Heeft de Kerk in ons land nog een toekomst (2 - slot)

1983-01-21
  • Jaargang 27
  • nummer 3
Onjuiste diagnose
In de kritiek op de kerk zit echter ook veel onbillijkheid.
Met name de kritiek, dat de kerk niet maatschappijkritisch genoeg is. In de praktijk betekent d!H vaak, dat men op de kansels wel oproept om bewogen te zijn met dit of met dat, maar dat de prediking van de verzoeking door het kruis van Christus niet ter sprake komt. De verlossing door Jezus Christus wordt uitgelegd als maatschappelijke en politieke bevrijding.
Men verlangt, dat de kerk allerlei uitspraken gaat doen over het maatschappelijk en politiek gebeuren.
Maar is de kerk daartoe competent?
Heeft ze daartoe de mogelijkheden?
Moet ze dan als kerk allerlei deskundigen aantrekken? Hebben kritici als Jonker wel genoeg oog voor het geheel eigen karakter van de kerk?
Daar komt nog bij, dat de feiten meestal de andere kant uitwijzen. Daar waar de kerk zich maatschappijkritisch opstelt, lopen de kerken het snelste leeg. Aan de andere kant is wel waar, dat de kerk ook in de samenleving heeft te spreken. Het spreken van de kerk moet zich niet beperken tot de verkondiging van het persoonlijk zieleheil, hoe belangrijk dat ook is. De kerk heeft het Woord van God in al zijn rijkdom te prediken. Immers dat Woord is een licht op heel de weg van ons leven. De kerk moet dat Woord zo prediken, dat de kerkleden zelf kunnen bepalen hoe zij zich in het politieke en maatschappelijke leven, in heel de samenleving hebben te gedragen. Wee echter de kerk, die een partij-politieke koers kiest. Ook in Rom. 13 wordt niet gezegd, dat de kerk zich met de politiek moet bemoeien. Er wordt ons geleerd hoe de gelovigen zich tegenover de overheid hebben te gedragen. Daar liggen wel aanwijzingen in voor de roeping van de overheid, maar een leer van het overheidsgezag wordt niet ontwikkeld.

Ernstiger nog is de ontsporing van Jonker als hij constateert, dat de moderne mens vreemd staat tegenover wat door vroegere geslachten werd beleefd als waarachtig en voor hun leven van wezenlijke betekenis.
Daarbij moeten dan o.m. de almacht van God, het zondebegrip, de verzoeningsleer, de inspiratieleer het ontgelden.
Het gaat hier echter niet, zoals Jonker meent, over wat ons voorgeslacht beleefde, maar wat God ons in Zijn Woord leert. Wanneer men dat loslaat, is de kerk metterdaad een "camping in de herfst", die men beter maar zo spoedig mogelijk dient te sluiten.
Jonker schrijft, dat hij gevormd is in de school van dr K. Schilder en A. Janse en de moeizame weg van "Christus in zijn lijden" (Schilder) naar "Jezus, het verhaal van een levende" (Schillebeecks) heeft afgelegd.
Jammer, dat moot worden· vastgesteld, dat Jonker een trouw volgeling van Schillebeeeks is geworden, die de school van Schilder en Janse vaarwel heeft gezegd.
Het is vergeten, dat het Evangelie altijd een ergernis en dwaasheid is geweest, en dat geloven naar de mens gesproken, altijd een onmogelijke zaak is geweest.

Waar het standpunt van Jonker op uitloopt, laat hij zien bij de uitwerking van zijn opvatting over de moraal. De sexuele moraal is afgesteld op de behoeften van de samenleving uit vroegere eeuwen. Wij moeren nu vanuit onze huidige samenleving de overgeleverde moraal op haar bruikbaarheid toetsen.
Ook het huwelijk wordt dan natuurlijk het slachtoffer. De kerk staat nog altijd onbeholpen, zo schrijft Jonker, tegenover sexualiteit vóór het huwelijk en het samenwonen zonder officiële registratie.
Gehandhaafd blijft alleen het gebod van de liefde.
Bij het pogen om oplossingen te geven, raakt Jonker het spoor nog verder bijster. Hij, die zelf de werenschappelijke theologie bestrijdt, valt in de netten van de ervaringstheologie. De autoriteit van de Bijbel wordt ingeruild voor de religieuze ervaring van de gelovige. Een bijzonder slechte ruil. Deze theologie kan nooit het middel zijn om de kerk uit het slop te halen. Hier maakt de mens zichzelf tot maatstaf. Ik vrees, dat hij die deze richting kiest, later zal moeten zeggen: mijn kinderen gaan niet meer naar de kerk. Ze hebben mij veel geluk gewenst met de kerk en zijn hun eigen weg gegaan.

Op weg naar het einde?

