Het verbond Gods
1983-02-18
'Sleutelbegrip'- Jaargang 27
- nummer 7
Als ik me niet vergis wordt er in de kring van onze kerken vrij weinig over het verbond, dat de HERE met zijn volk heeft gesloten uitdrukkelijk gesproken en geschreven. Wellicht vindt dit mee zijn verklaring in de tijd rondom de vrijmaking in de jaren veertig. Toen stond het verbond in het middelpunt van de strijd op leerstellig gebied en dat heeft meegebracht dat ook in de eerste jaren ná de vrijmaking veel over het verbond werd gesproken, soms op zulk een manier dat het wel leek dat er geen goed woord over de waarheid kon worden gezegd of heil: wóórd verbond moest er bij gezegd worden. Tot in de toen nog gebruikelijke thema's en verdelingen van de preek werd het wóórd verbond vaak onmisbaar geacht. Het is mogelijk dat dit een reactie heeft gewekt: men werd het overmatig gebruik van het woord moe en hield er mee op alles te passen 'in een formeel verbondsschema. Ik geloof dat het zo ook is gegaan met het woord 'belijdenis'.
De belijdenis werd in de jaren zestig van bepaalde zijde zo naar voren gehaald, dat het wel scheen alsof zij eenzelfde plaats in de kerk had als het Woord van God zelf. Ook dat heeft een reactie teweeg gebracht, met name in de kring van onze kerken.
Intussen, alle leven uit reactie is gevaarlijk.
Onlangs is het tweede deel van de Dogmatiek van dr. B. Wentsel, Gereformeerd predikant te 's-Gravenhage, verschenen, een knap stuk werk, dat getuigenis aflegt van een grote belezenheid en een scherp theologisch inzicht. In dit deel van ruim 600 bladzijden worden een 50 bladzijden gewijd aan het verbond, volgens de in de dogmatieken gebruikelijke indeling: het werkverband, het Noachitische verbond, het verbond met Abraham, het Sinaïtische verbond en het nieuwe verbond. Veel bekends wordt toch op een eigen wijze naar voren gebracht, en dat in confrontatie met allerlei nieuwere theologische (of niet-theologische) meningen. Daarbij worden belangrijke opmerkingen gemaakt, die ook onder ons opmerkzaamheid verdienen, b.v. over de historiciteit van Adam, van de zondeval, het pseudo-geloof van de evolutionist; het dualisme tussen geloof en natuurwetenschap (scherp gekarakteriseerd als schizofrenie) enz. Inzake de strijd over het verbond in de vrijmaking stelt de geleerde auteur teleur, door uit te gaan van de tegenstelling objectiefsubjectief, hoewel hij de werkelijkheid van bondsbreuk in het nieuwe verbond terecht wil handhaven.
Maar dat ik in dit artikel op deze dogmatiek wijs, heeft toch zijn oorzaak in iets anders. Dr. Wentsel typeert het verbond als sleutelbegrip voor het verstaan en de uitlegging van de Heilige Schrift. De bedoeling van deze term, ook wel hermeneutisohe sleutel genoemd, is de volgende: We kunnen de Heilige Schrift alleen goed vers vaan en uitleggen als we haar verstaan als allereerst en allermeest het boek van het verbond van Jawhe met zijn volk. Het verbond, zo zegt hij, moet fungeren als het verbindend beginsel, zoals de ringband of de spiraal van een cahier. Waar het verbond niet wordt erkend, raakt de eenheid zoek.
Op zichzelf is deze stelling niet nieuw. In de dertiger jaren van deze eeuw heeft de heer A. Janse van Biggekerke op zijn wijze dezelfde gedachte naar voren gebracht, met name wel heel sterk in zijn kostelijke boekje: De heerlijkheid der Psalmen als liederen des Verbonds. Janse laat daarin zien dat de psalmen misverstaan worden als men ze opvat als liederen van de "godsdienstige ziel", maar pas in hun heerlijkheid voor ons opengaan als we ze lezen en zingen als liederen van het verbond, dat de ganse mens omvat en centraal de Christus tot inhoud heeft. Door de psalmen leert de kerk zingen van Gods verbond, pag.35.
Actualiteit
Het bovenstaande behoeft enige nadere uitwerking.
