Over doop en overdoop (slot)

1985-01-25
  • Jaargang 29
  • nummer 4
In de vorige artikelen kwamen twee motieven ter sprake, die onvermijdelijk een, rol spelen als mensen zich laten overdopen. Het eerste is de gedachte, dat de doop berust op de keuze die een mens maakt voor Christus. Wie daar eenmaal van overtuigd is geraakt, kan geen vrede meer hebben met de kinderdoop. Het tweede motief heeft te maken met de vorm van de doop: zodra je gaat geloven dat alleen de doop door onderdompeling echt bijbels is, als een symbool van de wedergeboorte, kan de kinderdoop door besprenkeling je eveneens niet meer voldoen. Nu speelt echter in het besluit van mensen, die' zich laten overdopen, vaak nog een derde motief een rol. Ik heb het aangeduid in een van de vragen aan het begin van deze reeks artikelen: wat moet je zeggen, als je verkering krijgt met iemand die jou stralend verzekert dat (... ) je rijker kunt geloven door je als volwassene te laten dopen? Het gaat hier om de noodzaak van over doop in het kader van

de groei in het christelijk leven.
Misschien weten we met geen van de argumenten, die mensen voor overdoop aanvoeren, wel zo weinig raad als met de bewering, dat je je geestelijke groei tegenhoudt als je je niet bewust als volwassene door onderdompeling hebt laten dopen. Aan de ene kant kan zo'n beweringdie overigens lang niet álle overdopers voor hun rekening nemen - kregel maken: ben ik dan een halfbakken christen? wat verbeeldt hij zich wel, dat hij denkt rijker te geloven dan ik! Aan de andere kant kan het ook nieuwsgierig en verlangend maken: wat zou daarmee bedoeld worden, met dat groeien? zou ik soms inderdaad sterker in het geloof komen te staan, als ik me over laat dopen? kan het dan toch rijker dan zoals ik het nu ervaar? Voor het stenen van dit soort vragen is des te meer reden, omdat er in onze eigen gereformeerde traditie nadrukkelijk plaats ingeruimd is voor een 'vooruitgaan' (I Tim. 4 : 15) in het christelijke leven. Catechismus-zondag 26 v/a 70 spreekt van een 'hoe langer hoe meer aan de zonde afsterven en godvrezend en onberispelijk leven'. In zondag 28 v/a 76 gaat het over een 'hoe langer hoe meer met Christus' lichaam verenigd worden'. En zondag 44 v/a 115 spreekt zelfs van een groei in de richting van de volmaaktheid na dit leven: we mogen bidden om de genade van de Heilige Geest ,om hoe langer hoe meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, nl. de volmaaktheid, bereiken."
En gaat het klassieke doopformulier ons niet voor in een Mdden om wassen en toenemen in de Here Jezus? Het vurige geloof van sommige voorstanders van de volwassendoop, dat wij onszelf als christenen tekort doen wanneer wij er genoegen me nemen dat ons geloofsleven blijft steken in zwakheid en zonde, vindt dus verrassend genoeg steun in de bijbeluitleg waarmee wij zijn opgegroeid. Tegelijk is er reden tot aarzeling. Zouden zij precies hetzelfde bedoelen als de Catechismus? Deze remt immers al te optimistische verwachtingen over 'groei' af, met de beroemde stelling "dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonde bevlekt zijn" (zondag 24 v/a 62). Van mensen die zich laten overdopen krijg je vaak de indruk, dat die veel grotere successen in de strijd tegen de zonde verwachten, en ook een veel rijker voorschot op de komende heerlijkheid: En' waarom koppelen zij die groei met zoveel beslistheid aan de volwassendoop?

Het vermoeden, dat de verwachting van geestelijke groei ons niet scheidt van overdopers, maar ‘ergens’ toch heel wat anders voor hen inhoudt, blijkt op zekerheid te berusten. Het pleidooi voor overdoop, zoals dat vanuit de Opwekkingsbeweging gevoerd wordt, heeft nl. een theologische achtergrond waarin in een heel speciale theorie over de geestelijke groei is opgezet. Want nogmaals: slechts ogenschijnlijk zeult de Opwekkingsbeweging geen ballast van traditie en theologie met zich mee bij het lezen van de bijbel. In werkelijkheid gaat zij van bepaalde dogma’s uit, die van het methodisme, een stroming die net zo sterk beïnvloed is door John Wesley als de gereformeerde traditie door Calvijn. Van deze Wesley (1703-1791) is ontzaglijk veel te vertellen, veel goeds ook. Maar in dit verband interesseert' ons alleen, dat hij een theoloog van formaat was, en in een zekere oorspronkelijkheid een manier van bijbellezen ontwikkeld heeft, die op vele punten aansluit bij de Reformatie, maar toch ook in niet 'Onbelangrijke zaken eigen wegen is ingeslagen. Een van die zaken is de groei in het christelijk leven. Men heeft het bezig zijn met dat thema wel kenmerkend voor Wesley en het methodisme genoemd, en terecht. Want heel hun voorstelling van het christelijk leven is er een van gestage ontwikkeling en vooruitgang. Wesley leefde in een tijd, dat het christendom in Engeland een matte, ingezonken, burgerlijke en intellectualistische bedoening was geworden - niet bepaald een zoutend zout in de samenleving. In zijn eigen leven heeft hij ervaren, hoe ánders het kan worden wanneer een mens zich laat verzoenen met God, van genade wil leven en zich laat leiden door de Heilige Geest. Zo heeft hij, samen met zijn broer Charles en zijn vriend George Whitfield, aan het begin gestaan van een geweldig ontwaken van de Engelse christenheid. Met het evangelie van het verzoenend sterven van Christus, zonder hetwelk wij zondige mensen reddeloos verloren zijn, doorbrak Wesley de gezapige stemming van al die mensen, die rustten op de lauweren van hun godsdienstigheid en fatsoen. In die zijn is hij vergelijkbaar met Luther: beide hebben zij ernst gemaakt met de realiteit van Gods gericht over de onheiligheid van ons mensen; beide ook waren zij gegrepen door het evangelie van de rechtvaardiging van de goddeloze. Een van de doorbraken in Wesley’s geloofsleven vond plaats nadat hij het ‘Woord vooraf’ van Luthers commentaar op Paulus’ brief aan de Romeinen bestudeerd had! Er is echter één enorm verschil tussen Luther en Wesley, en dat betreft de vraag: hoe gaat het nu verder met de mens, die de poging opgeeft om in eigen kracht en vroomheid Gods oordeel te doorstaan, en die zijn toevlucht zoekt tot Gods genade? Voor Luther stond het vast, dat een mens nooit uitkomt boven dit niveau, waarop hij het oordeel verdient maar er door Gods genade alleen aan ontkomt. Zeker heeft Luther geloofd, dat deHeilige Geest in een begenadigd zondaar aan het werk gaat en Zijn vrucht laat groeien, maar hij heeft altijd met kracht de gedachte van de hand gewezen, dat deze Ievensheiliging de mens minder zondig, en dus minder strafbaar zou maken. En voor deze gedachte is Wesley nu juist wèl warm gelopen! Hij was beducht voor de geestelijke luiheid, die hij zo vaak bij reformatorisch gevormde christenen 'aantrof, zo van: ,,Ik heb altijd gezondigd en zal' ook altijd wel blijven zondigen, maar Christus heeft al die zonden verzoend, en dus hoef ik me er geen zorgen over te maken... "Wesley zag scherp in hoe onbijbels zo'n houding is, en spoorde de mensen daarom met grote ernst aan, te "jagen naar de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien" (Hebr. 12: 14). Maar daarbij 'liet hij het niet! Hij kwam tot de overtuiging, dat, de inspanning om heilig te leven ook werkelijk bekroond zal worden, wanneer een mens daarbij geheel afziet van eigen kracht en het van God alleen verwacht. Geen zonde achtte hij onoverwinnelijk geen verkeerde begeerte hield hij voor onuitroeibaar. Als een mens een bepaalde zonde niet onder de knie krijgt, dan ligt dat volgens Wesley ·daaraan dat hij niet voldoende geloof heeft in God. Omgekeerd: wie werkelijk alles van God verwacht en met inzet van al zijn krachten jaagt naar de heiliging, die zal langzaam maar zeker de zonde ontgroeien. Langzaam maar zeker: Wesley denkt hier aan een proces, dat zich uitstrekt over het hele leven van een christenmens. Niet van de ene dag op de andere zal de gelovige, die zich openstelt voor de werking van de Heilige Geest, boven zonde en begeerte zijn uitgekomen en vervuld zijn van liefde voor God en zijn naaste.
Dat is een kwestie van groei. Hij onderscheidt in dat groeiproces een aantal stadia. Het begint ermee, dat een mens zich zijn zonden aantrekt, bang wordt voor het oordeel, en de begeerte krijgt God te dienen. Dan komt de doorbraak van de bekering: een, mens geeft zich gewonnen aan de genade, mag zich een kind van God weten en begint een nieuw leven: een leven van strijd tegen de zonde. De meeste christenen beschouwen dit als het eindstadium op aarde, maar volgens Wesley ten onrechte: ook hier gaat de groei door! In het geloof mag je verwachten dat je vorderingen zult maken in de strijd tegen de zonde; in het geloof moet Je er dan ook hard tegenaan en eens, vroeg of laat, Zal er dan een nieuwe doorbraak komen, waarbij je de zonde zuIt overwinnen en er in je hart geen enkele verkeerde begeerte meer zal zijn. Deze nieuwe doorbraak noemt Wesley de 'volkomen heiliging', of ook wel de 'second blessing', de tweede zegen. In dit stadium heeft een mens zichzelf volkomen overgegeven aan God, wil hij niets anders mee):' dan God gehoorzamen. Dat betekent zeker niet dat een christen van dit niveau even volmaakt is als Adam; hij maakt nog allerlei beoordelingsfouten en begaat vergissingen, en kan in zoverre ook niet buiten vergeving. Maar de gezindheid van zo'n christen, die is voor 100% rein; hij leeft in een totale toegewijdheid aan God, waarop niets aan te merken valt. Wesley acht dit stadium niet het neusje van de zalm, dat slechts voor enkelingen weggelegd is. Nee, hij meent dat ieder christen naar dit niveau moet streven. Móet streven, ja, want de heerlijkheid in het leven na dit leven is slechts bereikbaar als je op aarde aan de volkomen heiliging bent toegekomen; het is een sport op de ladder die je niet over kunt slaan, wil je de hemelse zaligheid bereiken. Is dat niet om moedeloos van te worden, deze is tot volkomen heiliging?
Welnee! zegt Wesley: je hoeft er immers niet op eigen kracht' te komen; God wil je die groei geven. En dus komt alles aan op geloof en gehoorzaamheid.

Genoeg over Wesley, en terug naar onze tijd, waarin zijn sporen zonder moeite terug te 'vinden zijn. De hele Pinksterbeweging b.v. gaat uit van verschillende niveaus waarop jè christen kunt zijn. Het eerste stadium is voor hen dat van het gewone, christelijke leven. Het tweede is dat van de doop met de Heilige Geest. Dan bestaat de 'second blessing' dus in de begiftiging met speciale Geestesgaven, waardoor er een uitgesproken verrijking van het geestelijk leven plaats vindt. Vandaar, dat Pinkstergelovigen ons, gereformeerden, voorhouden dat wij niet leven uit het volle evangelie: wij beperken ons tot onze schade - tot het eerste stadium, waarin we ongetwijfeld christen zijn, maar nooit de verdieping en ontplooiing gewaar zullen worden van het tweede stadium.