Over de toekomst van de kerk wordt daarom erg pessimistisch geoordeeld.
In zijn mooie geschrift "Is geloven moeilijker dan vroeger" merkt ds Overduin op dat er verscheidene begrafenisondernemers klaar staan om de kerk te begraven. Ze is immers op sterven na dood. Je kunt er nog over twisten welke begrafenis de kerk verdient. Een praalgraf? Ben ezelsbegrafenis? Of helemaal geen begrafenis wegens gebrek aan belangstelling?
In een advertentie riep een werkgroep ons op om steun te verlenen. Immers de kerk is op weg naar het einde.
We mogen die sombere voorspellingen niet vergoelijken met de opmerking, dat er nog wel heel wat niet kerkelijke gelovigheid zal zijn.
Ik geloof daar niet veel van. Wanneer men echt gelooft, kan het niet anders of men zoekt elkaar als gelovigen op. Wie alleen op stap gaat, raakt ondanks de beste bedoelingen de weg kwijt.
Toch mogen we ons niet aan pessimisme overgeven.
We moeten er oog voor hebben, dat de teruggang van de kerk niet een mondiaal verschijnsel is. Buiten Europa gaat de kerk op vele plaatsen sterk vooruit. Ook in landen waar vervolging heerst, houdt de kerk stand. Het is best mogelijk, dat het centrum van de kerk, evenals vroeger gebeurd is, zich verplaatst naar een ander deel van de wereld. Laten we daarom vooral als kerk onze roeping om zending te bedrijven, om overal de Naam van onze Heer Jezus Christus bekend te maken, niet vergeten.
Het is ook niet voor het eerst, dat de kerk erg klein was. De positie van de christenen gaat in Europa steeds meer lijken op die van de eerste christenen. Ook toen meende men dat dat kleine groepje wel spoedig zou verdwijnen.

Het is ook goed ons ervan te doordringen, dat de kerk, met name in ons werelddeel de wind sterk tegen heeft. De beschermde positie, die de kerkleden hadden, gaat steeds meer verloren.
De verschrikkingen van twee wereldoorlogen, het vermoorden van miljoenen Joden, het geweld en de ellende, waar radio en t.v. ons dagelijks mee confronteren brengt velen in opstand tegen God.
We worden geconfronteerd met vragen over de ouderdom van de aarde, met de vraag hoe de Bijbel gelezen moet worden, met tal van ethische vragen waar we niet direct een antwoord op weten.
De bescherming, die wij vroeger hadden in een meerderheidspositie, is weg.
Er was vroeger een zekere moed voor nodig om uit de kerk te stappen.
Ik herinner me, dart in de dertiger jaren een lid van onze J.V. plotseling verklaarde dat hij niets meer geloofde, van al dat gehuichel genoeg had en daarom opstapte. We waren erg ontzet. Toch had ik enige bewondering voor het feit, dat hij dit allemaal durfde zeggen. Want daardoor was hij voor zijn omgeving een paria geworden.
Het vereist nu meer moed om lid van een kerk te blijven en overal als belijdend christen uit te komen in woord en daad.
De kerk heeft de wind tegen. Dat is niet alleen maar verlies. De kerk mag en moet zich nu bezighouden met haar eigenlijke taak. Dat kan ons bevrijden van de dwaze gedachte, dat wij het wel eens voor elkaar zullen brengen.
Wat waren we vaak eigengereide, verwaande kwasten, wij die dachten dat we met onze gereformeerde beginselen de wereld wel klein zouden krijgen.
We worden nu weer met de neus op de werkelijkheid gedrukt en deze is, dat we onze roeping als kerk, als kerkleden, alleen aan kunnen door de hulp van de Heilige Geest.
Alleen dan kunnen we trouw zijn, Zijn Woord bewaren en Zijn Naam niet verloochenen.
En dan is het goed al die kritiek, die op de kerk wordt uitgebracht niet zo maar weg te schuiven, maar ons als kerk aan een nauwkeurig, schriftgetrouw zelfonderzoek te onderwerpen.
Zouden we dan niet tot de conclusie komen, dat we te weinig Pinkstergemeente zijn? Dat bedoel ik niet in die zin, waarin bepaalde groeperingen zich tegenwoordig met de naam pinkstergemeenten sieren, maar een gemeente zoals de eerste christelijke kerk was.
In Handelingen 2 wordt ons een beeld van die gemeente gegeven.
Een gemeente waar ieder mee helpt aan de bouw van de kerkgemeenschap.
Een gemeente waar men blij is, men God looft in liederen, die door de kerk schallen.
Een gemeente, die een biddende gemeente is.
Een gemeente, die bijeen blijft en waar de liefde de trekpleister is voor buitenstaanders.
Een gemeente waar elk lid zijn of haar taak vervult en let op de belangen der anderen.
Een gemeente, die echt één lichaam is.
Daar is een oude Romeinse fabel, die laat zien, hoe belangrijk het is, dat de leden één lichaam zijn.
Heel lang geleden was het menselijk lichaam nog niet één geheel.
Alle lichaamsdelen hadden een eigen leven en een eigen wil. Op een dag spraken ze daarover met elkaar en beklaagden zich daarover.
Ze werkten de hele dag, maar waarvoor eigenlijk? Alleen maar om die luie maag van voedsel te voorzien, terwijl deze zich maar liet bedienen en zelf niets deed?
Het moest maar eens uit zijn en men besloot te staken. De voeten liepen niet meer, en zo kreeg de maag niets meer binnen.
Maar al spoedig begonnen de ledematen zich onplezierig te voelen.
Toen de maag geen voedsel meer kreeg, kregen ook de andere ledematen geen vers bloed meer en dreigden af te sterven.
Zijn wij als gemeenteleden soms niet even dom als de lichaamsdelen in deze fabel? Wanneer we als gemeentelichamen niet één lichaam zijn, vernietigen we onszelf.
Een kerk echter, die één lichaam is, kan niet ondergaan.
Wanneer we als kerken iets laten zien van dat beeld van die Pinkstergemeente, dan vertonen we niet het beeld van een camping in de herfst, maar van een park in de lente.

De kerk op weg naar het einde?
Ja, maar dan in die zin, dat Christus vanaf het begin der wereld tot aan het einde zich een gemeente vergadert.
Heeft de kerk nog een toekomst?
Ja zeker, de toekomst is zelfs van de kerk (1 Cor. 3 : 22).
Immers de kerk is niet van ons. De Kerk is van Jezus Christus.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief