Gods vaderhand
1983-01-28
Daar is in de wereld veel geweld en onrecht te bespeuren. Dat is de eeuwen door zo geweest. Zowel vroeger als nu zijn er talloze slachtoffers van wrede dictaturen. In de vernietigingskampen tijdens de laatste wereldoorlog bereikten deze wreedheden wel een hoogtepunt, maar het was geen eindpunt. Veel mensen zeggen daarom, dat je in een wereld met zoveel geweld en onrecht niet meer in God kunt geloven. Geloven in de almacht en voorzienigheid van God is na Auschwitz niet meer mogelijk, zegt men. Hoe zou een rechtvaardig God al dat leed kunnen toestaan? - Jaargang 27
- nummer 4
En geldt deze vraag ook niet in verband met het leed, dat ons persoonlijk treft?
Hoe kon God toestaan, dat ik mijn enig kind door een ongeluk verloor?
Hoe kon hij toelaten, dat mijn vrouw, die ik niet missen kon, zo plotseling stierf?
Hoe is het mogelijk, dat God mijn man, die ongeneeslijk ziek is, zo zwaar doet lijden?
Dagelijks melden de nieuwsmedia verkeersongelukken, vaak met dodelijke afloop. Op den duur wen je er wel wat aan. Treft het echter mensen, die je persoonlijk goed kent, dan raakt het je weer. En soms flitst het dan door je heen: waarom moest nu juist hij of zij verongelukken? Heeft God dat gedaan?
Kunnen we bij het plotselinge sterven van een jonge moeder zeggen, dat God dit gewild heeft?
Is het juist om na een verkeersongeluk te schrijven, dat het de Here in zijn ondoorgrondelijke wijsheid behaagd heeft hem of haar weg te nemen?
Mogen wij zeggen, dat Gods Vaderhand een auto in elkaar rijdt, de vader en de moeder doodt en zielige weesjes achterlaat?
Ik stel deze vragen zo, omdat we als gereformeerden nog al eens op deze wijze reageren.
Velen zijn hierdoor in geloofsnood gekomen.
Zendt God keelkanker?
De bekende schrijver Maarten 't Hart schreef over deze problematiek in "Een vlucht regenwulpen". Ais motto gaf hij aan zijn veelgelezen roman vraag en antwoord 27 van de Heidelberger Catechismus mee: wat verstaat gij onder de voorzienigheid Gods?
In dit boek beleeft de hoofdpersoon Maarten de dood van zijn moeder aan wie hij zich zeer verbonden voelt. Zij lijdt aan keelkanker, een verschrikkelijk gebeuren waarbij Maarten tot de conclusie komt, dat het Christendom bedrog is. Hij zegt er nu zeker van te zijn, dat god ergens ver weg in het heelal satanisch lacht op zijn verdriet, de god van zondag 10 die met vaderlijke hand zijn moeder een krankheid heeft doen toekomen, een voorsmaak van het lijden in de hel.
Zo is god, de god van de Heidelberger Catechismus, de god die mensen zo intens haat, dat hij keelkanker voor ze heeft uitgevonden. Zelfs mensen zijn niet in staat op een zo laaghartige wijze elkaar te vermoorden als god kan met deze ziekte.
Wanneer Maarten zich zo uit, heeft hij jurist de ouderlingen, die zijn stervende moeder bezochten, het huis uitgegooid en in elkaar geslagen.
Van deze ouderlingen geeft hij een walgelijke beschrijving.
Het zijn mannen met dunne lippen, met varkensoogjes en vlekkerige rode wangen.
Bij het begin van het huisbezoek zingen ze balkend een psalm. De moeder geeft te kennen, dat zij wegens haar keel niet kan meezingen.
Na het huisbezoek wordt er door de jongste ouderling gebeden: O, Here Christus, ontferm U over onze zuster, die U weldra zult wegroepen uit deze aardse benauwenis. Zij, Here, gaat momenteel door een dal van diepe schaduw des doods en ook haar hart is verhard tegen Uw wetten en geboden. Ook zij is een zondares die voor eeuwig buiten gestoten zal worden, die voor eeuwig, ja eeuwig verloren zal gaan als zij zich niet bekeert, tegen wie U zult zeggen: ga weg van mij, gij ontrouwe dienstmaagd, gaat naar de buitenste duisternis waar het vuur niet uitdooft en de worm niet sterft, waar zij zal lijden, onuitsprekelijk zal lijden om haar zonden, van welk lijden U haar nu al een voorsmaak doet proeven ...
Dit gebed bracht Maarten tot zijn woede-uitbarsting.
Geen fatalisme
Uit het verhaal wordt wel duidelijk waarom vraag en antwoord 27 boven deze roman staat. Immers in deze zondag wordt op de vraag wat we onder de voorzienigheid van God verstaan o.m. geantwoord, dat gezondheid en ziekte ons van Gods vaderlijke hand toekomen.
Moeten wij inderdaad alle lijden en tegenspoed zien als iets, dat God ons zendt?