Wat gebeurt er wanneer we het verbond niet zo verstaan. Als we niet met Wentsel het verbond kennen als één van de meest passende hermeneutische sleutels (mogelijk zelfs de enig juiste) om de structuur, de inhoud en de zin van de HS en alle onderdelen van het christelijke geloof te ontsluiten? (pag. 145) Dr. W. werkt dit breder uit, dan ik hier kan weergeven. Maar op één ding wil ik hier toch wijzen. Ik doe het met zijn eigen woorden: Waar dit verbond "niet functioneert, daar wordt de aandacht van Jawhe en zijn beloften als centrale factor verplaatst naar het gelovig subject (als enkeling of groep), dreigt de bekeerde, belijdende of met Geest vervulde mens in het middelpunt te komen staan (vgl. het piëtisme, baptisme, pentecostalisme, d.i, een richting in de Pinksterbeweging, G.J.), krijgt het antropocantrisme van bepaalde ervaringstheologieën zijn kans en ligt het terrein open voor groepsvorming, sektarisme en een reeks kerksplitsingen rondom deelwaarheden", pag. 148.
Wat dr. W. hier zegt is niet mis, maar het is wel de waarheid.
Het gelovig subject staat vandaag in brede kring in het middelpunt van de belangstelling en krijgt een ongehoorde aandacht. Zijn ervaringen worden beslissend geacht. De Waarheid heet zelfs opgebouwd te worden met zijn medewerking, vgl. het synodale rapport over het Schriftgezag: God met ons! Het individualisme viert hoogtij. De groep wordt op één lijn gesteld met de kerk of er zelfs voor in de plaats gesteld. En heel de christenheid valt in brokstukken uiteen! Omdat het verbood niet meer in zijn betekenis wordt gekend en erkend. Deelwaarheden vervangen het geheel van de Schriftuurlijke Waarheid, in de kerk beleden en de verschillende groepen gaan met verschillende delen aan de haal. En de groepen bloeien zolang er een charismatische figuur is, waar ze zich omheen kunnen groeperen. De met Geest vervulde mens, om met dr. W. te spreken. En de 'kerken' zijn natuurlijk dood of op sterven na dood. Want er is daar zo weinig leven, er zijn zo weinig met 'Geest vervuilde mensen'. Maar de vraag waar God woont en zijn verbond wordt gehouden in een het ganse leven omvattende wandel, wordt niet gesteld. De godsdienstigheid viert hoogtij, 'de gemeente moet worden vernieuwt' en daaraan werken mensen mee, die van de gemeente zèlf nimmer een sikkepit hebben begrepen.
Wat de Here aan goeds werken wil door zijn Geest ook langs ongewone wegen, zullen we aan Hem overlaten, wij hebben de roeping om zijn Woord te belijden ook in onze eigen tijd en dat ook met toespitsing op die 'tijd. Dat is o.m. het laten zien van de betekenis van zijn Verbond voor het verstaan van zijn Woord en het leven in het verbond. Het gaat daarbij niet - ik hoop dat dit duidelijk is - om een of andere dogmatische constructie, die buiten het leven staalt. Het gaat daarbij ook niet om een alsmaar-het-wóórd-verbond-naar-voren-brengen, maar om de zaak, die in het verbond besloten ligt. Wanneer Bavinck in zijn grote dogmatiek schrijft over de bestemming van de mens, dan brengt hij daarbij het verbond ter sprake en deze grote, fijnzinnige theoloog schrijft dan dit diepe woord: deze zaak (van het verbond) "kan noch mag prijsgegeven, wijl het verbond het wezen der religie is", II, pag. 530.
Een uitstapje
Het verbond plaatst ons op 'katholieke' grondslag: het omvat heel ons leven, ook in huwelijk en gezin, ook in ambt en dagelijks beroep, ook in wetenschap en politiek. Overal doet het ons de Here ontmoeten en wil het ons voor zijn aangezicht doen wandelen. Op het erkennen van Gods verbond wil alle individualisme en persoonlijke vroomheid-los-van-de-gemeente, van Gods volk stuk breken. De kerk is geen vereniging van losstaande individuen, die elkaar hebben gevonden krachtens diepe, innerlijke zielsverwantschap, maar het volk van Gods verbond, dat HIJ zich tot zijn volk verkoren heeft. In dat volk, in die gemeenschap heb ik te leven, daarmee heb ik me door het geloof één te weten en daarmee heb ik samen te leven. Niet wat IK denk, wat IK gevoel, wat IK meen heeft mij te leiden, maar het Woord van de God van het verbond, het gelóóf, dat ik met de anderen gemeen heb. En ik heb te leven voor de God van het verbond en voor de gemeenschap, die niet IK heb gezocht, maar die HIJ gegeven heeft. Het 'individu' wordt in deze gemeenschap niet verstikt, maar opgenomen 'en meegevoerd in de gemeenschappelijke dienst 'aan de ene God en Vader van onze Here Jezus Christus. En zo bereikt het zijn bestemming, om met Bavinck het spreken. AlIe andere IK-wegen leiden naar verstrooiing en verwoesting. Het leven in het verbond bewaart ons voor die verschrikkelijke eenzaamheid, waarover de mens-van-de-wereld in onze tijd zo klaagt. Niet slechts voor een gevoel van eenzaamheid, dat al erg genoeg is, maar bovenal voor de werkelijke eenzaamheid, die het schrikkelijke gevolg is van het gaan op eigen, zelfgekozen wegen, los van de gemeenschap van Gods volken zijn geloof. Het Ik denk, Ik meen, Ik geloof voert in deze woestijn van de wèrkelijke eenzaamheid, waaruit geen verlossing mogelijk is dan door bekering tot Gods verbond.
