Reformatorische politiek: noodzaak of luxe?
1983-02-04
Dit artikel van de heer J. B. A. van Dam ontving de redaktie nadat de ingezonden reakties van Dick Stellingwerff en ir. A. Kadijk gezet waren.- Jaargang 27
- nummer 5
Ook was toen het antwoord van mr A. L. Bennen al geschreven.
Desondanks leek het ons goed om ook deze ingezonden reaktie nog te plaatsen.
De artikelenserie, die eind vorig jaar in Opbouw verscheen van de hand van de heer Bennen uit Leeuwarden kan niet onweersproken blijven, maar misschien is dat ook de bedoeling van de redaktie.
Hoewel de titel boven het verhaal ("Ontwikkelingen met betrekking tot het CDA") nog niets doet vermoeden, wordt met name in het tweede dool van de serie (Opbouw 47, 17-12-82) een harde aanval ingezet op het politiek functioneren van de RPF. Nu heb ik er geen enkele moeite mee, dat er in Opbouw over christelijke politiek wordt gediscussieerd: ik heb er zelfs weleens voor gepleit, maar het lijkt me verstandig die discussie zonder al te veel karikaturen van de "tegenpartij"
te voeren. Ik heb er daarom behoefte aan als "RPF-gezinde"
enige kanttekeningen te plaatsen bij de karikatuur die de heer Bennen (wellicht onbedoeld) in feite toch van de RPF heeft gemaakt.
Vooraf echter een punt van orde.
In de bedoelde artikelen worden SGP, RPF en GPV "afgeschilderd" als “klein rechts". Nu heb ik daar geen bezwaar tegen, wanneer dat woord in de oorspronkelijke betekenis (namelijk "confessioneel") gebruikt wordt. Anders wel.
Dan nu enkele kanttekeningen. Ik kan mij daarbij het best beperken tot het geschrevene onder de kop "CDA en RPF", of zo u wilt "RPF en CDA".
Een algemeen punt van kritiek op de RPF betreft dan de beperktheid van haar aktiviteiten. Als ik het zo mag vertalen: de RPF heeft twee zetels in de Tweede Kamer ten gevolge van de normloosheid en bandeloosheid van het Nederlandse volk, de abortuswetgeving, het emancipatiebeleid en het voorontwerp van een Wet Gelijke Behandeling. Daar zou de RPF dan ook het accent op leggen.
Ik bestrijd dat en wil dat illustreren aan de hand van de verkiezingstoespraken van het RPF-Kamerlid dat ook in Leeuwarden heeft gesproken. Die toespraken bestonden namelijk uit 5 minuten algemene inleiding, 18 minuten sociaal-financieel-economische vraagstukken (met zeer concrete suggestie!), 17 minuten vraagstukken van vrede en veiligheid en 8 minuten zo genoemde "zedelijkheidsvraagstukken" (abortus, euthanasie, huwelijk en gezin, voorontwerp vaneen Wet Gelijke Behandeling, e.d.), waarna 2 minuten restten voor een opwekkend slotwoord. En ook in de Kamer is de RPF "breed gericht", zoals overigens van een politieke partij mag worden verwacht. Een greep uit de onderwerpen van de debatten, waarin de RPF-Kamerleden het woord voerden: eenmalige uitkering aan z.g. echte minima; regionaal sociaaleconomisch beleid; lijkbezorging: invoering van het speciaal onderwijs; RWW-uitkering aan 16- en 17-jarigen; de Oost-Europese manipulatie van de Nederlandse vredesbeweging; beroep in de belastingrechtspraak; reductie van het aantal ziekenhuisbedden: het UNIFIL-mandaat; solidariteitsheffing: energiebeleid; enz. enz. Een bredere gerichtheid is, dunkt mij, nauwelijks mogelijk.
De genoemde verschillen tussen RPF en CDA gaan echter nog verder en worden vervolgens door de heer Bennen, volgens goed gebruik overigens, uitgewerkt in drie punten.
"In de eerste praats laat de RPF zichzelf zien als getuigenispartij ... " , aldus de schrijver. Ik sluit niet uit, dat daartoe weleens (onbedoeld) aanleiding is gegeven. Toch doet die typering geen recht aan het wezen van de RPF. Natuurlijk is het zo, dat een politieke partij duidelijk dient aan te geven waar zij staat en waarvoor zij staat. Dat is iets, maar dit terzijde, wat in het CDA zo (soms jammerlijk) gemist wordt. Duidelijkheid dus, getuigend van politieke uitgangspunten, maar in dat getuigen vooral ook anderen trachtend te overtuigen. Ook hierin wil de RPF reformatorisch zijn.
In de tweede plaats zou de RPF zich met name richten op het christelijk belang (het bijzonder onderwijs, christen-Turken en Molukkers).
Ik vraag mij echter af of dit negatief beoordeeld moet worden en of dit, partijpolitiek gezien, wel altijd te vermijden is. Het CDA ontkomt daar immers ook niet aan. Zij heeft zich in de laatste verkiezingscampagne opgeworpen als de exclusieve hoedster van het christelijk onderwijs. Ik laat in het midden of dat in de praktijk ook zo functioneert, maar stel vast dat ook het CDA zich hiermee richt op een (christelijk) deelbelang. Zoals gezegd, heb ik tegen een zekere "gerichtheid" op christelijke belangen ook geen bezwaar, zolang het ”heil" van de hele Nederlandse bevolking, het algemeen belang zo u wilt, niet uit het oog wordt verloren.
"Het CDA ... wil de christen-democratische uitgangspunten van betekenis laten zijn voor de inrichting van de gehele samenleving in al haar geschakeerdheid", zo schrijft de heer Bennen in dit verband. Maar wat te doen, als de "schakering in de samenleving" in strijd komt met de christen-democratische uitgangspunten? Het is jammer, dat juist daar geen antwoord op wordt gegeven! Zodoende blijft deze uitspraak een beetje in de lucht hangen. En zit er in deze redenering noodzakelijkerwijze ook niet een zeker neutralisme?
Het is niet onbekend, dat in kringen van bijvoorbeeld het CNV en de PCO (protestants christelijk onderwijs) nogal wat kritiek is op het functioneren van het CDA. Is dat geen gevolg van het feit, dat men hier niet meer zo duidelijk durft te kiezen?
Tenslotte iets over de opmerking dat de RPF het bijzonder onderwijs in de praktijk gelijk stelt met de christelijke school. Dat lijkt mij niet in overeenstemming met de waarheid. De RPF heeft van jongs af aan heel sterk de grondwettelijke vrijheid van stichting, richting en inrichting in het onderwijs benadrukt. En dat is ook altijd de toetssteen geweest bij de beoordeling van het beleid op onderwijsgebied.
Over het vreemdelingenbeleid 'n enkel verklarend woord. De RPF besteedt aandacht aan christen-Turken, omdat deze mensen (aanvankelijk) bij niemand gehoor hebben gevonden (ook niet bij het CDA) voor hun noden. Wat de Molukkers betreft: mij dunkt, dat Nederland na de "kwestie Indonesië" een zekere verantwoordelijkheid voor deze mensen heeft te dragen. Dat gaat m.i. alle politieke partijen (ook het CDA) aan. Een en ander houdt echter niet in, dat de RPF aan de rest van de “vreemdelingen binnen onze poorten" geen boodschap heeft. Maar dat heeft de heer Bennen, naar ik aanneem, ook niet bedoeld. Anders verwijs ik graag naar het verkiezingsprogramma van de RPF.
Tenslotte, in de derde plaats, wordt de RPF een volstrekt gebrek aan visie op sociaaleconomisch terrein verweten. In de volgende zin wordt dit weer enigszins ontkracht: "de filosofie van het vrijmarktmechanisme blijkt hier opgeld te doen". Dat is nogal wat. Het valt in elk geval niet te ontkennen, dat er nogal wat misverstand bestaat over het RPF-standpunt ter zake. Ik maak het daarom graag nog eens helder(der).
Het lijkt mij, dat ik dirt het best kan doen door de woorden te citeren, die de RPF in haar verkiezingsprogramma 1982-1986 wijdt aan de economische orde. Hier en daar plaats ik dan wel een verklarende noot.
"De overheid draagt zorg", zo begint de betreffende passage, "voor een economische orde, waarin recht en gerechtigheid heersen." Dat lijkt mij, om te beginnen, in volledige tegenspraak met de filosofie van het vrijmarktmechanisme. Maar dan komen wellicht zinsneden die wat meer storen: "Zij zal daartoe een marktgericht beleid. dienen te voeren, waarbij prijzen en lonen in beginsel worden bepaald door vraag en aanbod in het ruilverkeer. Een dergelijk beleid doet recht aan de dynamische aard van het economisch leven." Die laatste toevoeging is hierbij echter wel wezenlijk. Daarmee wordt namelijk gezegd, dat het economisch leven een heel eigen aard heeft; ook het ruilverkeer (kopen en verkopen) is onderdeel van de Scheppingswerkelijkheid. Ik denk dat het niet juist is de Schepping te beperken tot de "natuur" of het "milieu". God heeft in Zijn Schepping ook orde gewild; ook een gedifferentieerde, veelzijdige samenleving, zoals wij die nu kennen, behoort ordelijk, “Scheppingsordelijk", te functioneren. Maar dat houdt ook in, dat de eigen aard van het geschapene niet uit het oog wordt verloren. Welnu, de aard van het economisch leven is dynamisch, veelzijdig en ook door de overheid niet te "plannen". Hoeveel groots aangekondigde economische plannen van de overheid zijn niet door bittere cijfers achterhaald, met name in een tijd van neergaande conjunctuur? Hoe komt het bijvoorbeeld, dat de investeringspremies van de overheid zo weinig zoden aan de dijk zetten? Heeft dat ook niet te maken met de eigen aard van het economisch handelen? Concludeert de RPF daaruit dan toch, dat de overheid geen taak heeft in het economisch leven? Laten we tenslotte nog maar even verder lezen in 't program: "Hiermee kan de overheid niet volstaan. Waar nodig dient zij aanvullend, corrigerend en desgewenst stimulerend op te treden. Het regelgevend beleid dient weloverwogen en flexibel te zijn." Deze woorden zijn met opzet in algemene termen geformuleerd. Telkens zal namelijk de taak en verantwoordelijkheid van de overheid moeten worden afgewogen tegen de taak en verantwoordelijkheid van de burgers in de verschillende samenlevingsverbanden. Niet pragmatisch, maar gedachtig aan psalm 119:105, dus bij het licht van Gods Woord. Dat normatieve afwegingsproces (Wat behoort tot de taak van de overheid? Waar zijn de burgers verantwoordelijk?) is een zeer wezenlijk element in de reformatorische politieke traditie. En nu ben ik waar ik wezen wil, want juist die afweging van verantwoordelijkheden zou een veel belangrijker rol moeten spelen in de politieke discussie.
