De theologie
1983-02-25
In het tweede artikel over het profetische spreken kwam de Stichting Nederlands Gereformeerd Seminarie ter sprake. Het is wellicht goed er op te wijzen dat het niet mijn bedoeling was kritiek te oefenen op het streven van de betrokken broeders een eigen Seminarie voor onze kerken in stand te houden. Hun uitgangspunt: opleiding voor de kerk door de kerk deel ik. Ik betreur het met hen dat er op dit punt blijkbaar geen eenstemmigheid in onze kerken heerst, al moet ik daaraan toevoegen dat het me niet bekend is of praktische dan wel principiële bezwaren op dit punt gemeenschappelijk optrekken tot nu toe hebben tegen gestaan. Hoe dit ook moge zijn, eenstemmigheid op dit punt zou ik een groot goed achten. De geschiedenis is er om aan te tonen dat verschil in opleiding gemakkelijk aanleiding geeft tot spanning in de kerken. Ook daarom deel ik het gevoelen van de broeders van het Seminarie dat het een zeer wenselijke zaak is dat alle gemeenten haar roeping met betrekking tot de zorg voor de prediking verstaan en met elkaar zich van die roeping kwijten (Mededelingen no. 3), waarbij ik de woorden 'met elkaar' dan zou willen onderstrepen. En ik vind het jammer dat genoemde wenselijkheid op pag. 9 toch min of meer wordt afgezwakt. Want we hebben elkaar zo nodig, juist omdat hier zulke belangrijke zaken in geding zijn.- Jaargang 27
- nummer 8
Ook dat hebben we de broeders toe te geven. Voor een deel spelen die op de àchtergrond. Dat is m.i. het geval met het zogenaamde 'profetische' spreken, waarover ik het in de eerste twee artikelen (resp. nrs. 5 en 6) het een en ander heb opgemerkt.
Verder ook met heel de kwestie van 'de theologie', haar betekenis, haar recht en haar plaats in het geheel van het kerkelijke leven.
Het is met die theologie een opmerkelijk ding. Vrijwel van het begin af heeft zij de kerk vergezeld op haar weg door de geschiedenis.
Enerzijds is er altijd de drang geweest om de 'innerlijke samenhang' te verstaan van wat de Here ons in zijn Woord heeft geopenbaard anderzijds was er reeds vroeg de noodzaak om het christelijke geloof te verdedigen tegen de op haar gerichte aanvallen van het heidendom en van door het heidendom beïnvloede gedachtengangen. Ook dit laatste vroeg een zich indenken van het door God in zijn Woord geopenbaarde.
Beiden, apologeten en kerkvaders verstonden dat zij niet ronden volstaan met het uit de losse hand citeren van bijbelteksten zonder meer. We raken hier aan de geheel eigen aard van het ons door de Here geschonken Woord. Dit is ons niet gegeven in de vorm van een systematisch geordende leer, maar in dat van een in verschillende tijden en verbondsbedelingen en situaties spreken Gods tot en met zijn volk. Dit spreken geschiedt in mededelingen van feiten, geschiedenissen: psalmen en wijsheidspreuken, verklaring van feiten, uiteenzetting van hun betekenis en voorzegging van de toekomst; dit allemaal in geschiedboeken en profetische boeken, evangeliën en brieven en dartin bonte verscheidenheid. En in alles ligt besloten de ene grote openbaring Gods van zijn genade in Christus, van zijn verbond met zijn volk, van het koninkrijk der hemelen.
Vanwege deze aard van de Heilige Schrift kunnen wij niet volstaan met haar letterlijk na te spreken.
Zij wil gelezen worden in haar geheel, versvaan worden in haar geheel; het afzonderlijke moet in verband met het geheel worden verstaan en verklaard; Schrift moet met Schrift vergeleken worden; het Nieuwe Testament ligt verborgen in het Oude en het Oude gaat open in het Nieuwe. Zo komt het tot theologie, hoe eenvoudig en 'primitief" ook. Vrucht van deze arbeid is o.m. de belijdenis van de kerk in haar confessies.
Deze theologie mag nooit op zichzelf gesteld worden naast de Heilige Schrift, maar heeft alleen recht als uitlegging van de Heilige Schrift, Zo heeft Calvijn zijn Institutie geschreven: als samenvatting en uitlegging van de Schrift, die steeds naar de Schrift zelf terug wijst en behulpzaam wij zijn tot het rechte verstaan ervan. Zelf karakteriseert hij dit boek o.a. als een inleiding tot de Heilige Schrift. De lezers hebben in dit boek “ten eerste een samenvatting van de christelijke leer, en ten tweede een inleiding tot de Heilige Schrift. Het is nodig, zegt hii zelf, om van het boek terug te gaan op de Bijbel om de getuigenissen te overwegen, die er uit worden aangehaald” (Zicht op Calvijn, van Genderen, pag. 14).
De geschiedenis leert ons dat de kerk het nimmer zonder theologie in deze zin heeft gesteld of gemeend te kunnen stellen, daarvoor is de aard van de Schrift te duidelijk: geen kant en klaar leerboek, systematisch ingericht en geordend, maar naar een woord van Bavinck een mijn, waaruit het goud gedolven moet worden. Dat dood Calvijn spreken van de handreiking om de hoofdzaak te vinden van wat God ons in zijn Woord heeft willen leren.
Een wel zeer belangrijke vraag is of deze theologie 'wetenschap' kan worden genoemd. Daar is zoveel over geschreven dat zelfs een korte weergave ervan in een of enkele artikelen onmogelijk is. Vanwege allerlei bezwaren tegen deze term is het spraakgebruik van wetenschappelijke theologie opgekomen. Ik heb de indruk dat dit in de praktijk niet zo erg veel verschil maakt en dat ook A. Janse in zijn bekende artikel: Dogmadek als wetenschap en haar wijsgerige motieven, tussen beiderlei spraakgebruik geen wezenlijk verschil maakt. Alles hangt er tenslotte van af wat men onder 'wetenschap' of ook 'wetenschappelijke' bearbeiding verstaat.
Ik lees in de meermalen genoemde brochure van de Stichting Nederlands Gereformeerd Seminarie dat wetenschappelijke kennen is systematisch geordende kennis, in de vorm van begrippen door het menselijke verstand opgesteld en dat die kennis altijd wat men noemt 'abstract', 'analytisch', dat is betrekking hebbend op slechts een bepaalde kant van de zaak, 'algemeen' en 'geïsoleerd', d.i. uitgelicht in haar verband is. Zij is doortrokken van haar zelfgekozen uitgangspunten.
Dit wordt geschreven is een algemene inleiding op een korte uiteenzetting van wat 'wetenschappelijke' theologie als taak heeft en wat haar betekenis is. Beiden worden erkend en hoog geacht, maar daarna worden de gevaren van de wetenschappelijke theologie breed uitgemeten, waarbij meermalen het woord 'wetenschappelijk' wordt weggelaten.
Ik moet zeggen dat ik in waardering voor zulk een wetenschappelijke theologie bij de broeders wel wat achter blijf. Ik kan haar in hoofdzaak voor zover zij apologetisch bezig is op prijs stellen. Overigens zijn er m.i. grote gevaren aan verbonden.
Ook principieel heb ik er bezwaren tegen. De Heilige Schrift leent zich m.i. niet voor een dèrgelijke wetenschappelijke benadering of verwerking. Maar dit laat ik verder rusten. Het bezwaar dat ik wèl wil noemen is dat met dit generaliserend spreken over de 'theologie' vanuit een bepaald begrip daarvan de 'theologie' als zodanig toch wel in een hoek komt te zitten waar de slagen vallen. Met de theologie als zodanig bedoel ik niet de wetenschappelijke theologie zoals de broeders van het Seminarie die verstaan, maar theologie, zoals ik er in het begin van dit artikel over sprak: het gelovig en samenvattend naspreken van de Schrift als vrucht van gehoorzaam luisteren, ook at zal dit naspreken altijd onvolkomen zijn en zijn tekorten hebben.
In de Mededelingen is een beroep op Lindeboom gedaan. Zijn uiteenzettingen van de jaren negentig der vorige eeuw zouden handelen "over dezelfde bedreiging van de opleiding door de 'wetenschap' als door de Stichting is genoemd" (Mededelingen no. 1). Lindeboom zou in zijn tijd reeds zeer scherp het probleem hebben gesteld "van wat wij de 'verwetenschappelijking' van de opleiding tot de Dienst des Woords noemen". Uiteraard is hier wel enige overeenkomst of ook verwantschap, maar er is ook aanmerkelijk onderscheid. Lindebooms bezwaren gaan tegen wat toen genoemd werd de souvereiniteit van de wetenschap, waardoor het menselijk denken zich boven de Schrift stelt en haar onderwerpt aan zijn logische conclusies en systematiek. Hij is er bevreesd voor dat ais de theologie geïncorporeerd wordt in het geheel der wetenschappen 'het dwaze Gods wordt vermengd met en onderworpen wordt aan de menselijke wijsheid.
Maar hij komt wel op voor de wetenschappelijke studie 'in het besluit van de Synode (!)', en spreekt daarbij van de theologie als een eigene, heilige wetenschap (pag. 66 van Bewaart het pand) en weigert daarbij in te stemmen met het spreken over tweeërlei Theologie: die van de 'vakmensen' en de gewone kerkleden.
De broeders van het Seminarie wijzen eveneens de 'souvereiniteit' der wetenschap af en alle menselijke wijsheid, die zich boven de Schrift stelt en haar aan zich onderwerpt - maar dit is niet hun eigenlijke probleem, als ik hen goed begrijp.
Zij wijzen de theologie ais wetenschap zelf af omdat elke wetenschap abstraheert. Zij is niet eens werkelijk mogelijk, schrijft br. A. Keizer. Niet mogelijk in de zin van niet in staat recht te doen aan het Woord van God. Want wetenschappelijk denken is denken op een afstand ... Dat wij in dit geval van de theologie zeggen, de wetenschappelijke denker plaatst zich op een afstand van de levende God, die in de Schrift rechtstreeks en gezaghebbend hem aanspreekt. Maar Gods Woord verdraagt die afstand niet.
Daarom kon de theologische wetenschap aan Gods Woord geen recht doen (Mededelingen no. 8). Zijn conclusie is dat daarom de theologische wetenschap uit haar centrale plaats behoort te worden verdreven.
Nu bestaat er tussen drs. Keizer en mij geen verschil over de vraag of Gods Woord die genoemde afstand niet verdraagt. Ik ben dat geheel met hem eens. Daarom begrijp ik zijn conclusie ook niet, dat een dergelijke theologische wetenschap van haar centràle plaats behoort te worden verdreven mag m.i. geen enkele plaats hebben, zij is zonder meer af te wijzen. Wanneer drs. K. zegt dat wetenschappelijke distantie hoogstens een methodisch hulpmiddel kan zijn, dat na zijn dienst aan het Schriftonderzoek te hebben bewezen, onmiddellijk weer terug treedt, kan dat geen soulaas bieden.
Hij denkt daarbij geloof ik vooral aan wetenschappelijke taalstudie en wat daarmee op een lijn ligt. Maar zodra het de taal van de Bijbel betreft, nu bezien naar de inhoud van zijn woorden, is ook elke distantie naar mijn mening ongeoorloofd.
Want we hebben dan direct te maken met de openbaring van de levende God.
Alles zit hier voor zover ik zie vast op het begrip wetenschap dart men hanteert. Met name op de vraag of de Heilige Schrift bij haar bestudering ook een eigen methode meebrengt, een 'theologie' die geheel beheerst wordt door haar veld van 'onderzoek': gelovig, niet afstandelijk, niet beheerst door de wetten van een abstract wetenschapsbegrip of een abstracte wetenschap. Niet met verwerping van de logische wetten en welke andere ook, maar de erkennende in hun beperkte geldigheid en ongenoegzaamheid. Met andere woorden een wetenschap, die haar beperktheid erkent en niet een kennis nastreeft die uitgaat boven het geloof in hetgeen ons is geopenbaard.
