Het profetische spreken - 2
1983-02-11
De profetie valt in het Nieuwe Testament onder de zogenaamde charismata, de Geestesgaven. Een profeet heet daarom ook een geestelijk mens, 1 Cor. 14: 37, wordt daar in elk geval mee op een lijn gesteld.- Jaargang 27
- nummer 6
We hebben bij de profetie in de eerste christelijke kerk dus te denken aan een spreken onder aandrang van de Heilige Geest, die meermalen het karakter draagt van ingeving. Zo kan een profeet de toekomst verkondigen of een gebeurtenis in de toekomst, zoals het geval was met Agabus, een profeet te Jeruzalem, die te Antiochië kwam en door de Geest te kennen gaf dat er een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, Hand. 11: 28. Soms ook konden profeten Gods wil in een bepaalde situatie te kennen geven, ze spreken dan door de Geest, vgl. de zendingsopdracht te Antiochië aan Barnabas en Saulus, Hand. 13: 2. Ook hadden zij een bizonder inzicht in het grote heilsplan van God, in zijn geheimenissen, vgl. 1 Cor. 13 : 2: Al ware het dat ik profetische gaven had en alle geheimenissen en alles wat te weten is, wist... Ef. 3 spreekt over het inzicht in het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is - 2 aan de heiligen, zijn apostelen en profeten, vers 4 en 5. Het betreft hied het geheimenis van de zaligheid ook voor de heidenen. Hier worden de profeten zelfs in een adem genoemd met de apostelen.
Dat wijst wel op het hoge aanzien, dat zij in de eerste christelijke gemeente genoten en dat men hun verschuldigd was. De apostel Paulus heeft zich, hoewel hij zichzelf nooit een profeet noemt maar steeds een apostel, blijkbaar toch wel ook met een profetie soms tot de gemeente gericht.
De Nieuwtestamentische profetie heeft dus verschillende dingen met de Oudtestamentische gemeen. Beide vinden plaats op grond van openbaring, terwijl daarnaast de Nieuwtestamentische profeten óók optreden om de gemeente te vermanen, te bemoedigen en te leren, vgl. 1 Cor. 14. Dan is meer van drijving dan van inspiratie door de Geest sprake, waarbij het dan moeilijk voor ons wordt de werkzaamheid van profeten en leraars van elkaar af te grenzen.
Hiermee komen we al tot een nieuw punt: het onderscheid tussen de profetie in Oud en Nieuw Verbond.
Zij wordt in het Nieuwe Testament toegekend aan meerdere personen.
Is het in het Oude Testament de enkeling of meer de enkeling, die profeteert, in het Nieuwe Testament hebben meer personen deel aan de profetische Geest. Het is de Geest, waaraan trouwens heel de gemeente deel heeft. Daarom wordt ook heel de gemeente in stalat geacht en geroepen rot het toetsen van de profetie. Zo kan 1 Cor. 12 : 10 spreken van het onderscheiden der geesten en 1 Thess. 5 van het toetsen van alles, nadat is gezegd: Dooft de Geest niet uit en veracht de profetieënniet, vers 19-20. Met uitzondering van de profetie in het laatste bijbelboek maakt de Nieuwtestamentische profeet daarom niet op zulk een hoge autoriteit in zijn spreken aanspraak als het geval is met de ware profeten in het Oude Testament.
Van hun profetieën wordt nooit gezegd: Behoudt het goede.
We hebben dus in het Nieuwe Testament in de profetie en de profeten met een veelkleurig verschijnsel te doen, zodat we met het woord 'profetisch' wel enigszins voorzichtig dienen om te gaan, Het kan doen denken aan inspiratie, ook aan bizondere verlichting door de Geest.
Waar het laatste het geval is is het woord van Paulus van toepassing dat de gave van de profetie is gegeven “naar gelang van ons geloof".
Letterlijk: naar de analogie van het geloof. Hier zal analogie maatstaf betekenen en wijst Paulus er dus op dat de profetie moet overeenstemmen met het geloof van de gemeente, d.i. eenvoudig gezegd met de geloofsinhoud, de christelijke leer. En dat moet in de gemeente zelf beoordeeld worden. De profeten staan niet boven de gemeente, mam in haar en vormen zelf een dool van haar, 'aan haar toetsing onderworpen.
Zoals ik al liet uitkomen ziet dit niet in de eerste plaats op de profetie, voor zover zij in bepaalde gevallen de toekomst voorzegde, hoewel ik niet durf beweren dat ,alle toekomstvoorzegging in deze tijd altijd van de Geest was. Heeft zich daaronder ook nooit valse profetie gemengd? Het is opmerkelijk dat Lucas en Hand. 11 van de door Agabus voorspelde hongersnood over de ganse wereld opmerkt, dart die dan ook onder Claudius gekomen is, waarmee hij kan hebben willen aangeven dat dit een ware profetie was, inderdáád door de Heilige Geest ingegeven. Maar de toetsing van de gemeente zal toch wel met name betrekking hebben gehad op die profetieën, die pretendeerden de wil Gods in concrete gevallen te verkondigen en die de gemeenten wilden bemoedigen, vermanen en vertroosten.
De vraag of het profetische charisma een blijvende in de kerk is, is een veel omstredene. Friedrich maakt daarover in Kittels Woordenboek een nuchtere opmerking. Hij zegt: Het dogma dat tot een christelijke gemeente profeten behoren, heeft het langer volgehouden dan de profetie zelf. Met de afwijzing van het Montanisme heeft de profetie in de kerk haar einde gevonden (VI, 862). Het Montanisme was een geestdrijverige beweging in de tweede helft van de tweede eeuw. Zij voorspelde de zeer nabije wederkomst van Christus en het aanbreken van de periode van de Geest met een zekere Montanus. Dergelijke extatische bewegingen hebben zich later in de geschiedenis nog wel vaker voorgedaan, in de Middeleeuwen en ook in de Reformatietijd: de Wederdopers. Toch doen we naar mijn menring verstandig hier wel te onderscheiden. Met de afsluiting van de Nieuwtestamentische canon behoort de profetie als toekomstvoorzegging van het Koninkrijk Gods wel tot het verleden.
Nieuwe heilswaarheden hebben we niet te verwachten. We hebben die ook niet nodig. De Heilige Schrift is genoeg tot zaligheid. Maar dat behoeft een verrassend en scherp inzicht in Gods heilswaarheid, zoals de Schrift ons die doet weten, niet uit te sluiten. De verlichting door de Geest is een garve, die blijvend aan de kerk is beloofden kan aan bizondere personen wel in bizondere mate geschonken worden, zoals dat b.v. met de grote Reformatoren het geval is geweest, maar niet alleen met hen. God kan in elke tijd mannen aan de kerk geven, die met bizondere gaven van de Geest zijn toegerust om zijn Woord helder en klaar te verkondigen en in zijn diepte en heerlijkheid in het licht te stellen.
Er kan geen bezwaar tegen bestaan om dan te spreken van profetische begaafdheid.
Maar er moet dan wel bedacht worden dat de gemeente het recht van toetsing blijft behouden.
Die toetsing betreft de vraag van waar of vals, maar evenzeer van waardevol of minder juist of waardeloos.
Dit brengt ook mee dat de betrokkenen het woord dat zij spreken, voor zover het niet het direct duidelijke en onweersprekelijke evangelie betreft niet bekleden met onaantastbare autoriteit en dat zij ook niet door anderen met een autoriteit worden bekleed, die in strijd zou brengen met de eisen van het Evangelie, vgl. Matth. 23: 8-10: Gij zult u niet rabbi laten noemen ...
en gij zult op aarde niemand uw vader (d.i. een aanduiding van bizondere geleerdheid of in aanzien staan) noemen ... laat u ook geen leidslieden noemen... Het 'profetische spreken' dient dus in nederigheid te gebeuren en kritisch te worden aangehoord. Bedacht moet daarbij het woord van de apostel over het onvolkomene van ons kennen en ook van ons profeteren, 1 Cor. 13.
Dat in de kerk deze les van het Woord van God 'al te vaak is verwaarloosd, lijkt me buiten kijf. Dat het gevaar hiervan ons altijd blijft bedreigen lijkt me onweersprekelijk.
Het staat met het 'profetische' spreken nog niet zo eenvoudig!
Er is nog meer
Het Nieuwe Testament spreekt ons verder nog over meer dan over profeten en profetie. Het weet ook van leraren en leer, woorden, die tegenwoordig niet zo 'in' zijn. Als vanzelf wekken zij de gedachte van al te grote verstandelijkheid en een zekere starheid. Al wat naar het rationele zweemt is niet zo zeer in trek in een tijd, waarin het gevoelsmatige vecht om de boventoon. Toch vinden we er in het Nieuwe Testament sprake van deze termen. In 1 Cor. 12 : 28 noemt onder ten derde zelfs de leraars na de apostelen en profeten. En daarbij mogen we niet vergeten dat heil:leren of onderwijzen in Rom. 12 een plaats heeft onder de gaven van de Geest, vergelijk trouwens ook 1 Cor. 14: 26.
De heilsmededeling heeft in het Nieuwe Testament verschillende uitdrukkingsvormen: verkondiging, getuigenis, belijden, profetie, maar ook die van 'leer'. Het betreft hier niet 'telkens een andere inhoud van het evangelie, maar wel een andere vorm. Bij het onderwijs of de leer is de 'zakelijke uiteenzetting, het nader bescheid' aan de orde, vgl. dr Herman Ridderbos in 'Heilsgeschiedenis en Heilige Schrift', blz. 1.34 en volgende. Ik citeer van hem deze treffende opmerking: "Zo valt ... te verstaan, dat naarmate de heilsáánkondiging in de missionaire fase van de evangelieverkondiging haar beslag gekregen heeft, het eerst als kerugma (aan- of verkondiging) en marturia (getuigenis) aangeduide evangelie steeds meer als de leer, de goede leer etc. wordt omschreven, zoals uit de Handelingen en uit de brieven van Paulus, met name uit de pastorale brieven blijken kan.