De heer Bennen stelt nu, dat de overheid zich volgens de RPF terughoudend moet opstellen op economisch gebied en op het terrein van de zedelijkheid veel moet voorschrijven. Dat is volgens hem onevenredig. Maar zou dit niet het resultaat kunnen zijn van het afwegingsproces, dat ik zo-even beschreef? En is dat contrast zo schril? Als recht en gerechtigheid in het geding zijn, dient de overheid wel degelijk in te grijpen in het economisch leven. En als iedereen zich netjes gedraagt, kunnen we volstaan met een summiere uitvoering van de zedelijkheidswetgeving. Het gaat immers om een beperking van de doorwerking van de zonde? Dat is toch uiteindelijk de (Schriftuurlijke) taak van de overheid, opdat het leven van de burger stil en gerust kan zijn?
Vervolgens schrijft de heer Bennen, dat in de CDA-opvatting de overheid in beginsel overal moet ingrijpen, waar situaties dreigen mis te gaan of ontsporingen kunnen worden geconstateerd. Die visie op de overheid lijkt mij echter onvoldoende, omdat er geen uitspraak wordt gedaan over de taak van de burgers in relatie tot deze overheidstaak, met andere woorden: er zit geen afwegingsproces in. Juist de visie op de overheid, zoals de heer Bennen die formuleert, heeft er namelijk voor gezorgd, dat van elke verdiende Nederlandse gulden de overheid zeventig cent uitgeeft en wij nu te kampen hebben met een grote hoeveelheid onbetaalbare rekeningen. Wij hebben onze financiële rijkdommen slecht beheerd. Maar tegen deze ontsporing heeft "de CDA-opvatting over de overheid" geen innerlijk verweer, want we hebben hier nu juist te maken met ontsporingen, die door het overheidsingrijpen zelf zijn ontstaan! Daardoor heeft het CDA ook in feite geen innerlijk verweer tegen de visie op staat en maatschappij van haar coalitiepartner, de VVD. Maar dat terzijde.
Tenslotte nog een enkel woord over de harde confrontaties tussen CDA en RPF, met name in Alblasserdam. Ik betreur dat, maar merk daarbij op, dat enthousiaste en oprechte leden van een jonge partij als de RPF het in een discussie nu eenmaal weleens af moeten leggen regen een toch ervaren gemeentepoliticus als de heer De Groot. Maar de conclusie van deze laatste, dat er geen eigensoortige politieke overtuiging achter de RPF zit, lijkt mij op grond van deze beperkte confrontatie wel wat ver gaan. Om in dit verband van het woord "parasitair" maar te zwijgen. Ook de zinsnede uit het betoog van de heer Bennen, "dat er meer moet gebeuren dan het stellen van een enkele vraag in de Tweede Kamer, wil de RPF en factor van (politieke) betekenis gaan vormen", vind ik uitermate wrang, insinuerend, onjuist en beledigend. Hopelijk is het zo niet bedoeld door de heer Bennen.
Ik hoop met het voorgaande te hebben aangetoond, dat er wel degelijk bestaansrecht is voor een Reformatorische Politieke Federatie, die voort wil gaan in het Schriftuurlijke spoor van onze vaderen, die in deze tijd het goede voor het Nederlandse volk wil zoeken ("Opdat het u wèlga") en die uitziet naar Degene die alle dingen zal voleindigen. Die reformatorische, antirevolutionaire politiek is helaas versmolten in de smeltkroes van menigeen in het CDA. Ik constateer dat met verdriet. Er is in deze tijd zeer dringend behoefte aan mensen, die zeggen: "hier sta ik, ik kan niet anders". Dat is geen dooddoener, maar een daad van gehoorzaamheid en een kiem tot leven en zegen, zoals de geschiedenis ons bij voortduring leert. Omdat het geloof nooit en te nimmer te veel kan verwachten!