Jona
2008-05-23
Hoe zit het met de historiciteit van bepaalde gedeelten van het Oude Testament (Daniël, Job, Jona)? De Vrijgemaakte Kamper docent en eindredacteur van De Reformatie Ad de Bruijne had daarover geschreven in een vorig jaar verschenen boek (Omhoog kijken in platland). Omdat daar nogal wat vragen over kwamen verantwoordt hij zich nader in De Reformatie (19 april). Hij gaat met name in op de vragen rond Jona.- Jaargang 52
- nummer 11
Ooit, zo vertelt hij, voerde hij daarover een discussie:
In die discussie beriep ik mij op Christus’ woorden over Jona. Wanneer Jezus zelf Jona als historisch beschouwde en de bekering van Ninevé noemt, dan is toch de kous af? Het antwoord dat ik kreeg zette mij aan het denken.
Mijn gesprekspartner herinnerde mij aan onze eigen gereformeerde openbaringsleer.
Met Calvijn belijden we dat God zich in zijn openbaring heeft aangepast aan ons menselijke verstand. Hij zegt de dingen vaak zo dat mensen het in hun eigen tijd en met hun eigen mogelijkheden kunnen plaatsen. Zoals een vader die met zijn kleine kinderen praat, en daarvoor op zijn hurken gaat zitten. God laat in zijn openbaring allerlei gebrekkige kennis die de mensen destijds hadden, gewoon bestaan.
Mensen dachten nog dat de aarde plat was en dat je vanaf elke plek op aarde de zon en de wolken kon zien. Ze misten veel medische en psychiatrische kennis. Ze hanteerden lijfstraffen die wij wreed vinden en vonden slavernij min of meer normaal. De relatie tussen man en vrouw was niet alleen een liefdesband maar ook een bezitsrelatie. In zijn openbaring corrigeert de HERE dat vaak niet. Hij kwam met zijn woord binnen in dat bestaande kader. Kan zoiets ook het geval zijn geweest rond het genre van bijbelboeken, opperde mijn gesprekspartner. Kan Christus bijvoorbeeld een psalm toeschrijven aan David, omdat dit in zijn tijd nu eenmaal zo gezien werd, terwijl wij vandaag concluderen dat de psalm na Davids tijd ontstond en behoorde tot de bundel van David? Kan Hij zich hebben aangepast aan de gedachte dat Mozes de rechtstreekse auteur is van de eerste vijf bijbelboeken, terwijl wij daarin ook andere handen aantreffen? En kan Christus zich zo ook hebben aangepast bij de gangbare opvatting over het genre van Jona?
Vervolgens maakt De Bruijne duidelijk dat hij van mening is dat deze gedachte ons niet verder helpt als het gaat om het boek Jona, maar wellicht wel met betrekking tot andere vragen:
Ik zou zo’n goddelijke aanpassing aan de menselijke kennishorizon kunnen overwegen in de genoemde gevallen van Jezus’ spreken over David of over Mozes. Want daarbij gaat het om meekomende details uit zijn woorden.
Maar dat is bij Christus’ verwerking van het boek Jona anders. Jona’s verblijf in de vis staat parallel aan Jezus’ eigen dood. Jona’s verschijning in Ninevé wordt model voor de boodschap van Jezus’ opstanding. En de mannen van Ninevé zouden een rol kunnen spelen bij het laatste oordeel. Met andere woorden: Christus verwerkt de inhoud van het boek Jona diepgaand in de structuur van werkelijke gebeurtenissen uit zijn eigen reddingswerk. Zou Hij zich daarbij aanpassen aan het beperkte begrip van zijn tijdgenoten, dan zou de overtuigingskracht van zijn eigen werk daardoor overschaduwd worden.
Bovendien zie ik geen reden voor de veronderstelling dat wij vandaag beter doorhebben wat het genre van Jona is dan mensen uit Jezus’ tijd. Waar het gaat om medische kennis of het beeld van de kosmos ligt een moderne kennisvoorsprong voor de hand, maar bij een boek als Jona stonden zij juist veel dichter dan wij. De vragen die De Bruijne stelt zijn reëel. En terwijl vroeger een massief dogma over de onfeilbaarheid van de Schrift elke vraag bij voorbaat verboden deed schijnen, geeft hij er blijk van oog te hebben voor de nuances die gegeven zijn met het eigen karakter van de verschillende genres in de Bijbel. Laat ik nog twee opmerkingen toevoegen aan zijn betoog:
1. In de verzen 9 en 10 van het briefje van Judas wordt gesproken over een twist tussen de duivel en de aartsengel Michaël over het lichaam van Mozes. Hebben we hier te maken met een achteraf canoniek geijkt fragment uit een apocrief geschrift?
Nee; ook hier is m.i. sprake van aanpassing aan de lezers; de schrijver grijpt terug op een bekend verhaal, als illustratie voor iets wat speelt in zijn eigen tijd.
2. Een hele stap verder - één die De Bruijne stellig niet zal willen zetten, maar die, eenmaal begonnen aan deze weg, op enig moment bijna onvermijdelijk binnen de horizon komt - is het, als we het Schriftverstaan rond vrouwelijke ambtsdragers erbij betrekken. Hoe immers is het op te vatten als Paulus een beroep doet op het Oude Testament, en dan conclusies trekt uit het als eerste geschapen zijn van Adam en het als eerste gevallen zijn van Eva, die voor ons besef niet dwingend in de tekst opgesloten lagen? Is daar wellicht ook sprake van een zekere aanpassing?
M.H.T. Biewenga
Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK in Enschede.