Ook het groeidenken van hen die tot overdoop besluiten zonder zich aan de Pinksterbeweging gewonnen te geven, wordt vaak gekenmerkt door het patroon van stadia die op elkaar volgen. Zij zullen niet gauw beweren dat je geen goed christen bent, wanneer je geen aanleiding ziet om je als volwassene door onderdompeling te laten dopen. Maar zij zijn er vaak wel van overtuigd, dat er meer mogelijk is dan wij in het spoor van de Reformatie zijn gaan verwachten.
Wie zich werkelijk openstelt voor het werk van de Heilige Geest, en de heerschappij van Christus over heel zijn leven wil aanvaarden, die zal een veel rijker geestelijk leven tegemoet gaan. En aangezien de doop door onderdompeling dat nu juist is: de totale overgave aan de Heer, gaat zij functioneren als de grenslijn tussen om zo te zeggen een 18- en een 24.karaats christelijk leven. Die doop niet te ondergaan, zou kunnen betekenen dat je niet absoluut gehoorzaam bent aan God, en dus: dat je [e groei tegenhoudt. Zo gezien ervaren sommige mensen de overdoop als puur noodzakelijk, ook als ze eerder in alle oprechtheid belijdenis van hun geloof hebben gedaan. Het is voor hen een doorbraak naar een hoger niveau, waarop God heerlijker met hen bezig kan zijn dan ooit.

En wat zie je nu zo gauw gebeuren bij mensen, die in het voetspoor van Wesley de geestelijke groei opvatten als 'n voortschrijden van het ene stadium naar het andere? Dat zij ertoe neigen het stadium, waarin een mens als diepe zondaar begenadigd wordt door God, als voorbijgaand te beschouwen. Zij kunnen opmerken, dat de verzoening door het bloed van Christus iets is, waarover je niet altijd moet bezig blijven, maar waarop je moet voortbouwen. Zij zien een gelovige van lieverlee veranderen, steeds heiliger worden, al een heel eind op weg naar de volmaakte mens, die in eigen heiligheid Gods oordeel zal kunnen doorstaan. Het werk van Christus op Golgotha is dan om zo te zeggen de startmotor, waardoor het christelijk leven in beweging komt; het werk van de Heilige Geest in een mens daarentegen de, eigenlijke, motor, waardoor de vaart er pas goed inkomt. En daarmee zijn zij bezweken voor de bekoring van een gedachtegang, die de verhoudingen helemaal scheef trekt. Want het stadium van de rechtvaardiging van de goddeloze is nooit achterhaald! Het meest sprekend blijkt dat wellicht uit de NT-ische verkondiging, dat Christus aan de rechterhand van God is om daar voor ons te pleiten, Rom. 8 : 34. Dat is een continudienst als priester, waardoor Hij ons volgens Hebr. 7: 25 volkomen behoudt. En dus is er geen sprake van. dat het werk van de Heilige Geest in een mens de verzoening door het bloed van Christus naar de achtergrond dringt. Christus moet, integendeel, dag in dag uit Zijn volle gewicht in de schaal werpen, om ons voor het oordeel van de heilige God te behoeden. Dat heeft de Catchismus willen uitdrukken met die zinsnede, dat onze beste werken nog met zonde bevlekt zijn. Daaruit spreekt geen zwartgalligheid, maar heel eenvoudig een diep onder de indruk zijn van de noodzaak van Christus' pleidooi voor ons. Het is ook niet in strijd met die andere uitspraken, over het hoe langer hoe meer afsterven aan de zonde en met Christus' verenigd worden. De vrucht van de Geest bestaat juist daarin, dat een mens al dieper en ootmoediger zich toevertrouwt aan Gods genade voor zondaren, om zo tot liefde, blijdschap, vrede, zachtmoedigheid enz. te komen, Gal. 5 : 22. De groei in het christelijk leven is niet een uitgroeien boven het stadium, waarin je zonder de reiniging door het bloed van Christus geen been hebt om op te staan, maar een in groeien in het leven uit de rechtvaardiging door genade alleen.