"Leer" krijgt hier in het algemeen de betekenis van onderwijzing in het christelijk geloof, van Christelijke leer-werkzaamheid en leer-inhoud ... " pag. 138.
In het algemeen gesproken wijst de leer aan hoe in de verschijning en het werk van Christus het heil voor mens en wereld ligt opgesloten, wat de betekenis is van zijn kruis en opstanding en op welke wijze wij daar aan deel krijgen. Zij blijft niet staan bij het verhaal van de feiten, maar leert ons hun verstrekkende betekenis zien om ons samen met alle heiligen te doen vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is en ons te doen kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat wij vervuld worden tot alle volheid Gods, Ef. 3 : 18 en 19. Het betreft hier dus een geestelijk inzicht, geloofskennis, die daarom ook direct met het 'leven in het geloof in betrekking staat. Tot de rechte leer behoren daarom ook aanwijzingen voor het rechte leven, Titus 2, waarom de leer in een adem genoemd wordt met woorden 'als terechtwijzen en vermanen, Kol. 1 : 28 en 3 : 16.
Zo komt dus in het Nieuwe Testament het leren en de leer voor als een bepaalde zijde van het evangelie, zeker niet als een gesloten systeem. maar als een geheel van gegevens en aanwijzingen, waarmee wij onze winst hebben te doen om Gods genade in Christus te kennen en zijn wil over ons leven te verstaan.
Het zou onjuist zijn een waterdichte scheiding aan te brengen tussen al die kenschetsing van het evangelie, zoals die in het Nieuwe Testament voorkomen: evangelie, overlevering, profetie, getuigenis, verkondiging en leer. Tezamen laten zij ons iets zien van de onuitputtelijke rijkdom en volheid van het ene evangelie, zoals dat door apostelen, profeten, herders en leraars, en evangelisten is gebracht en ook in het Nieuwtestamentische SCHRIFTWOORD ons is overgeleverd. Voor die volheid en veelzijdigheid moeten wij oog hebben om elke eenzijdige typering als de eigenlijke en alles beheersende te vermijden.
Om man en paard te noemen, ik denk aan de brochure, die uitgegeven is door de Stichting Nederlands Gereformeerde Seminarie: Waarom een nieuwe opleiding? en intussen reeds weer enige jaren oud is. Daarin komen we ter typering van het Schriftuurlijk spreken voor mijn besef nogal eenzijdig de term 'profetisch' tegen met soms de toevoeging 'praktisch', terwijl ook de kennis van Gods Woord bij voorkeur 'profetisch' wordt genoemd. Ook het de wil Gods verkondigen heet 'profeteren'.
Ook is er sprake van 'profetische' prediking. De studenten moeten leren de Schrift te gebruiken niet alleen exegetisch-technisch, dat is belangrijk, maar ook 'praktischprofetisch ' .
Dit m.i. eenzijdig spraakgebruik wordt nog bezwaarlijker wanneer we nagaan wat nu dan toch wel onder dat 'profeteren' en 'profetische' spreken nader wordt verstaan, of misschien beter, hoe dit wordt beperkt.
Tegenover het algemene theologische spreken wordt het actualistisch opgezet. De 'boodschap' van het Woord wordt omschreven als de boodschap van de Heilige Geest, op dat moment. Hier kan al direct de vraag gesteld worden of om een voorbeeld te noemen de boodschap van de rechtvaardiging door het geloof, zoals in het bizonder Paulus daarover gesproken heeft, getypeerd kan worden als de boodschap van de Heilige Geest 'op dat moment'. Op dezelfde bladzijde (27) wordt het vermogen om te "profeteren" - de aanhalingtekens zijn van de brochure zelf - omschreven als 'de mening van de Heilige Geest te zeggen in een bepaalde situatie'.
Ik wil niet graag worden misverstaan.
Ik acht het een groot goed dat de betekenis van Gods Woord voor een bepaalde situatie in een helder licht wordt gesteld en ik ben van mening dat daartoe een grondige en geestelijke kennis van de Heilige Schriften onontbeerlijk is. En eveneens en vooral ook het delen in de verlichting van de Heilige Geest, die trouwens met het eerste gepaard gaat. Ook de 'vreze des Heren', die het beginsel van alle wijsheid is, is hiervoor een eerste vereiste ... Wanneer de Here aan zijn kerk zulke mannen geeft dan moeten we daarop maar zuinig zijn en ze ah een gave van Hem aanvaarden.
Maar ook dan blijft gelden, wat we van de profetie in het Nieuwe Testament lezen, dat de gemeente hier toetsingsplicht heeft. Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede, 1 Thess. 5 : 19-21.
Mijn bezwaar gaat tegen het eenzijdig spreken over het Woord Gods als een profetisch spreken, waardoor de andere wijzen van spreken van Gods Woord in het gedrang kan komen, zodat we op een of andere manier toch van huis raken, ongewild en ongemerkt. De kerkgeschiedenis is er om ons op dit punt waakzaam te doen zijn.
In een volgend artikel over deze en er mee samenhangende kwesties nog iets meer, D.V.