En onze kinderen.
Zij ook behoren tot Gods verbond: geen Vondelingen, maar Bondelingen. Daarom hebben zij recht op een christelijke opvoeding door hun ouders en op een goede catechisatie, waar zij worden bekend gemaakt met Gods beloften, die ook voor hen gelden. Meer recht dan op het duurste speelgoed, als ze klein zijn, en op de beste schoolopleiding, hoe belangrijk die ook is, als ze groter worden. Het Baptisme, dat behoort tot een van de sterk aan invloed winnen stromingen, weet van deze rechten van onze kinderen niet. Hier is een waarschuwing op zijn plaats. Het Baptisme heeft een geheel eigen leer over het verbond ontwikkeld en spreekt er ook druk over. Het maakt zich druk over het verbond met Abraham en het Sinaïsch verbond en het Nieuwe Verbond en onderwijst er zijn volgelingen over. Ik vrees dat die er meer van weten dan heel wat gereformeerde mensen in onze tijd. Ook in onze kerken?
Maar vergis u niet. Die uiteenzettingen dienen om het verbond, zoals daar over gesproken wordt in het Oude Testament voor te stellen als voor ons van geen enkele betekenis meer. Het verbond met Abraham en op de Sinaï heet zelfs niet eens geestelijk, maar louter vleselijk van karakter. Zo worden de kinderen buiten het verbond gesloten en wordt in het Nieuwe Verbond plaats geruimd voor het individualisme, dat zo kenmerkend is voor deze beweging, die ook haar stem laat horen in de noodzakelijk geachte 'vernieuwing van de gemeente' in onze tijd!
Daarom zal het nodig zijn dat onze gemeenten en catechisanten weer grondig worden onderwezen ook in de leer der verbonden, om tegen veldwinnende dwaalleer gewapend te zijn. Het gaat tenslotte om onze kinderen, wier recht op de doop gehandhaafd moet worden, want ze zijn geen vondelingen, maar bondelingen ... die jongens en meisjes. Zo worden ze nogal eens aangesproken in de kerk. Daar is geen kwaad van te zeggen, ze horen er bij. Daarom mogen ze ook best eens in de kerk aangesproken worden. Dat doen de apostelen ook in hun brieven: kinderen, weest uw ouders gehoorzaam (in de Here), want dat is recht, Ef. 6: 1 en dan volgt er: En gij, vaders, verbittert uw kinderen niet. De kinderen onderscheiden van de vaders! Zo mogen zij in de preek ook wel eens apart worden aangesproken, hoewel het nooit de bedoeling kan zijn dat het overige van de preek aan hen voorbij gaat, omdat het hun boven de pet gaat! Maar dit is natuurlijk heel iets anders dan dat de jongens en meisjes aan het begin van de preek afzonderlijk worden aangesproken náást de broeders en zusters, zoals dat tegenwoordig ook in onze kerken is te horen als de preek begint: broeders en zusters ... Dàt is natuurlijk goed. Daar zit de gedachte van het verbond achter. Waar dit niet wordt erkend, zegt men: geachte luisteraars of beste mensen of iets soortgelijks. Broeders en zusters dus, niet in een evangelisatiesamenkomst maar in de samenkomst van het volk van God, de gemeente. Daar zit de werkelijkheid van het verbond achter in het spreken van de predikant. Maar als hij dan vervolgt: jongens en meisjes, alsof die géén broeders en zusters zijn en met die woorden niet ook reeds aangesproken zijn, dan denk ik bij mezelf: daar zit de AVRO achter of een of andere omroep, zonder dat m'n collega daar bij stilstaat. Radio en T.V. moeten de aanspraak in de kerk niet tot voorbeeld dienen. Onze kinderen zijn geen vondelingen, maar bondelingen. En modeme aanspraken van buiten de kerk moeten ook niet voor het geringste dit besef doen verzwakken. Overigens: de preken zelf zijn vaak prima. Eén van de grootste zegeningen over onze kerken is dat er schriftuurlijk wordt gepreekt met alle verschil van aanpak en uitwerking. Dat mag ons wel zeer dankbaar stemmen.