Is het een soort noodlot, dat ons treft en waar de mens zelf niets aan kan doen?
Is de gereformeerde opvatting over de voorzienigheid zo iets als een mohammedanisering van het christendom?
De mohammedaan zegt bij alles wat gebeurt, zowel bij het goede als het kwade: Allah wil het. Dat is praktisch het aanvaarden van het noodlot.
Het leven wordt beheerst, zo meent men, door een gesloten natuurwetmatige causaliteit. Daar zijn inderdaad christenen geweest en zij zullen er nog wel zijn, die bij het belijden van de voorzienigheid van God in een soort fatalisme verstrikt raakten.
Dat leert de Schrift ons echter niet en het is ook niet de bedoeling van de belijdenis. We mogen niet zeggen dat God niets met het leed op aarde te maken heeft, maar evenmin van alle leed constateren, dat God het wil.
We zijn als het goed is, ons juist steeds meer bewust geworden, dat de mens zelf mede verantwoordelijk is voor wat er in deze wereld gebeurt.
Toen de watersnoodramp op 1 febr. 1953 plaats vond was dat het gevolg van een menselijke fout. Onze zeedijken waren te laag (en ze zijn dat door onze schuld voor een deel nog steeds).
Wanneer in tal van landen steeds weer overstromingen plaats vinden, is dat vaak ook de schuld van mensen. De ontbossingen, die in veIe landen hebben plaats gevonden, leiden ertoe, dat de regens niet meer vastgehouden worden. Veel woestijnen zijn ontstaan door het wanbeheer van mensen.
De milieuvervuiling, het uitbuiten van de aarde is het werk van mensen.
De hongersnoden zijn het gevolg van daden van mensen.
En dan al die verkeersongelukken. Ze worden door mensen veroorzaakt!
Geen absolute vrijheid
Tegenover de opvatting, dat het mensenleven geheel beheerst wordt door een macht buiten hemzelf, is als reactie de gedachte gekomen, dat de mens absoluut vrij is. God staat buiten het menselijk gebeuren.
Dr H. Wiersinga gaat ook die richting uit, al gaat hij niet zo ver om te zeggen, dat God buiten het menselijk gebeuren staat. Hij wil niets meer weten van een regerende God, maar hij spreekt nu over een sympathiserende God. God, die zich het kwaad dat de mensen aanrichten, aantrekt. God lijdt en strijdt mee tegen het lijden, maar Hij is er op geen enkele manier aansprakelijk voor.
Deze vraagstelling is typerend voor deze tijd. Niet meer de vraag hoe we met God verzoend kunnen worden, maar hoe ik mijn geloof in God behoud in al de ellende van deze tijd.
Het zwaartepunt ligt niet meer bij God, met wie we verzoend moeten worden, maar bij de mens, die het in deze wereld met God moet zien te doen. Alsof God ons verantwoording schuldig is en wij God zouden moeten en kunnen narekenen.
Het is inderdaad onjuist om een rechte lijn te trekken van God naar het lijden, alsof God die ellende gewild zou hebben. Maar God heeft wel met dat lijden te maken. God wil al die rampen niet, al gaan ze niet buiten Hem om.
Daarom kunnen we in onze rouwadvertenties ook rustig zetten. "De Here nam tot Zich."
We gaan te ver als we zeggen: "God heeft het zo gewild", maar ook als we zeggen: "het gaat geheel buiten Hem om."
Gods voorzienigheid
Nu stelt zondag 10 ons wel voor een moeilijkheid. Men kan hieruit lezen, dat alles, loof en gewas, regen en droogte, gezondheid en ziekte, in rechte lijn ons uit Gods hand toekomt. Bij oppervlakkige lezing zou je de conclusie kunnen trekken, dat God de schuld is van alle onrecht, moorden, hongersnoden en oorlogen.
In zondag 10 wordt te weinig aandacht gegeven aan de verantwoordelijkheid van de mens en het aandeel van de duivel in dit alles.
Art. 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis geeft hier noodzakelijke aanvulling. Daarin wordt gezegd, dat de goede God de schepping naar zijn heilige wil bestuurt en regeert, zodat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking, hoewel God noch de bewerker is noch de schuld heeft van de zonde die er geschiedt. Want zijn macht en zijn goedheid zijn zo groot en goed beschikt en doet, ook al handelen de duivelen en de goddelozen onrechtvaardig.
Deze leer, zo concludeerde art. 13 terecht, geeft ons een onuitsprekelijke troost, wanneer wij erdoor leren, dat ons niets bij toeval kan overkomen, maar alleen door de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader, die over ons waakt onbegrijpelijk dat Hij zijn werk zeer met een vaderlijke zorg.
Hier krijgen beide, Gods voorzienigheid en de verantwoordelijkheid, van de mens, hun plaats.
Het kwaad en het lijden komt niet van God
Het Evangelie laat ons zien, dat schuld, lijden en dood vijandige machten zijn, die God niet gewild heeft. Het vertelt ons, dat Christus met al zijn kracht tegen ziekte en dood gestreden heeft.
De Schrift zegt ons, dat we in bezet gebied leven, waar de vijand als een brullende leeuw rondgaat. We leven in een wereld, die door vijandige machten beheerst wordt. Evenals God niet de auteur van de zonde is, is hij ook niet de oorzaak van kanker, hartinfarct, reumatiek en verkeersongelukken.
Wij worden beheerst door boze machten waar we niet tegen op kunnen.
Jezus Christus is juist gekomen om ons daarvan te verlossen.
Als de moeder van Maarten sterft heeft dat niets te maken met een God, die haar deze ziekte heeft gegeven, maar met een God, die weet wat zij te lijden heeft. Een God, die haar niet met een schouderklopje de woestijn instuurt, maar haar troost met de boodschap: denk eraan, dat Jezus bij zijn dood en opstanding die vijandige machten overwonnen heeft.
Wij lezen, dat Jezus verbolgen is als Hij bij het graf van Lazarus komt.
Hij heeft ziekte en dood overwonnen.
Wie dat gelooft en daarop vertrouwt, zal ontdekken, dat de Vaderhand van God zoveel geeft als we werkelijk nodig hebben. Bij God komen we nooit te kort.
Neen, God zendt niet het lijden.
God heeft alles te maken met het lijden
En toch heeft God ook weer alles te maken met het lijden, als het gaat om de vraag wie kan troosten en genezen.
We moeten beide vasthouden. Het lijden komt niet van God en toch heeft Hij er alles mee te maken.
We zullen dat op aarde nooit helemaal kunnen begrijpen. Daar is wel getracht dit duidelijk te maken door te spreken van God als "prima causa" en "causae secundae" God de eerste oorzaak, duivel en mensen 2e oorzaken. Dat schema helpt ons echter niet veel verder.
Op God mag men het woord causa niet toepassen. God zou dan gezien worden als het begin van een reeks handelen en dat van de mens zijn geen vergelijkbare grootheden. Het gaat bij het belijden van de voorzienigheid niet om het belijden van een causalistische redenering, maar om de erkenning van de overmacht van Gods soevereiniteit. Tegelijk belijden we echter ook onze schuld en verantwoordelijkheid, daar wij weten dat in God geen enkel onrecht is.
God wil het kwaad niet, omdat Hij een liefdevol God is.
Daarom kunnen we de vraag hoe de zonde in de wereld gekomen is ook niet beantwoorden.
Wij willen dergelijke problemen graag oplossen volgens het schema van of.. .of. Of God doet het, of de mens doet het. Maar de Schrift leert ons te leven in de spanning van en... en.
Een duidelijk voorbeeld daarvan vinden we in Phil. 12 : 12 en 13. Daar vermaant Paulus de gemeente van Philippi, en ook ons, haar heil uit te werken met vrees en beving. Schijnbaar onlogisch volgt daarop: want het is God die naar Zijn welbehagen het willen en het werken werkt.
Wij moeten verantwoordelijkheid werken, alsof het geheel in onze macht ligt en tegelijk afhankelijk zijn, omdat het alleen in Gods macht ligt.
Een werkelijkheid, die we alleen in het geloof kunnen ervaren.
Gods gedachten zijn hoger dan onze gedachten.
In de brief van Jacobus lezen we: "iedere gave die goed is en elk geschenk dat volmaakt is, daalt van boven neder."
Uit de goede hand van de Vader komt geen kwaad. God wil niets met het kwade te maken hebben.
Wanneer echter de mens het kwaad sticht, wil God de rampzalige richting, waarin de slagen van het lot ons drijven met zijn vaderlijke arm opvangen en ombuigen, zo als Hij het voor zijn kinderen nodig oordeelt.
Op deze manier wordt alles anders voor de mens, die Zijn kind is, voor hem, die in het leven en sterven van Jezus eenmaal de Vader heeft gezien en Hem nu niet meer loslaat. "Nu komt het uit zijn handen; in elk geval moet het door zijn handen gaan. Wij weten immers allen, welke een ontzaggelijke troost er in ligt, wanneer wij iets uit Gods hand kunnen aanvaarden". (prof. dr H.Thielicke: "Het gebed dat de wereld omspant") God heeft niets te maken met het lijden als gevolg van de machten van duivel en zondige mensen. Toch wil Hij er alles mee te maken hebben.
We zien dat bij het lijden en sterven van onze Heiland. Hij gebruikte de kromste stok van alle tijden om er de meest rechte slag mee te slaan.
Daarom behoeven wij niet fatalistisch in het lijden te berusten. Wij mogen ons met alle goede middelen tegen alle vormen van lijden verzetten.
Maar in dat verzet moet toch tegelijk een element van geloofsovergave zijn.
Vertrouw er vast op: in elke situatie, in elk lijden, zelfs bij het sterven is Gods Vaderhand bij ons.
Dan kan ons niets ontbreken.