De Heilige Geest verandert ons, door ons hoe langer hoe dichter bij Golgotha te brengen.
Het denken in stadia is hiermee niet in overeenstemming. Zeker is er de belofte van, vooruitgang en verdieping en ontplooiing, maar niet als zouden we ooit een hogere etage van christen zijn kunnen betreden dan waar we nu verblijven. Er is geen overdoop voor nodig, om de volheid van het heil te kunnen ervaren. Daarvoor is slechts één ding nodig: je met hart en ziel overgeven aan de genade waarin God zondige mensen redt; dagelijks terugkeren naar het punt van je doop, waarin Gods vaderlijke, verzoenende en vernieuwende heerschappij over je werd uitgeroepen.

Wat moet je zeggen, als ... Met die vragen begon deze confrontatie met christenen, die ons niet zelden zo lief zijn in hun gegrepen zijn door de Heiland, en die juist daarin aanleiding vinden om kritiek te oefenen op een van de brandpunten van de gereformeerde uitwerking van christen-zijn: de kinderdoop. Ik heb willen duidelijk maken, dat die kritiek heel wat meer dingen loswrikt dan alleen de doop, en reëel gevaar loopt het Bijbelse spreken over genade onrecht te doen, met alle gevolgen van dien. Daarom moeten wij niet te angstig de verdediging inschieten, als de volwassendoop door hen in een zekere vanzelfsprekendheid wordt geponeerd. De kinderdoop is meer dan een praktijk, die met wat goede wil te verdedigen valt. Zij verdient het, dat wij er overtuigd achter staan, omdat ze past in het patroon van de genade die machtig over ons leven is. Er is dus heel wat terug te zeg een gesprek voert met overdopen en tegenin te zeggen, als je pers. Toch zal uit deze artikelen - als het goed is - ook gebleken zijn, dat dat gesprek alleen luikt bij goed luisteren. Zij mogen dan zaken als' wedergeboorte, kiezen voor God, groei in het geestelijk leven, op een verkeerde plaats zetten in hun denken over en beleven van het geloof - zij hebben er recht op bij ons een luisterend oor te vinden wanneer zij aandacht vragen voor die zaken. Onze eigen gereformeerde traditie geeft er zich immers uitvoerig rekenschap van! Het zou wel eens kunnen zijn, dat wij ongemerkt het christelijk leven wat schraler zijn gaan beleven dan de Reformatie het bedoelde. Misschien hebben wij van Schilder te eenzijdig opgepikt, dat de doop gegrond is op Gods beloften en niet op ons geloof, en te weinig de bladzijden gelezen waar hij ingaat op de noodzaak van wedergeboorte.1) Misschien luisteren wij te selectief naar de Catechismus, zodat wel zijn voortreffelijke uitleg van het werk van de Here Jezus tot ons door dringt, maar niet zijn even voortreffelijke weergave van het werk van de Heilige Geest. Zo zal er veel gewonnen zijn, als wij door de confrontatie met voorstanders van overdoop, ons niet laten verleiden tot eenzijdigheid als reactie op hun eenzijdigheid, maar ons verdiepen in de rijkdom en evenwichtigheid van Schriftverstaan, zoals die vanuit de Reformatie tot ons komen. Want echt, de bodem van ons gereformeerd christen zijn herbergt schatten, die elke nieuwe generatie weer opnieuw moet ontdekken en exploiteren.

Noten
1) B.V. K. Schilder, Schriftoverdenkingen I, Goes 1956, 120, 121; Preken 111, Goes 1954, 117-119. Enz.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief