde als daad
Toch verwerpt Wiersinga de zonde niet, maar hij heeft er een andere visie op.
Hij wil het woord "zonde" handhaven, omdat dit een centrale plaats heeft in de joods-christelijke traditie.
Wèl moet het vertaald worden.
In onze westerse cultuur heeft de zonde het karakter van lot of noodlot gekregen.
Zonde en schuld zijn een onontkoombaar onderdeel van het menselijk lot geworden.
Volgens Wiersinga is zonde echter een daad. Zondigen is een rationeel begrip. Je zondigt tegen mensen met wie je in een verhouding staat.
Zonde is een actieve daad van een mens die kiest of handelt.
Een zonde wordt nooit bepaald door iets wat daaraan voorafging.
Zonde hoeft niet.
Je kunt de zonde "uitdoen" zoals je kleren uittrekt.
Wij zijn geen zondaars.
We kunnen de zonde aan en uittrekken.
Zonde is een daad, geen lot.
Zonde is een breuk in de verhoudingen. De maatstaf voor wat wel of niet zonde is, wordt door de relatie bepaald.
Een verhouding is goed als alle betrokkenen tot hun recht komen. Wiersinga vindt dat het verzet tegen de zonde veel intensiever kan zijn. Dan moeten we elkaar echter niet voorhouden, dat we er toch maar weinig van terechtbrengen omdat we in zonde ontvangen en geboren zijn en tot weinig goeds in staat zijn.
We moeten niet meer zeggen:
"ik ben een zondaar",
maar:
"ik doe zonde".
De mens kan daarom blijven kiezen tussen goed en kwaad. Daarbij is Jezus onze voorganger. Hij ging ons voor in de nieuwe wereld als voorloper.
Het Oude Testament over onze algemene verdorvenheid
De vraag rijst natuurlijk wat Wiersinga nu doet met die vele uitspraken in de Bijbel, die wijzen op onze algemene verdorvenheid en ook over het verband tussen Adam en zijn nakomelingen.
In zekere zin heeft hij het daar niet moeilijk mee.
Prof. Runia merkte in het Centraal Weekblad terecht op, dat Wiersinga de Schrift selectief gebruikt.
Wiersinga kiest eenvoudig de teksten uit, die hij meent te kunnen gebruiken voor zijn opvatting.
Eigenlijk geeft hij dat zelf ook wel toe.
In de bonte traditie, die we in het Oude Testament tegenkomen, zo merkt hij op, herkent hij de lijnen waar hij zich graag bij aansluit. Hij maakt zelf een keus uit de teksten. Een typerend voorbeeld van Schriftmisbruik levert hij ten aanzien van de eerste hoofdstukken van Genesis. De Joodse ballingen, zo stelt Wiersinga, vroegen zich tijdens de ballingschap af hoe dit toch kon gebeuren. Hoe konden zij zo tegennatuurlijk zondigen?
In die verlegenheid met hun zondig verleden zijn de verhalen van de zogenaamde oergeschiedenis, Genesis 1, 2 en 3 over de goede schepping en het ingesloten bederf geboren.
Hoe Wiersinga aan deze wetenschap komt, is niet dudielijk. Maar het is wel knap gevonden. Het is echter niét meer een buigen voor de Schrift als het betrouwbare Woord van God.
Het verhaal van Adam en Eva is volgens hem dan ook een mythe. Overigens een waardevol verhaal, omdat de bestaande wereld wordt doorlicht naar haar positieve en negatieve kant.
Genesis 3 geeft een dwars doorsnee van de zonde als onderwijsmodel. Overigens is Wiersinga hier, zoals op meer plaatsen, nogal inconsequent. Genesis 3 is een onderwijsverhaal, dat ons leert hoe de zonde in de wereld gekomen is. Maar dan rijst de vraag: wát leert ons dan het verhaal in Genesis 3?
Wiersinga trekt uit dat onderwijs echter geen enkele lering en constateert eenvoudig dat de zonde altijd een vrije daad is.
Maar waarom zondigde de mens dan? Het verhaal van Wiersinga over dat onderwijsmodel is geen knap verhaal.
Nu zijn er in de Bijbel heel wat teksten, die spreken over het zondig zijn van alle mensen vanaf hun geboorte.
Job 14: 4: "Komt ooit een reine uit een onreine - niet één".
Ps. 14: 3: "Allen zijn zij afgeweken, tezamen ontaard: er is niemand die goed doet, zelfs niet één". Pred. 7: 20:" Want niemand op aarde is zo rechtvaardig dat hij goed doet, zonder te zondigen.
Deze poëtische teksten, aldus Wiersinga, bezitten niet voldoende draagkracht om systematisch vast te stellen, dat zondigen overal moet. Zo ben je gemakkelijk van een aantal teksten af. Teksten als psalm 51, waarin David schuldbelijdenis doet en uitspreekt, dat hij in ongerechtigheid is geboren, noemt hij helemaal niet.
Met selectief Schriftgebruik kom je een heel eind om je eigen mening te bevestigen.
Het Nieuwe Testament over de erfzonde
Ook in het Nieuwe Testament wordt voortdurend gesproken over de totale en algemene verdorvenheid van de mens. Paulus wijst daarbij ook nadrukkelijk op het verband tussen Adam en zijn nakomelingen. Het duidelijkst gebeurt dat in Rom. 5 : 12-21. Al gaat het hier voor alles om Christus, Adam is hier toch duidelijk het spiegelbeeld. Door één mens is de zonde de wereld binnengekomen en door de zonde de dood (Rom. 5 : 12).
Door de overtreding van die éne zijn velen gestorven (vs. 15). Door de overtreding van de ene is de dood als koning gaan heersen (vs. 17). Door één overtreding is het voor alle mensen tot veroordeling gekomen (vs. 18). Door de ongehoorzaamheid van één mens zijn velen tot zondaars gesteld geworden (vs. 19).
Hier wordt dus duidelijk geleerd dat de schuld en overtreding van Adam ons allen wordt toegerekend.
De reactie van Wiersinga is, dat wij niet zo maar de rabbijnse redeneerwijze van Paulus behoeven over te nemen.
Zo ben je gemakkelijk van Romeinen 5 af.
1 Cor. 15 : 22, waarin staat: "want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden", wordt helemaal niet besproken.
Wanneer Paulus in Rom. 7 spreekt over de kwade' machten die wij ontketenen als zonde, zegt Wiersinga dat hij die aanduiding zonde niet zou willen overnemen. Het komt op mij over alsof Wiersinga zegt: "Die opmerking van collega Paulus neem ik niet voor mijn rekening" .
Veel eerbied toont Wiersinga niet voor de Heilige Schrift.
De mens is zondig
Prof. Runia merkte op, dat in Wiersinga's boek een merkwaardig optimisme doorklinkt, wanneer hij zegt dat de mens niet zondig is, maar alleen maar zondige dingen doet. Men zou ook kunnen zeggen dat Wiersinga hiermee blijk geeft van een levensgevaarlijke naïviteit.
Zonde is een daad van de mens die opkomt uit de gerichtheid van zijn hart. Uit het hart van de mens, dat vijandig is tegenover God en de naaste, komen slechts daden en gedachten op.
Dat is voor ons maar moeilijk te aanvaarden.
In de loop der eeuwen is deze waarheid dan ook vaak bestreden. Eén van de felste bestrijders was Pelagius, die in het begin van de 5e eeuw leefde.
Volgens Pelagius heeft de val van Adam niets aan de natuur van de mens veranderd.
Erfzonde is er niet.
Ieder mens wordt zonder zonde en deugd geboren.
De mens heeft de vrije wil om de zonde of de deugd te kiezen.
Erkend moet worden dat de zonde algemeen is.
Dat komt, aldus Pelagius, wegens de macht van de verleiding door het kwade voorbeeld of door de kracht der gewoonte.
De genade van God sterkt de mens om de deugd te betrachten.
Christus is mens geworden om door zijn leer en voorbeeld de mens aan te moedigen.
Deze leer van Pelagius heeft veel navolging gevonden.
Bij Remonstranten en in mindere mate bij het Heilsleger en sommige Baptisten en Evangelischen vindt men er nog sporen van.
Dr. Wiersinga is echter een duidelijk aanhanger van het Pelagianisme. Het zou goed geweest zijn als Wiersinga dat eerlijk erkend had.
Hij noemt Pelagius slechts eenmaal en gaat verder niet op zijn beschouwingen in.
Dit in tegenstelling met Dorothee Sölle, wiens navolger hij ook is.
Deze noemt hij herhaald met instemming.
Wel moet toegegeven worden dat de term "erfzonde" minder gelukkig is.
Bij erfzonde zou men kunnen denken aan een soort biologisch overerven.
Maar het gaat bij erfzonde niet om een erfenis.
Het gaat ook niet over een vréémde schuld, maar over onze éigen schuld.
Het gaat over de continuïteit van de zonde in de voortgang der geslachten.
Daaraan dacht men, toen men de term erfzonde ging gebruiken.
Bedoeld wordt het overmachtige en totale van de zonde en de menselijke onmacht om daaruit te vluchten.
De Bijbel spreekt over het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.
Christus heeft niet geleden voor een optelsom van zonden, maar voor de zonde.
In het geval van Christus kunnen we inderdaad spreken van een vreemde schuld, omdat Hij de onze op zich nam.
Een verschrikkelijke erkenning, die totale verdorvenheid van heel de mensheid. Maar let dan ook op de andere zijde. Jezus Christus, die door zijn lijden en sterven voor al onze zonden, onze zondige aard en ook onze zondige daden, volledig heeft betaald.
Verzoening door voldoening.