'Theologie' is 'wetenschap' schrijven de broeders in Mededelingen no. 3.
En zij verwijten prof. Veenhof dat hij heeft gesproken in een artikelenreeks in 'Opbouw' 1977 van verwetenschappelijking van de theologie, waartegen hij dan positie kiest. Zij vinden dat een onzinnig spraakgebruik.
Want verwetenschappelijking van de wetenschap heeft even weinig zin als 'verstening van de steen'.
Valt hier niet álle theologie onder het odium van een hoogst bedenkelijk geachte wetenschap, die toch weer dienst kan bewijzen? Maar is bij prof. Veenhof wel werkelijk sprake van een verduisteren van de zaak, waarom het gaat? Of is hier bij de broeders zèlf toch sprake van onhelderheid? In de Mededelingen no. 13 spreekt ds. K. H. de Groot over de noodzaak van een grondige kennis van het Oude Testament, van de verschillende Bijbelboeken, hun inhoud, hun opbouw, hun betekenis, het verbond met andere Bijbelboeken. 'Dart alles staat bij ons bezig zijn op het Seminarie in het middelpunt', schrijft hij, al zou ik het woord 'middelpunt' liever niet gebruiken. Ik vind dat prachtig en juich het toe. Maar wat is dit allemaal anders dan 'theologie'? Niet in de zin van een historisch-critische wetenschap, die hij terecht verwerpt.
Hij spreekt ook over de betrekkelijke waarde van de theologische wetenschap. Maar hij heeft het dan over een theologische wetenschap, die haar eigen leven leidt, los van het kerkelijke leven, maar hij verwerpt de wetenschap niet en bedoelt dan niet allerlei wetenschap, maar de wetenschap, zoals zij bezig is met het verstaan van de Schrift, waarbij zelfs kritisch gebruik kan worden gemaakt van werken die toch niet uit de Schriftgelovige kring komen. Maar de positieve houding tegenover de historisch-critische benadering van de Schrift in het bekende (synodale) rapport over het Schriftgezag noemt hij een typerend voorbeeld van de verwetenschappelijking van de theologie.
Die is dus mogelijk en dat wijst hij af. Terecht. Net als prof.
Veenhof. Maar blijkbaar wil hij toch in goede zin over theologie gesproken hebben. Is ds. De Groot in dit opzicht een buitenbeentje in de kring der broeders van het Seminarie?
Toch weer niet, want het Seminarie zelf verleent een 'kandidaatsbul in de theologie'.
Dat hier alles helder en duidelijk is zou teveel gezegd zijn.
Nadere bezinning op een open gesprek in breder kring lijkt me wel gewenst, waarbij dan ook termen als het 'profetische spreken' en 'de taal van de Heilige Geest', 'spreken uit de Schrift' enz. in hun eigenlijke betekenis, bedoeling en consequenties tot de onderwerpen zouden kunnen behoren.
Het zal duidelijk zijn - en als het dat niet is, dan wil ik het nog eens duidelijk zeggen - dart mijn artikelen niet bedoeld zijn als een aanval op het Seminarie zelf. Zij bestrijken trouwens een breder terrein dan dat van de Opleiding tot de Dienst des Woords. Zij raken het kerkelijke leven zelf en de communicatie met elkaar rechtstreeks.
En het is niet goed langs elkaar heen te praten. De broeders van de Stichting sturen als ik het wel heb hun Mededelingen in een behoorlijk aantal ook alle kerken toe. Ik vind dat zij recht hebben op reactie, niet om allerlei polemieken te ontketenen, maar om samen te worstelen in het groeien, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Christus toe, die het hoofd is, Ef. 4 : 15.